Categorie archief: tentoonstellingen

Vermeer en Japan

In mijn ogen ligt er iets van Japanse esthetiek in de schilderijen van Ver-
meer: concentratie, verstilling, het meditatieve van ZEN, stilering, de-
sign, geometrie, streven naar perfectie, de ogenblikervaring van een haiku-
gedicht. Feit is dat Japanners zelf dol zijn op Vermeer, gezien de meerdere
Vermeer-tentoonstellingen in Japan. Ook een feit is dat juist in de tijd
van Vermeer er een directe, exclusieve handelsrelatie bestond tussen Neder-
land en Japan.

“The whole of Japan
is a pure invention.
There is no such country,
there are no such people.
Japanese people are
simply a mode of style
an exquisite fancy of art”
Oscar Wilde

De Hollanders van de Gouden Eeuw moeten door de VOC-handel veel oriëntaal-
se kunst hebben gezien in allerlei vormen. Het is dus denkbaar dat Hol-
landse schilders zich hebben laten inspireren door Oosterse kunst. (denk
aan de oosterse kostuums bij Rembrandt). Philip Hale oppert in zijn mono-
grafie “Jan Vermeer of Delft” de mogelijkheid dat dit ook zou kunnen gel-
den in het geval van Vermeer.

Japanse Thee- ceremonie en Het Melkmeisje van Vermeer.
De Japanse theeceremonie (sadō; “weg van de thee”), is een Japanse tradi-
tie waarin het drinken van thee is verheven tot een kunstvorm. Een thee-
ceremonie bestaat uit een serie vooraf bepaalde handelingen die na elkaar
worden verricht, om optimaal te kunnen genieten van de thee. De ceremonie
is zo geconcentreerd en serieus van aard, dat het een deel is geworden van
het belijden van het boeddhisme, met name de Zen-stroming binnen deze
godsdienst. Iets van die spiritueel geladen concentratie van de Japanse
thee-ceremonie is voelbaar in het uitschenken van melk in Vermeer’s Melk-
meisje. Een meditatieve handeling. Een oefening in aandacht.

Handelsrelatie Nederland-Japan.
In 1609 verleende de Japanse shogun Tokugawa Ieyasu de Nederlanders een
handelspas, waarmee Nederlandse schepen vrije toegang kregen tot Japanse
havens. Hiermee begon een periode van 250 jaar exclusief Nederlands han-
delsbetrekkingen met Japan. De Nederlanders stichtten een handelspost in
Hirado, op het meest zuidelijke eiland van Japan, Kyûshû. In 1624 kwam
daar nog een handels- en distributiecentrum op Formosa bij en vanaf 1641
behoorde het kunstmatige eilandje Deshima tot het terrein van de Neder-
landers. In de tijd van Vermeer was er dus een directe, exclusieve han-
delsrelatie tussen Nederland en Japan.

De interieurs in de beroemde Imperial Villa Katsura in Kyoto met hun stren-
ge geometrische indeling doen denken aan de geometrie in Vermeer-schilde-
rijen als De Muziekles en De Staande Klavecimbelspeelster in Londen. Bij
Vermeer zien we die geometrische orde in het dambordmotief van de tegel-
vloeren in zijn interieurs en de rechthoeken van klavecimbels, schilderij-
lijsten en glas-in-lood ramen.

De theeceremonie en de zuivere geometrie in de Katsura-villa in Kyoto vor-
men een gestileerde uitdrukking van de ziel van Japan.

Vermeer en Japan – de Gitaarspeelster van Vermeer en de Shamisen/Koto-
speelster in Japan.
De vrouwen van Vermeer en de Geisha’s van Japan vormen een ideaalbeeld van
de vrouw als symbool van schoonheid en verfijnde cultuur. Muziek is een
geliefd onderwerp in de schilderkunst van Vermeer én in de Japanse
prentkunst.

De Japanse prentkunst Ukiyo-e (“Prenten van de Vlietende Wereld”) is we-
reldberoemd met meesters als Hokusai, Hiroshige en Utamaro.
Met name Utamaro concentreert zich net als Vermeer op de geïdealiseerde
schoonheid van een jonge vrouw.

Japonisme:
Veel kunstenaars uit de tweede helft van de negentiende eeuw wilden de
kunsten hervormen en zetten zich af tegen de slechte smaak van de moderne
industriële productie. Zij gingen op zoek naar iets ‘anders’ en kwamen zo
uit bij het exotisme. Sommigen onder hen vonden in de Japanse prentkunst
Ukiyo-e een inspiratiebron voor een nieuw soort schoonheid. Ook Chinoise-
rie was erg populair in de Parijse kunstwereld.
Hoofdkenmerken van het japonisme zijn onderwerpen uit de natuur; nadruk op
het platte vlak, uitsneden en kleurcontrasten, veel versiering; eenvoudig
kleurpalet; asymmetrische composities en Japanse motieven zoals bloesems,
waaiers en waterlelies.

In de tijd van de Franse Impressionisten, eind 19e eeuw, was er de rage
van het Japonisme.
Bovenstaande Nocturne van James McNeil Whistler is duidelijk geïnspireerd
op een Japans voorbeeld, een houtsnedeprent van Utagawa Hiroshige –
Kyobashi Bridge.

Ook Claude Monet liet in zijn beroemde zelfontworpen tuinen in Giverny bij
Parijs een Japanse brug bouwen, Ook de vijver met waterlelies is een type-
rend element in Japanse tuinen. Waarvan hij dit iconische schilderij De
Japanse Brug maakte.

Ook Vincent van Gogh schilderde zijn eigen Japonaiseries als de bloeiende
amandelbloesemtakken. En maakte kopieën van een prent Oiran van Kesaï Ei-
sen en van de prent Bloeiende Pruimenboomgaard van Hiroshige. In 2018 was
een prachtige expositie “Van Gogh & Japan” te zien in het Van Gogh Museum
in Amsterdam.

Ook Nederlandse schilders lieten zich inspireren door Japan: zoals de Meis-
jes in Kimono van George Hendrik Breitner met zijn model Geesje Kwak. Hier
met een witte kimono met kersenbloesem-motief.

“Notan” is een bekend begrip in de Japanse kunst: het schilderen van don-
kere vlekken op een lichte achtergrond. Hetzelfde principe zie je bij Ver-
meer, waarbij de voorstelling in donkere vlakken gedefiniëerd wordt tegen
de lichte achtergrond van een witgepleisterde muur..

Japanse kamerschermen beschilderd door de Japanse meester Kōrin in de tijd
van Vermeer.
Duidelijk worden de vormen in deze schildering gedefinieerd door een pa-
troon van donkere vlakken op een lichte achtergrond. Ogata Kōrin (1658-
1716) was een belangrijk Japans kunstschilder tijdens de Edo-periode. Hij
is vooral bekend om zijn schilderijen op schermen, lakwerk en textielde-
signs. In verschillende stijlen schilderde hij op verschillende formaten
en maakte gebruik van thema’s afgeleid van klassieke Japanse literatuur
die hij omvormde in gedurfde abstracte patronen en briljante kleuren.
In het boek van Henry Pike Bowie – On the Laws of Japanese Painting wordt
nader ingegaan op “Notan” in de Japanse schilderkunst. Ook Arthur Wesley
Dow schrijft over “Notan” in zijn boek “Composition: understanding line,
notan and color”.

Vermeer’s tijdgenoot Metsu schildert lichte figuren tegen een donkere
achtergrond. Bij sommige Vermeers zie je juist een patroon van donkere
vlekken tegen een lichte achtergrond. Zoals in de Brieflezende Vrouw in
Blauw en de Kantkloster. Dat lijkt erg op wat een Japanse schilder in de
stijl van “Notan” zou doen. Vermeer’s grote voorbeeld Carel Fabritius was
de grote vernieuwer in dit genre, denk aan zijn beroemde Puttertje in het
Mauritshuis.
Hale vergelijkt Vermeer met Japanse kunst omdat beiden een indruk geven
van design of patroon. Dit patroon-design is een leitmotiv in het kunst-
werk en geen bijproduct bij het vertellen van een verhaal. Bij Metsu zie
je dat alles draait om het verhaal. Vermeer gaat een andere weg: hij gaat
voor patroon en design, de wereld van visueel spel om zichzelf. Een schil-
derij van Vermeer, dat is muziek. Een mooi schilderij hoort muzikaal te
zijn. Vermeer gaat over die muziek, terwijl Metsu meer over het onderwerp
gaat. In de stillevens van Kalf gaat het gewoon om een verzameling van
dure objecten om te laten zien hoe rijk die Hollanders wel niet waren.
Bij Vermeer is dat veel minder het geval; de Brieflezende Vrouw in Blauw
is een mooi lied, een muziekstuk.

Stillevens met Japanse invloed geschilderd door leerlingen van de Ameri-
kaanse schilder Paul Ingbretson: Jean Lightman, Lynne Mehlmann, John Pe-
terson, Margie Carrier. In de traditie van de sterk op de Europese kunst
gerichte Boston School. In deze bloemstillevens is ook de invloed van
het Japonisme aan te wijzen. Philip Leslie Hale – een exponent van de
Boston School – schreef een monografie over Vermeer, waarin hij een ver-
band legt tussen de Japanse kunst en Vermeer. De zachte floers in deze
schilderijen doet mij ook aan Vermeer, fotografie en de camera obscura
denken.

Kitagawa Utamaro (1753-1806) is een van de belangrijkste schilders en
ukiyo-e artiesten uit de Japanse kunstgeschiedenis uit de Edo-periode.
Veel van zijn werken hebben vrouwen als onderwerp, net als Vermeer.
Zijn bekendste werken zijn: – Tien vormen van het vrouwelijke gezicht
1802 – Uta Makura 1788 – Drie schoonheden uit deze tijd 1793 – Bloemen
uit Edo
Kitagawa Utamaro maakte veel schilderijen van vrouwen. Utamaro was een
groot meester in de gelaatkunde. Of anders gezegd, hij was er heel goed
in om de persoonlijkheden van de vrouwen die hij schilderde in hun ge-
zichten te verwerken. Vandaar werden zijn werken genaamd “de tien vormen
van het vrouwelijk gezicht” erg geapprecieerd omdat hij deze karakter-
trekken op een subtiele manier in de gezichten van de verschillende vrou-
wen had geschilderd.
Net zoals Vermeer ondersteund werd door zijn mecenas Pieter van Ruijven,
was Tsutaya Jūzaburō de man die Utamaro de kans gaf om open te bloeien en
bekend te worden als een van de grootste ukiyo-e artiesten uit de acht-
tiende eeuw. Ook weten we, evenals in het geval van Vermeer, weinig over
het persoonlijke leven van Utamaro.

Prenten van Utamaro en schilderijen van Vermeer.
Een andere overeenkomst tussen Vermeer en Japanse kunstenaars is het ge-
bruik van diagonalen in hun composities. Bv. de diagonalen in Het Melk-
meisje van Vermeer. Japanse prenten, zoals die van Utamaro, maken ook ge-
bruik van zulke krachtige diagonalen.

Zen: de Ryoan-ji Zen-tuin in Kyoto. De Weg van Thee. De theeceremonie als
een weg van Zen. De Ryoan-ji tempel in Kyoto is vooral beroemd vanwege zijn
Japanse rotstuin, een mooi voorbeeld van de Karesansu-stijl. De rotstuin is
toegevoegd om de monniken een plaats ter meditatie te bieden. De tuin is
10 x 30 meter groot en bevat vijftien stenen, die uit een zee van witte
kiezelstenen uitrijzen. De kiezels worden dagelijks aangeharkt.

De rituele, gestileerde handeling als vorm van meditatie in de Japanse
theeceremonie doet aan de concentratie in gestileerde vorm denken in Ver-
meer’s Melkmeisje en Kantkloster.
Zen of chán is een contemplatieve vorm van boeddhisme die sterk de nadruk
legt op dhyana oftewel concentratie-meditatie. Hiermee zou inzicht ver-
kregen worden in de eigen ware aard om zo de weg te openen naar een inner-
lijk schouwen en verlichte manier van leven.

De Geisha-traditie in Japan. Sterk gestileerde vrouwen. Het schoonheids-
ideaal van de “volmaakte kunstvrouw”.
Een geisha is traditioneel een Japanse muze voor artiesten. De term geisha
wordt over het algemeen gebruikt om een gezelschapsdame aan te duiden die
gekleed is in de typische, streng gestileerde kimono en die met klassieke
Japanse muziek, zang en dans de avond van een gezelschap aangenaam opluis-
tert. Letterlijk betekent geisha “kunstpersoon”.
In de 18e en 19e eeuw waren geisha’s heel gebruikelijke gezelschapsdames
bij gelegenheden. Kenmerkend voor de geisha zijn de kunstige pruik van
zwart haar, het witgemaakte gezicht met de rode lippen en een opvallend
versierde kimono of zijden kleed dat op een bepaalde manier om het lichaam
geknoopt is. Geisha’s werden beschouwd als toonbeelden van schoonheid en
verfijnde cultuur.
Uiteraard zijn de vrouwen van Vermeer minder gekunsteld als geisha’s. Met
name haar gezicht is naturel, zonder opmaak of blanketsel. Wel besteedt
Vermeer veel aandacht aan stilering van het haar, parel oorhangers en
halssierraden en mooie kleurrijke kostuums.

De Haiku is een Japanse dichtvorm. Vermeer’s schilderijen zijn in mijn
ogen ook beeldgedichten.
De grote Japanse haiku-dichter Basho (1644 –1694) was een tijdgenoot van
Vermeer.
De haiku is een vorm van Japanse dichtkunst, geschreven in drie regels
waarvan de eerste regel 5, de tweede regel 7 en de derde regel weer 5
lettergrepen telt. De haiku drukt, in de klassieke vorm, een ogenblik-
ervaring uit, soms gelinkt aan en geïnspireerd door zen.

Beroemd is de kikker-haiku van van de Japanse dichter Basho, een tijdge-
noot dus van Vermeer:

“Furu ike ya
Kawazu tobikomu
Mizu no oto”

“O, oude vijver
Een kikker springt van de kant
Geluid van water”

In de volkomen stilte in Vermeer’s
Melkmeisje klinkt alleen het zachte geluid
van een straaltje melk…..

Een haiku-achtige ogenblikervaring.
Een Vermeer-schilderij is een soort beeldgedicht, een visuele haiku:
Een onbeduidend, alledaags ogenblik wordt in de vorm van een gedicht
boven zichzelf uitgetild tot een tijdloos, bijna sacraal gebeuren.

Het is een ZEN-manier van kijken; van mindfulness-kijken. Door de concen-
tratie van aandacht wordt het kijken zelf tot een intense, meeslepende er-
varing. In zijn beste momenten doet de manier van kijken van Vermeer soms
denken aan de mystieke verlichtings-ervaring waarover de Zen-meesters
spreken…..

Ikigai.
Ikigai is een Japans begrip dat staat voor de reden van je bestaan, datge-
ne waarvoor je ’s morgens opstaat. Ik ken dat gevoel. Mijn Ikigai is Ver-
meer.
Ikigai is een Japans gedachtegoed waarbij het gaat om het hebben, of vin-
den van je eigen doel in het leven. Jouw ‘Ikigai’ is het kruispunt van
een aantal aspecten uit je leven die samenkomen, namelijk datgene waar
je van houdt, wat je goed kan en wat de wereld nodig heeft.

Film Tampopo uit 1985:
De jonge weduwe Tampopo runt een eetcafé dat een – op z’n best – zeer ma-
tige Ramen (Japanse noedelsoep) serveert. Een rondtrekkende vrachtwagen-
chauffeur en zijn hulpje trekken zich haar benarde situatie aan en beslui-
ten haar te helpen. Samen beginnen ze aan een epische zoektocht naar de
perfecte Ramen. Een Japanse, westers geïnspireerde roadmovie rond het
Japanse streven naar perfectie, verluchtigd met een snufje humor en ero-
tiek.

Het Delft van Vermeer is beroemd om zijn Delfts Blauw, een imitatie van
beschilderd porselein uit China. Die link met het oosten is overduidelijk
aanwezig. Wat mij persoonlijk intrigeert is die “Schmelz” in sommige
schilderingen in Delfts blauw met die tere zachte contouren. Heeft Vermeer
zich daardoor laten inspireren ? Ook in originele Vermeer-schilderijen
zie je die “Schmelz” met die zachte contouren. De Hollanders imiteerden
het kostbare Chinese porselein, maar met typisch Hollandse onderwerpen.

Vermeer’s Meisje met Fluit in de National Gallery in Washington lijkt een
Japanse of Chinese hoed te dragen, de meest in het oog springende verwij-
zing naar het exotische Verre Oosten in het oeuvre van Vermeer.
De toeschrijving aan Vermeer is niet unaniem, vanwege de mindere kwaliteit
van uitvoering, die niet overal het gebruikelijke hoge niveau van Vermeer
haalt, zoals haar rechterhand. Gezien de algehele uitstraling, het licht,
de assymmetrische compositie en afsnijding van deze “tronie” zie ik in het
Meisje met Fluit persoonlijk wel overtuigend een echte Vermeer. Het blauwe
jakje met wit bont komt ook voor in Het Concert en de Dame met Weegschaal
en wordt ook genoemd in Vermeer’s boedelinventaris.

Kunst is groter dan onszelf en ons eigen land. Kunst is één. Dus staat
het ook een hedendaagse kunstenaar volkomen vrij om te blijven kijken en
studeren op de schilderijen van Vermeer én de meesters van de Japanse
prentkunst. En daar zijn eigen voordeel mee te doen in zijn eigen werk.

“Vermeer and Japan”, Een video-presentatie van Paul Ingbretson op You-
Tube:

Het beroemde Japanse liedje Sukiyaki (Ue o Muite Arukou – Ik kijk omhoog
als ik loop) van de Japanse zanger Kyu Sakamoto is een mooi voorbeeld
waarin de sfeer van een goed liedje ook heel goed kan overkomen, ook zon-
der maar een woord van de Japanse tekst te kunnen verstaan. De taal van
de muziek en de melodie van de liefde is universeel:

Tétar van Elven en Vermeer – Twee Delftse Schilders tussen Kopie en Eigen Werk

Er zit iets van een kopie-schilder in Vermeer van Delft; soms verwerkt hij
schilderijen van andere meesters in zijn eigen interieurschilderijen. In
Delft is nog een andere kopie-schilder te vinden, die naast zijn eigen
werk kopieën schilderde naar beroemde oude meesters: Paul Tétar van Elven,
een 19e eeuwse academieschilder en kunstverzamelaar. Naast het Vermeer
Centrum bevindt zich in Delft ook het Museum Tétar van Elven, waar ook
diens collectie kopieën naar oude meesters te zien zijn.
Ook in de hedendaagse kunst is het algemeen geaccepteerd als hedendaagse
beeldend kunstenaars vanuit hun eigen stijl een artistieke dialoog aan-
gaan met beeldcitaten van beroemde meesters.

“Begin met kopiëren wat je goed vindt,
Kopieer, kopieer, kopieer.
Bij de laatste kopie
zul je jezelf vinden”
Yohji Yamamoto

Paul Tétar van Elven was een 19e eeuwse Delftse academieschilder, die
tussen 1864 en 1894 woonde en werkte in een statig grachtenpand aan de
Koornmarkt 67 in Delft, niet ver van de Oude Langendijk, waar Johannes
Vermeer twee eeuwen eerder zijn nu beroemde meesterwerken schilderde.
Na zijn dood in 1896 werd zijn atelier-woning in 1927 een museum, dat
vandaag de dag nog steeds te bezichtigen is. Naast eigen werk in de toen
gangbare klassieke academiestijl schilderde hij veel kopieën naar oude
meesters. Van Vermeer had hij nog geen weet, omdat diens schilderijen zich
nog in privécollecties bevonden, buiten het zicht van het grote publiek.
De vraag dringt zich op of hij met de kennis van nu ook veel kopieën van
Vermeer geschilderd zou hebben. Daarnaast zie ik ook een zekere overeen-
komst tussen beide Delftse schilders in hun artistieke aanpak, waarin ze
allebei op hun eigen wijze laveerden tussen kopieën naar andere meesters
en hun eigen artistieke werk. Met het verschil dat Tétar van Elven slechts
letterlijke kopieën schilderde naar beroemde meesters en in zijn eigen
werk bleef steken in een middelmatige academische stijl, terwijl Vermeer
schilderijen van andere meesters op creatieve en ingenieuze wijze verwerk-
te in zijn eigen interieurschilderijen en een geheel eigen beeldtaal ont-
wikkelde.

Museum Paul Tétar van Elven is een “verborgen parel” gelegen aan de Koorn-
markt 67 in Delft, waar de gewone toerist doorgaans aan voorbijgaat. Het
is een 16e-eeuws woonhuis dat meerdere stijlkamers heeft. Het beheert
tevens de collectie porselein en 17e-eeuwse gebruiksvoorwerpen van deze
academieschilder uit de 19e eeuw. In het museum zijn de stijlkamers, het
kunstenaarsatelier en de entreehal met de nageschilderde meesterwerken
van de hand van Tetar van Elven voor publiek opengesteld. Van 1864 tot
1894 werd het huis bewoond door kunstschilder en verzamelaar Paul Tétar
van Elven, en sinds 1927 dient het als museum voor diens collectie.

Twee Delftse schilders -Tétar van Elven en Vermeer–die bij nadere be-
schouwing met elkaar gemeen hebben dat kopieën naar andere meesters een
belangrijke rol in hun oeuvre spelen.
Paul Tétar van Elven (Antwerpen,1823-Scheveningen,1896) was een Neder-
landse academieschilder en kunstverzamelaar. Naast zijn eigen werken in
een wat stijve traditioneel academische stijl maakte hij ook veel letter-
lijke en nauwgezette kopieën naar beroemde oude meesters als Rafael, Rem-
brandt en Rubens.
Johannes Vermeer ( Delft 1632 – Delft 1675) was een Delftse genre-schilder
van intieme, verstilde interieurscènes met jonge vrouwen, na twee eeuwen
van vergetelheid herontdekt en tegenwoordig wereldberoemd om zijn bijzon-
dere, bijna “fotografische”, weergave van het licht. Vermeer verwerkte
vaak schilderijen van andere, kleinere meesters als Van Baburen, Van Ever-
dingen en Jordaens in zijn eigen interieurschilderijen. Wat als een crea-
tieve en ingenieuze vorm van kopiëren kan worden beschouwd. Beiden waren
naast kunstschilder ook kunstverzamelaar/-handelaar. In tegenstelling tot
Tétar van Elven ontwikkelde Vermeer een volstrekt overtuigende en unieke
eigen beeldtaal, waarmee hij uiteindelijk zijn eigen positie in het pan-
theon van de grote meesters van de schilderkunst zou verwerven.

Het schildersatelier van Tetar van Elven en het meesterwerk De Schilder-
kunst van Johannes Vermeer. Het raamlicht, liefst vanuit een hoog raam op
het noorden, was voor schilders uit de 17e én 19e eeuw de meest geliefde
en gelijkmatige lichtbron in een schilderatelier.

De ironie wil dat het Delftse grachtenpand van Tétar van Elven (1823-1896)
zich op loopafstand bevond van de plek waar zijn vandaag de dag illustere
stadgenoot Johannes Vermeer (1632-1575) zijn meesterwerken schilderde, en
dat Tétar als schilder van kopieën naar beroemde oude meesters geen weet
had van Vermeers meesterwerken of zelfs diens bestaan. Tussen de kopie-
schilderijen in Museum Tétar van Elven zal de bezoeker geen “Vermeer”-
kopie aantreffen.
Vandaag de dag zien vele hedendaagse kunstliefhebbers bij het kopiëren
van oude meesters juist in Vermeer-schilderijen dezelfde uitdaging, als
Tétar die zag in de door hem zo bewonderde grote voorbeelden als Rafael,
Rubens en Rembrandt. Zo dichtbij in de ruimte en toch zo ver weg in de
tijd. Een wonderlijke speling van het lot. Als het jongetje dat op het
voetbalveld Messi of Ronaldo wil zijn, en geen weet meer heeft van Mara-
dona of Cruijff.

Toch zijn er overeenkomsten tussen Paul Tétar van Elven en Johannes Ver-
meer. Beiden hielden van mooie stijlkamers en interieurs. Beiden waren ze
kunstverzamelaar en kunsthandelaar. Beiden schilderden ze kopieën naar
door hen bewonderde meesters, maar ieder met een eigen, geheel andere
aanpak. Tétar schilderde letterlijke kopieën naar oude meesters. De
“schilderijen in het schilderij” bij Vermeer zijn ook te beschouwen als
kopieën van andere meesters, maar dan op creatieve en ingenieuze wijze
verwerkt in zijn eigen interieurschilderijen en stijl.

Het verschil tussen beide schilders is dat het eigen autonome werk van
Tétar van Elven van middelmatige kwaliteit is en erg gedateerd, en dat
Vermeer een tijdloze kunstschat heeft nagelaten van, gezien zijn geringe
productie van in totaal 35 schilderijen, een ongekend hoog schilderkun-
stig niveau. In het werk van beiden zit een element van Imitatio, van
het kopiëren van andere meesters, maar Vermeer wist vanuit dat kopiëren
een geheel eigen stijl en beeldtaal te ontwikkelen. Zoals een goede
zanger een cover van een door een ander geschreven song zich zo eigen
weet te maken, dat je het origineel vergeet. De Engelse zanger Joe
Cocker was daar een meester in. Of zoals regisseur Alfred Hitchcock
de briljante “Master of Suspense” werd met het in een geheel eigen
stijl en beeldmontage verfilmen van een doorsnee tweederangs misdaadboek.

In het Museum Paul Tétar van Elven zijn de stijlkamers, het kunstenaars-
atelier en het trappenhuis met de nageschilderde oude meesterwerken van de
hand van Tétar van Elven opengesteld voor het publiek.

Het kopiëren van oude meesters mag tegenwoordig in onbruik zijn geraakt,
in de tijd van Tétar was het naschilderen van meesterwerken heel gewoon.
Kunstenaars deden dat om hun vaardigheden te oefenen. Maar ze verkochten
die kopieën ook of maakten ze zelfs in opdracht, omdat je toen nog geen
fotografie had. Je zou de kopieën van toen ook kunnen zien als de pos-
ters die nu te koop zijn in de museumwinkels of de vele digitale huis-
vlijtversies ervan die op het Internet circuleren, de een vaak nog be-
lachelijker en smakelozer dan de andere, de paar goede niet te na ge-
sproken. In de tijd van Tétar waren vooral kopieën van de Sixtijnse
Madonna van Rafael in Dresden erg in trek, omdat dit werk als het
hoogste in de schilderkunst werd gezien.

Na de uitvinding van de fotografie in de negentiende eeuw kantelden de
opvattingen over kopieerkunst. Schilderkunst moest vooral een persoonlijke
beeldtaal, handschrift en herkenbaar eigen stijl van de kunstenaar laten
zien. Anders, vernieuwend, fris, origineel; als de Franse Impressionisten.
Replica’s van meesterwerken zijn vanaf de twintigste eeuw massaal in de
vuilnisbak verdwenen. Dankzij Tétars testament, waarin hij bepaalde dat
zijn huis met inboedel als museum moest voortbestaan, zijn van hem zo’n
50 kopieën bewaard gebleven.

Met name de Sixtijnse Madonna van Rafael was zijn grote favoriet, waarvan
hij meerdere kopieën maakte, ook van afzonderlijke figuren. Tétar reisde
in 1861 en 1862 naar Dresden om de originele Sixtijnse Madonna na te
schilderen. In die tijd waren musea alleen in het weekend geopend voor
publiek en waren ze op doordeweekse dagen gesloten, zodat kopieschilders
alle rust, tijd en luxe hadden om hun kopieën direct naar de originele
grote meesters te schilderen. Ook op de Rafaël-tentoonstelling van 2013
in Teylers Museum in Haarlem hingen kopieën van Tétar.

“Fake it,
until you make it”

Schilderde Tetar van Elven kopieën náást zijn eigen werk, Vermeer verwerk-
te schilderijen van andere meesters juist binnenin zijn eigen interieur-
schilderijen als “schilderij in het schilderij”. Vermeer kopieerde niet
de grote Italiaanse meesters uit de Renaissance als Rafael, maar minder
beroemde Hollandse en Vlaamse meesters. De “kopie” in het schilderij fun-
geert als commentaar op de afgebeelde scene, door die een symbolische be-
tekenis mee te geven.
De schilderijen afgebeeld in de schilderijen van Vermeer gaan een relatie
aan met het door Vermeer nauwgezet geënsceneerde interieur-tafereel. Zo
becommentariëren zij voor de beschouwer de verborgen betekenis van wat
zich werkelijk in de afgebeelde scene afspeelt. Vermeer wil als kunste-
naar de ruimte als het ware ‘transparant’ maken om de beschouwer een
diepere, meer gelaagde beleving van zijn schilderij te laten ervaren.
Vermeer gebruikt de “kopie” dus op een meer intelligente en creatieve
manier. Geen stoffige kopie, maar opgenomen in zijn eigen sprankelende
universum van licht.

Zoals de Kruisiging van Jordaens in de Allegorie van het Geloof in New
York, of de Koppelaarster-bordeelscene van Van Baburen en een arcadisch
boslandschapschilderij, dat aan Van Ruysdael doet denken, in Het Con-
cert in Boston.

De Vondst van Mozes door Peter Lely in De Briefschrijvende Dame met Meid
in Dublin en Het Laatste Oordeel van Jacob de Backer in de Dame met
Weegschaal in Washington:

Een Cupido van Van Everdingen en de Koppelaarster-bordeelscene van Van
Baburen in de Staande en Zittende Virginaalspeelster in Londen:

Over de specifieke emblematische betekenissen van het “Schilderij in het
Schilderij” in deze Vermeers verwijs ik graag naar mijn op 4 april 2020
gepubliceerde blogstukje “Vermeer – ‘Schilderijen in schilderijen’ en hun
verborgen boodschappen” in mijn archief (in rechterkolom – april 2020 –
naar beneden blijven doorscrollen).

In elke Vermeer zit een glashelder concept, een ijzersterk idee. Daarnaast
is de kwaliteit van uitvoering in zijn beste werk van een bijna griezelig
hoog niveau. Geen spoor van zoekende twijfel of zwalkende onzekerheid.
Alsof zijn hand rechtstreeks door zijn oog werd geleid, zonder tussenkomst
van storende of afleidende gedachten, een onverstoorbare focus en verstil-
de concentratie. Zoals een ervaren kopie-schilder in zijn beste momenten
kan schilderen, omdat hij zich niet druk hoeft te maken over het bedenken
van een eigen concept of het zoeken naar een eigen stijl en beeldtaal.
Hij kan zichzelf helemaal leegmaken om het werk van de meester ongefilterd
binnen te laten komen zonder tussenkomst van zijn eigen denken. Vermeer
schildert als een kopieënschilder. Uit zijn beperkte onderwerpkeuze blijkt
dat hij geen man van veel ideeën was, en de weinige ideeën en onderwerpen
die hij had, ontleende hij veelal aan anderen. Een kunstenaar dus, die
zuinig moest zijn op zijn ideeëen, die hij dan ook nog vaak herhaalde
binnen zijn toch al kleine oeuvre. Zijn streven lag meer in de hoogste
kwaliteit van uitvoering met zuiver picturale middelen. Realisme van een
tijdloze abstraherende schoonheid van een zeldzaam hoog niveau.

Volgens Vermeer-kenner Arthur Wheelock is een letterlijke door Johannes
Vermeer geschilderde kopie bewaard gebleven: de Sint Praxedis, een getrou-
we kopie naar een origineel van de Italiaanse schilder Felice Ficherelli.
Hoewel ik mijn twijfels blijf houden bij de authenticiteit van deze kopie
door Vermeer, past het wel in het beeld dat er iets van een kopie-schilder
in Vermeer schuilt. Omdat hij ook schilderijen van andere meesters in zijn
eigen schilderijen verwerkt, kan ik me heel goed voorstellen dat de jonge
Vermeer ook een paar letterlijke één-op-één kopieën naar andere meesters
heeft geschilderd.

In het eveneens voor publiek toegankelijke woonhuis van Lambert van Meer-
ten in Delft, een tijdgenoot van Tétar van Elven, hangt nog iets van de
sfeer van Vermeer. Het heldere invallende daglicht dat over een witgekalk-
te muur strijkt en de zwart-witte tegelvloer roepen meteen een visuele
associatie op met Vermeer. Samen met Lambert van Meerten en Adolf le Com-
te stond Tétar van Elven in 1885 aan de basis van de oprichting van het
kunstminnende gezelschap Musis. Muziek is het hoofddoel van dit gezel-
schap.

Kopieën zijn ook een vorm van behoud van cultureel erfgoed. Veel meester-
werken van de klassieke Oud-Griekse beeldhouwkunst kennen we alleen door
latere Romeinse kopieën. Praxiteles, Polykleites, Skopas, Myron, Lysippos,
Phydias, zonder die Romeinse kopieën zouden we geen idee hebben hoe hun
meesterwerken er uit gezien hebben. Hetzelfde geldt voor de middeleeuwse
kloostermonniken in hun scriptorium, die met pen en inkt de oude heilige
geschriften kopieerden, in een tijd waarin de boekdrukkunst nog niet was
uitgevonden.

Ik moet ook denken aan de grote Russische ikonenschilders, die schil-
derden volgens strikte regels en voorschriften, vastgelegd in handboeken
(Podlinniks), waarbij van vrijheid voor de eigen verbeelding nauwelijks
sprake mocht zijn. Zoals Andrei Rublev in zijn beroemde Holy Trinity-
ikoon in de Tretyakov Gallery in Moskou. Het concept was voorgeschreven,
de schilder slechts een ambachtsman, een schildermonnik in dienst van het
hogere, enkel belast met de uitvoering van een door een religieuze tra-
ditie overgeleverde vaststaande iconografie en beeldtaal.

Louter vanwege een uit de hand gelopen liefhebberij, heb ik zelf ook veel
ervaring met het schilderen van kopie-schilderijen naar door mij bewon-
derde meesters: Vermeer, Hopper, De la Tour, Bonnard, Morandi. Gewoon als
een manier om mijn favoriete, maar onbetaalbare meesterwerken in mijn
eigen woonkamer en atelier aan de muur te hebben hangen. Zonder artis-
tieke pretenties. Een pretentieloze versie van “beter goed gekopieerd,
dan slecht verzonnen”. Zeker in deze tijd waarin de wereld steeds meer
uiteen lijkt te vallen in chaos en verwarring en er dingen gebeuren die
een jaar geleden nog onvoorstelbaar leken, is het voor mij troostrijk
om op mijn manier te kunnen verkeren in de wereld van Vermeer. Als an-
deren mij zien als een “obsessieve Vermeer-freak”, dan zit ik daar in
het geheel niet mee. Voor mij is het een passie, een bron die nooit op-
droogt.
In de geest van Franciscus van Assisi ervaar ik Vermeer als een “In-
strument van Vrede en Liefde”, waar ik voor mijzelf juist in deze rare
tijden van chaos en verwarring veel troost en houvast in vind.
Onderstaande foto is van mijn eigen kopie van De Schilderkunst van
Vermeer in mijn eigen “Vermeer-atelier”.

Een voorbeeld van een “hedendaagse kunstenaars in een dialoog-project”:
“Het Transparante Huis” – Vier interventies in Museum Paul Tetar van
Elven.
Het Transparante huis was een project van de kunstenaars Marli Turion,
Joyce Ennik, José van Tubergen en Mariken Oltheten in 2010. De kunste-
naars, die alle vier op een eigenzinnige manier schildertechnieken en
grafische technieken combineren, vonden elkaar in de behoefte om op
locatie te werken. De wisselwerking en dialoog tussen eigentijdse kunst
en de historische locatie biedt ruimte om op de geschiedenis te reage-
ren en de positie van de hedendaagse samenleving toe te lichten. Het
is ook een spel met de ruimtelijke visuele en tactiele ervaring; de
toeschouwer wordt meegevoerd in een beleving. Hieronder werk van kun-
stenares Marli Turion.


Op YouTube is deze video te zien over het Museum Tétar van Elven in
Delft, een aflevering van Verborgen Museumschatten:

“In Gesprek met Vermeer” – Hedendaagse kunstenaars in dialoog met Vermeer

Ter gelegenheid van de grote Vermeer-tentoonstelling in 1996 in het Haagse
Mauritshuis was in Museum het Prinsenhof in Delft een simultaan tentoon-
stelling te zien, “In Gesprek met Vermeer”, met werken van hedendaagse
kunstenaars, die in dialoog gaan met de verstilde kunstwerken van Vermeer.
Een dialoog die kunstenaars en fotografen – en ook mijn eigen werk – tot
op de dag van vandaag blijft inspireren.

“Ik doe niet aan vooruitgang”
JCJ Vanderheyden

Het idee voor de simultaan expositie (met catalogus) “In Gesprek met Ver-
meer” in Museum het Prinsenhof Delft in 1996 was om werk van hedendaagse
Nederlandse kunstenaars te laten zien in dialoog met Vermeer. De toenma-
lige directeur/curator Daniëlle Lokin van Museum het Prinsenhof was de
drijvende kracht achter deze tentoonstelling.
In de tentoonstellingsopzet werden de werken ingedeeld in vier groepen:

1) Hedendaagse kunstenaars, wiens eigen autonome werk affiniteit toont
met Vermeer: op het gebied van licht, kleur, perspectief en gebruik van
optica. Bv. JCJ Vanderheyden en Jan Dibbets
2) Hedendaagse kunstenaars met letterlijke beeldcitaten van Vermeer in
hun eigen schilderijen: Bv. Mary A. Waters
3) Interdisciplinaire kruisbestuiving tussen kunstenaars vanuit afzonder-
lijke disciplines: Bv. “Verstilde zinnen”- Kunstenaars en dichters reage-
ren op de brieflezende vrouwen van Vermeer. Bv. W.H. Werther.
4) Opdrachten voor Delftse kunstenaars: werk maken als reactie op Ver-
meer’s Gezicht op Delft. Bv. Peter Peereboom.

In dit blogstukje wil ik de werken van een aantal aan deze tentoontelling
deelnemende hedendaagse kunstenaars er uit lichten, in het kader van het
gegeven “In Gesprek met Vermeer”.

1) Hedendaagse kunstenaars, wiens eigen autonome werk affiniteit toont
met Vermeer: op het gebied van licht, kleur, perspectief en gebruik van
optica. Voorbeelden van deze groep kunstenaars zijn JCJ Vanderheyden en
Jan Dibbets.

De kunstenaar in deze groep, die mij persoonlijk het meest aanspreekt, is
JCJ Vanderheyden (1928-2012). Zijn studio in de provinciestad Den Bosch
lijkt op een hedendaagse versie van het atelier van Vermeer met dat hel-
dere daglicht in een hoek bij het raam. Hij was een zelfverklaard lief-
hebber van Vermeer, en heeft naast zijn autonome werk ook “zijn eigen
Vermeers” gemaakt, eigen versies van de Melkmeid en het Gezicht op Delft
van Vermeer. Voor mij ademt ook zijn autonome werk de geest van Vermeer,
met name zoals zijn werken te zien zijn op foto’s van zijn atelier, han-
gend in dat mooie raamlicht aan de muur in zijn eigen studio. JCJ Vander-
heyden maakte een paar Ink-jet prints van uitsnedes van Vermeer-schilde-
rijen, waaronder het beroemde “gele muurvlakje van Proust” in het Ge-
zicht op Delft en de melkkan met het straaltje melk van De Melkmeid.

JCJ Vanderheyden, “Klein geel muurvlak”, Ink-jet op doek, 1994.
en JCJ Vanderheyden, “Ei en Melk”, Ink-jet op doek,1995.

In de monografie “JCJ Vanderheyden – Licht, Tijd en Ruimte” van Hans Lo-
cher zijn een paar mooie en prikkelende citaten van JCJ Vanderheyden te
vinden over Vermeer:
“Bij Johannes Vermeer lijkt het of de materie en het licht een eigen be-
wustzijn hebben gekregen, zich van zichzelf bewust zijn geworden. Elk
voorwerp wordt overgoten met gekleurd licht; er ontstaat een soort ge-
stolde spiritualiteit”
“Geboren met een oorspronkelijk visueel geheugen en een extra gen voor
licht, zag hij waardoor de dingen bestaan in de visuele wereld. Vanaf
ongeveer 1660, hij is dan 28 jaar, zien we in zijn werk vijftien jaar
geen ontwikkeling of vooruitgang meer. Steeds hetzelfde steeds ver-
schillend”.

Wat ik bewonder in de kunstenaar JCJ Vanderheyden is dat hij als kunste-
naar in de geest van Vermeer zijn eigen abstracte concept in hedendaagse
stijl heeft ontwikkeld. Zijn eigen stem heeft gevonden, waarin de echo
van Vermeer door blijft klinken. Zoals Vermeer hoort bij Delft, zo hoort
JCJ Vanderheyden bij Den Bosch – al voelde hij zich soms een profeet,
die niet echt werd geëerd in zijn eigen stad.

JCJ Vanderheyden, “Horizon in Blue Space”, Tempera op doek.
en JCJ Vanderheyden, “Blauw, geel, zeven maal negen”, tempera op doek.

“Het was voorjaar van 1963 toen ik voor het eerst in het atelier van JCJ
Vanderheyden in Den Bosch was. Ik was al eerder in een kunstenaarsatelier
geweest, bij kunstenaars die ik in Leiden kende, maar dat waren werk-
plaatsen. Het atelier van JCJ Vanderheyden was een constructie die de
constructie van zijn kunstwerken weerspiegelde: een kabinet van con-
structies.”
Rudi Fuchs over het atelier van JCJ Vanderheyden.

Wat mij in het atelier van JCJ Vanderheyden aanspreekt is de raamhoek van
een kamer, waar het licht mooi is en doet denken aan Vermeer, en als een
intiem schilderijen-kabinet fungeert met zijn eigen werk. De kunstenaar
als onderzoeker van licht, tijd en ruimte in zijn eigen “laboratorium”.
Een hedendaags “Vermeer-atelier”, zoals te zien is in onderstaande foto’s
van zijn atelier. Wat mij betreft kunstwerken op zichzelf.

Jan Dibbets, Guggenheim II , 1986-1987, Aquarel, foto’s op papier op doek
op paneel en Jan Dibbets, Bourges II, 1981, geplastificeerd spaanplaat,
beplakt met papier, kleurenfoto’s en potlood.
In de jaren tachtig maakte kunstenaar Jan Dibbets foto’s van ramen, ver-
grootte ze, knipte ze langs de randen uit en plakte ze op met waterverf
gewassen papier. De visuele gewaarwording is betoverend. De foto geeft de
indruk van een gekanteld raam en de gekleurde omgeving van de foto laat
zich visueel als stof meetrekken in de driedimensionale richting van het
raam. Daardoor wordt de illusie gewekt dat het krachtige raam de geschil-
derde omgeving vervormt.
Wereldwijd de bekendste raamschilder is Johannes Vermeer: op veel van
zijn werken is een raam te zien, opvallend vaak links. Ook bij Vermeer
speelt het raam een cruciale rol; als lichtbron en als beeldelement.

2) Hedendaagse kunstenaars met letterlijke beeldcitaten van Vermeer in hun
eigen schilderijen: Bv. Mary A. Waters.

De in Utrecht én Galway werkzame Ierse schilder Mary A. Waters schilderde
in 1996 deze drie “creative copies” naar schilderijen van Vermeer uit Ber-
lijn en New York. Hier betrekt ze nog delen van het interieur in haar
compositie, maar gaandeweg in haar oeuvre zal ze zich meer en meer gaan
concentreren op vrijstaand geschilderde figuren tegen een lege achtergrond.

Mary Waters, “Woman in a red dress drinking”, alkydverf op doek, 1996
Mary Waters, “Woman in yellow silk jacket”, 1996
Mary Waters, “Woman with White Headdress after Vermeer”, 1996

Mary A. Waters schilderde ook een monochrome serie van portretten, als
uitsnedes uit schilderijen van Vermeer en andere oude meesters uit de Gou-
den Eeuw, in zwart-wit, als een foto. Zoals het Lachende Meisje in Ver-
meer’s Soldier and Laughing Girl in de Frick Collection in New York.

Mary Waters, “Portrait no. 2”, 2006, olieverf op doek.
Portrettenserie van Mary A. Waters, olieverf op doek.

Mary Waters heeft later vooral naam gemaakt met haar “tweeling-schilde-
rijen”, waarbij een kopie van een figuur uit een schilderij van een Hol-
landse of Italiaanse Oude Meester tweemaal identiek naast elkaar wordt
geschilderd in één schilderij tegen een (bijna) lege achtergrond. In een
stijl die doet denken aan fotorealisme.

Deze werken in acryl en polyesterhars zijn van de kunstschilder Jeroen
Olthof: zijn schilderijen bestaan uit uitsnedes van details uit De Melk-
meid van Vermeer in een hedendaagse schildertechniek met acryl en polyes-
terhars:

Jeroen Olthof, “Le Monde est devenu Peinture II”, 1992, acryl en poly-
esterhars. Jeroen Olthof, “Le Monde est devenu Peinture III”, 1992, acryl
en polyesterhars.

Deze olieverfschilderijen in heldere kleuren en brede, ruwe verfstreken
zijn van de hand van kunstschilder Marie José Robben. Naar twee brief-
schilderijen van Vermeer uit de Frick-collectie in New York en de Natio-
nal Gallery in Dublin.

Marie José Robben, Zonder Titel, 1996, olieverf op linnen.
Marie José Robben, Zonder Titel, 1996, olieverf op linnen.

3) Interdisciplinaire kruisbestuiving tussen kunstenaars vanuit afzon-
derlijke disciplines. Een voorbeeld is het project “Verstilde zinnen”,
waarin beeldend kunstenaars en dichters reageren op de brieflezende
vrouwen van Vermeer.

In deze pendanten kiest H. W. Werther kiest bewust voor een beeld zonder
handeling, dat eindeloos kan duren. Geen stilgezet moment in de tijd tij-
dens een handeling, zoals bij Vermeer, maar een eindeloos durende tijd.
Een meisje dat niets doet, alleen maar wacht, in een eeuwig wachten.

H.W. Werther “Wait (Both relax)“, 1996, fotowerk met dichtregels.
H.W. Werther, “Wait (And what if)”, 1996, fotowerk met dichtregels.

4) Opdrachten voor Delftse kunstenaars: werk maken als reactie op Ver-
meer’s Gezicht op Delft.

Van deze werken sprak vooral dit werk van Peter Peereboom mij aan, hoewel
er geen glimp van Vermeer’s Gezicht op Delft in te bespeuren valt. Het is
een postzegelvel-achtige fotoserie van een vrouw op een met een wit laken
bedekt bed in Vermeerachtig raamlicht in monochroom blauw.

“Gezicht op Delft en een vrouw”, acryl, foto, karton op linnen, 1996,
Peter Peereboom:

Mijn persoonlijke voorkeur binnen de vier groepen “Kunstenaars in Gesprek
met Vermeer” gaat uit naar groep nummer 2): “Hedendaagse kunstenaars met
letterlijke beeldcitaten van Vermeer in hun eigen schilderijen/fotowerken”.
Sinds 1996 zijn er natuurlijk meer kunstenaars geweest, ook buiten Neder-
land, die schilderijen en fotowerken gemaakt hebben, die letterlijke
beeldcitaten van Vermeer bevatten.
Voorbeelden, die mij persoonlijk aanspreken zijn: George Deem, Mary Wa-
ters, Tom Hunter en Maisie Broadhead. Hieronder volgt een korte bespre-
king van hun werk:

Het concept van de Amerikaanse schilder George Deem ( New York) is: “Lege
Vermeers” of “Vermeer Stripped Bare” – schilderijen met nadruk op lege
Vermeer-interieurs met slechts een enkele stoel, clavecimbel of landkaart,
bijna altijd zónder figuren. Wat mij in deze schilderijen aanspreekt is
de klaarheid, de helderheid van deze schilderijen, mede door de fraaie
perspectiefwerking van de tegelvloer. Ook zonder figuren blijven leeg-
geschilderde Vermeers nog steeds mooie, serene beelden.

Het concept van de in Utrecht én Galway werkzame Ierse schilder Mary Wa-
ters is: schilderijen in fotorealistische stijl met letterlijke deel-
citaten van Vermeer, met juist de nadruk op de figuren. Aanvankelijk be-
trekt ze nog delen van het interieur in haar composities, maar gaandeweg
in haar oeuvre zal ze zich meer en meer gaan concentreren op vrijstaand
geschilderde figuren tegen een lege achtergrond.

Mary Waters, “Woman in a red dress drinking”, alkydverf op doek, 1996

Mary Waters, “Girl with Turban”, 1996
Mary Waters, “Girl with ribbons and pearls”, 1996

Het concept van de Londense fotograaf Tom Hunter is: “Vermeer in Hackney”,
fotowerken van zijn eigen krakersvrienden in de Londense wijk Hackney in
zijn fotoserie “Persons Unknown”. Hierin gebruikt hij de techniek van
geënsceneerde fotografie, waarin hij zijn beelden componeert naar compo-
sitieschema’s van Vermeer-schilderijen.
Zoals deze foto, geïnspireerd op de Briefleserin van Vermeer in Dresden.

Tom Hunter, “Woman reading Possession Order”, photoprint, 1998

Eveneens werkzaam in Londen is de fotografe Maisie Broadhead. Haar concept
houdt in: fotowerken in tableaux vivant-interieurs met hedendaags kostuum-
model, letterlijk geënsceneerd naar de Dame met Weegschaal in Washington
en de twee Vermeer-schilderijen in de National Gallery in Londen, “Lady
Standing at a Virginal” en “Lady Seated at a Virginal”.

In de rest van mijn werkzame leven is het ook mijn eigen ultieme droom en
beoogde concrete artistieke doel om als fotograaf/kunstenaar én Vermeer-
liefhebber “mijn eigen Vermeers te maken”, in de vorm van fotowerken en
schilderijen.

In mijn professionele loopbaan heb ik al veel ervaring opgedaan in de uit-
voerende, technische kant van fotografie, digitale beeldbewerking, maar
daarnaast ook in het in eigen beheer maken van schilderijen in klassieke
olieverftechniek door het als liefhebber kopiëren van schilderijen van
grote meesters als Vermeer, Hopper, Georges de la Tour, Bonnard, Titiaan,
Morandi, Degas, Chagall, Van Dongen, Picasso, etc.
In de huidige periode wil ik me al doende verder ontwikkelen in het beden-
ken en uitwerken van een meer eigen creatief concept, beeldidee en hand-
schrift in mijn eigen Gesprek met Vermeer. Mijn eigen “creative copies”,
geïnspireerd door mijn persoonlijke dialoog met Vermeer. Vreemd genoeg
zou deze vreemde Corona-tijd wel eens een omslagpunt en doorbraak in mijn
creatieve werk kunnen inluiden. Zoals Johan Cruyff placht te zeggen:
“Elk nadeel heb zijn voordeel”.

Hieronder een kleine selectie van het soort werk dat ik tot nu toe heb
gemaakt; deze fotowerken zijn van mijn hand en zijn nog vrij letterlijke,
pretentieloze beeldcitaten naar Vermeer, zonder een dieper onderliggend,
verder uitgewerkt en doorontwikkeld eigen concept. Een jonge vrouw, mooi
in het licht gezet en gefotografeerd bij het raam in door een kundige
costumière vervaardigde Vermeer-kostuums. De fotoshoots vonden plaats in
de door mijzelf opgebouwde Vermeer-hoek in mijn eigen atelier, of in een
mooie locatie als het achttiende eeuwse landhuis Oud Amelisweerd bij
Utrecht, met zijn prachtige licht in de hoge kamers met de hoge ramen.
Gewoon uit liefde voor Vermeer.

“Brieflezende vrouw aan het Venster naar Vermeer”, Thijn van de Ven, foto-
werk, 2012
Kostuummodel: Merel van den Nieuwenhof. Locatie: Landhuis Oud Amelisweerd
bij Utrecht. Geïnspireerd op de Briefleserin van Vermeer in Dresden.

“Staande Clavecimbelspeelster in Interieur naar Vermeer”, Thijn van de
Ven, fotowerk, 2012
Kostuummodel: Merel van den Nieuwenhof. Locatie: Landhuis Oud Amelisweerd
bij Utrecht. Geïnspireerd op de Music Lesson in de Royal Collection in
Londen.

“Staande Clavecimbelspeelster naar Vermeer”, Thijn van de Ven, fotowerk,
2020
Kostuummodel: Ceciel van Aalst. Locatie: Eigen “Vermeer-kabinet/atelier”
in Nijmegen. Geïnspireerd op de “Lady Standing at a Virginal” in de Na-
tional Gallery in Londen.

“Zittende Clavecimbelspeelster naar Vermeer”, Thijn van de Ven, fotowerk,
2020
Kostuummodel: Merel van den Nieuwenhof. Locatie: Eigen “Vermeer-kabinet/
atelier” in Nijmegen. Geïnspireerd op de “Lady Seated at a Virginal” in
de National Gallery in Londen.

Kleine expositie van “eigen Vermeers”-fotowerken, canvasprints op ver-
duisterstof-schermen in atelier van villa “Het Broekhuis” in Maashees
tijdens Open Monumentendag (Luchtwachttoren Maashees) 2018, met dank
aan museumconservator Maria van Dorst.

In deze digitale virtuele fotomontage-studie van mijn hand hangt het
werk “Horizon in Blue Space” van JCJ Vanderheyden in het interieur van
de Vermeer in de National Gallery in Dublin. Naar mijn smaak gaan de
werken, hoe verschillend ook, wel degelijk een soort van dialoog met
elkaar aan. Een hedendaagse dialoog met Vermeer. Beide kunstenaars
werkten in de luwte van een provinciestad als onderzoekers van licht,
ruimte en tijd, ieder op hun eigen wijze. Het is de abstracte zuiver-
heid, die ze met elkaar verbindt. Een speelse hommage aan Vermeer en
JCJ Vanderheyden.

Op YouTube is deze basics painting tutorial te zien van het Rijks-
museum: “How to Create a Vermeer Painting”, met basistips voor de
opzet van een schilderij naar de Briefleester in Blauw van Vermeer,
voor amateurschilders en beginners, door Lisa Wiersma:

De “Vermeer-zaal” in het Mauritshuis in Den Haag – Een Schatkamer

Als Vermeer-liefhebber is het Mauritshuis in Den Haag voor mij het mooiste
museum ter wereld; in het bijzonder de Vermeerzaal, waarin het Meisje met
de Parel en Het Gezicht op Delft te bewonderen zijn. Vermeer is de beste
ambassadeur in het buitenland, die Nederland zich wensen kan. De Hollandse
schilderkunst behoort met meesters als Vermeer, Rembrandt, Van Gogh en
Mondriaan tot de absolute wereldtop. Als er iets is, waarop wij Nederlan-
ders trots op kunnen zijn, zijn het onze schilders.

“Depuis que j’ai vu
au musée de La Haye
la Vue de Delft de Vermeer,
j’ai su que j’avais vu
le plus beau tableau du monde”
Marcel Proust

Het Haagse Mauritshuis ligt als een juwelendoos in de gouden gloed van de
avondzon aan het spiegelende water van de Hofvijver, met vlak daarnaast
het Torentje, met de werkkamer van de minister-president van Nederland.
Wat mij betreft is het Mauritshuis het ultieme Vermeermuseum. Nergens ko-
men de schilderijen van Vermeer mooier tot hun recht dan hier. Voor iede-
re Vermeerliefhebber is de grote Vermeertentoonstelling in 1996 in het
Mauritshuis met maar liefst 23 Vermeer-schilderijen, ruim tweederde van
zijn hele oeuvre, een absoluut hoogtepunt, een “once in a lifetime”-er-
varing.

De grote trekpleister in het Mauritshuis is natuurlijk Vermeer’s Meisje
met de Parel uit 1665. Ze is bijna het logo van het museum geworden, een
universeel icoon. De roman “Girl With a Pearl Earring” van de Brits/Ameri-
kaanse schrijfster Tracy Chevalier en de gelijknamige film uit 2003 met
Scarlett Johansson hebben de wereldwijde iconische status van dit schil-
derij alleen nog maar vergroot. Wat Leonardo’s Mona Lisa is voor het
Louvre in Parijs, is het Meisje met de Parel van Vermeer voor het Mau-
ritshuis in Den Haag.

Boven de deur, waardoor de bezoeker de Vermeerzaal betreedt, hangt het
schilderij Trompe l’oeil met Venusbuste uit 1665 van Caesar van Everdin-
gen. Vermeer had in zijn eigen kunstverzameling een (overigens niet be-
waard gebleven) Cupido-schilderij van Caesar van Everdingen, een liefdes-
god, die hij in enkele van zijn interieurschilderijen afgebeeld heeft.

Vermeer’s Meisje met de Parel wordt in de Vermeerzaal geflankeerd door
twee fraaie schilderijen van Gerard Ter Borch: Een moeder die het haar
van haar kind kamt, ook wel bekend als ‘De luizenjacht’, uit 1652–53 en
De Briefschrijfster uit 1655. Net als Vermeer weet Ter Borch in deze
schilderijen heel goed de verstilde concentratie en zelfvergeten toewij-
ding van deze vrouwen te vangen.

Als vage tijdelijke schimmen bewegen bezoekers zich in de bovenstaande
video-still in de Vermeerzaal temidden van de schoonheid van tijdloze
meesterwerken van de Hollandse schilderkunst, van meesters als Vermeer,
Ter Borch, Van Mieris, Metsu, Saenredam, De Witte en Van Everdingen.
Precies tegenover elkaar in de midden-zichtlijn van de zaal hangen Ver-
meer’s Meisje met de Parel en het Gezicht op Delft.

Aan de lange zijde van de Vermeer-zaal hangen vijf werken van Vermeer’s
tijdgenoten, waaronder drie schilderijen van de Leidse fijnschilder Frans
van Mieris: de Bordeelscene uit 1658-59, het Oestermaal uit 1661 en Hond-
jes Plagen uit 1660. De rode met wit bont afgezette jakjes zien we ook
terug in schilderijen van Vermeer, in het gele jakje met hermelijnbont,
zo typisch voor Vermeer.

Tussen de drie werken van Van Mieris hangen “De Onwelkome Boodschap” uit
1653 van Gerard Ter Borch en “Een Jonge Vrouw die Muziek schrijft” uit
1664 van Gabriel Metsu. Ter Borch is een fenomenaal figuur-schilder, maar
voor mij is het Metsu die in zijn beste werk het dichtst bij Vermeer komt.
Van Mieris is een echte fijnschilder, in de Leidse fijnschildertraditie
van Gerard Dou, waarbij de minitieuze weergave van elk detail voorop
staat. Vermeer heeft het vermogen om de dingen juist “groot te zien” en
streeft vooral een overtuigende impressionistische lichtweergave na. Zijn
lichtende, kleurrijke doeken overstralen de wat donkere schilderijen van
zijn tijdgenoten.

Boven de deur, waardoor de bezoeker de Vermeerzaal verlaat, hangt een
kerkinterieur-schilderij: Interieur van een Gefantaseerde Katholieke Kerk
uit 1668 van Emanuel de Witte, een Delftse stads- en tijdgenoot van
Vermeer.

Het licht in Vermeer’s Gezicht op Delft is zo overtuigend en levensecht,
dat het lijkt alsof je door een openstaand raam in de zaal naar buiten
kijkt. Het is als het leven zelf: licht, kleurrijk en doorzichtig.
Een meeslepend meesterwerk, alleen al vanwege die prachtige Hollandse
wolkenlucht.

Vermeer’s Gezicht op Delft uit 1660 wordt geflankeerd door twee schilde-
rijen van de Haarlemse “kerkenschilder” Pieter Jansz. Saenredam: De Maria-
plaats met de Mariakerk in Utrecht uit 1659 en Interieur van de Cunera-
kerk in Rhenen uit 1655. Saenredam’s kleurgebruik is ingetogen, maar
zijn werk is licht van toon, net als bij Vermeer. Die tere tonaliteit
laat zijn voorstellingen als het ware in de ruimte zweven, bijna onstof-
felijk, losgezongen van de wetten van de zwaartekracht.

Tussen de twee grote ramen van de Vermeer-zaal hangt de derde Vermeer:
“Diana en haar Gezellinnen”, ook wel Diana en haar Nimfen genoemd, een
“atypische” vroege Vermeer uit 1653-54.
Vermeer lijkt zich in dit schilderij vooral door Italiaans/Venetiaanse
voorbeelden te hebben laten inspireren. Vermeer onderscheidt zich van de
donkere en in gedempte kleuren geschilderde werken van zijn Hollandse
tijdgenoten door zijn heldere licht en sprekende kleuren. Vermeer bracht
Italiaans licht en kleur in de Hollandse schilderkunst. In de Vermeerzaal
is goed te zien hoe Vermeers doeken tussen zijn tijdgenoten meteen in
het oog springen, naar voren komen en er bovenuit stralen als kleurrijke
lichtbeelden. Als een soort “Italië in Holland”.

Catherine Middleton, de Duchess of Cambridge en echtgenote van prins Wil-
liam, de troonopvolger van het Engelse koningshuis, voor Vermeer’s Meisje
met de Parel in de Vermeerzaal van het Mauritshuis. Aristocratische al-
lure in een aristocratische omgeving. Vermeer’s werk straalt een unieke,
eigen, natuurlijke vorm van innerlijke aristocratie uit. Om de prachtige
woorden van Earl Charles Spencer te parafraseren in zijn beroemde toe-
spraak waarin hij zijn in 1997 op tragische wijze om het leven gekomen
zus Lady Diana herdacht: “Vermeer was someone with a natural nobility,
who was classless and proved that he needed no royal title to continue
to generate his particular brand of magic”.

Terwijl de Corona-pandemie de wereld teistert, zijn het onzekere en moei-
lijke tijden. Het Mauritshuis biedt nu de mogelijkheid om gedurende
tien minuten “Alleen met Vermeer” te zijn. Alsof je in je eentje in een
“Vermeer-bioscoop” zit. Licht, liefde en stilte in een tijd van toene-
mende dreiging, chaos en verwarring. In tijden van duisternis is er het
licht van Vermeer om hoop, troost en inspiratie uit te putten. Het ge-
voel mee te geven van “Alles komt goed”.

Op YouTube is deze video te zien: Vermeer – Gezicht op Delft – Een
introductie:

Op YouTube mag de Haagse zanger Harrie Jekkers in het Mauritshuis een
schilderij uitkiezen om er zelf een lied over te maken. “Godskolere,
wat is dat mooi !” in zijn kenmerkende Haagse tongval is zijn reactie
bij het zien van het Gezicht op Delft:

Ook op YouTube deze video met een andere benadering, die van Marcel
Proust, de beroemde Franse romanschrijver:

George Steiner over “Le Philosophe Lisant” van Chardin en de Stilte van Vermeer

De onlangs op 90-jarige leeftijd overleden Brits-Joodse literatuurweten-
schapper en cultuurfilosoof George Steiner geeft een indringende beschou-
wing over het schilderij “Le Philosophe Lisant” van Chardin in de VPRO-
serie Van de Schoonheid en de Troost van Wim Kayzer uit 2000, geheel
in de geest van Vermeer.

“Concentration
is the natural piety
of the soul”
Malebranche

Le Philosophe Lisant , Jean Simeon Chardin , 1734, Musée du Louvre,
Paris.
Jean Simeon Chardin (1699-1779) wordt wel de achttiende eeuwse franse
Vermeer genoemd. Chardin wordt vaker vergeleken met Johannes Vermeer om
de manier waarop ze beiden op een poëtische manier de intimiteit van het
dagelijkse leven in een binnenkamer hebben weergegeven in hun schilde-
rijen. Vermeer schilderde vooral interieurstukken met figuren, Chardin
maakte naast zijn figuurstukken ook veel stillevens.

George Steiner spreekt in het interview over Chardin:
“De sfeer van stilte. Chardin kan stilte schilderen. Niet veel schilders
kunnen dat. Vermeer kan het nog beter. Hij schildert er een muziekinstru-
ment bij, wat de stilte nog meer benadrukt. Chardin maakt door het licht
de stilte tastbaar. Zoals op dit glorieuze schilderij. Het hangt in het
Louvre. Als ik in Parijs ben, kijk ik altijd even of hij de bladzijde
heeft omgeslagen. Hij neemt zijn tijd”.

Le Philosophe Lisant van Chardin naast de Geograaf van Johannes Vermeer
in Frankfurt. Bij Vermeer speelt het licht een nog grotere rol, bijna als
een zelfstandig personage.
“Chardin heeft de concentratie prachtig gevangen. Dat is wederom wat de
meesters ons leren: Malebranche heeft ooit gezegd dat concentratie de
natuurlijke vroomheid van de ziel is. Dat probeer ik als leraar mijn
studenten in te prenten. Je hoeft niet gelovig te zijn om vroom te zijn.
Je bent ook vroom als je je op iets moeilijks en fascinerends concen-
treert en probeert om het in je op te nemen. We beschouwen zoveel dingen
als vanzelfsprekend, maar de kracht van de verbeelding die van de pagina
afstraalt, blijft me diep verbazen.”

Vermeer heeft merkwaardigerwijs nooit een figuur afgebeeld, die een boek
leest. Rembrandt vele malen. Het lezen van een boek zou heel vanzelfspre-
kend in Vermeer’s beeldidioom passen. De vrouwen van Vermeer lezen en
schrijven hun liefdesbrieven. De kamergeleerden bij Vermeer bestuderen
een hemelglobe of zijn met landkaarten en een passer bezig. Voor Vermeer
staat de liefde boven de wetenschap.
Ja, er komen wel degelijk boeken voor in Vermeer’s schilderijen, met name
in zijn late periode. Het lezen van een boek is voor hem echter nooit een
op zichzelf staand onderwerp voor een schilderij. Wellicht achtte hij een
boek in artistiek opzicht en als stillevenvoorwerp niet interessant ge-
noeg als centraal beeldelement en verkoos hij liever een kostbare fraaie
hemelglobe, zoals hier in De Astronoom uit het Louvre. Als kunstverzame-
laar had hij een geoefend oog en voorkeur voor mooie en zeldzame dingen.
We weten dat Vermeer zich wel als kunstenaar in zijn beeldconcepten di-
rect liet inspireren door emblemata-boeken, zoals Ripa’s Iconologia en
Otto Vaenius’ Amorum Emblemata.

Bij Rembrandt is het lezen van een boek een regelmatig terugkerend mo-
tief. Zoals in dit schilderij: Oude Vrouw Lezend. Of de beroemde Lezende
Oude Vrouw van zijn leerling Gerrit Dou, de Leidse fijnschilder.
De bijbellezende vrouwen van Rembrandt doen mij altijd aan mijn eigen
moeder denken…..

“Alles wat ik in mijn werk probeer te doen, en wat ik als leraar en als
mens heb proberen door te geven, vind je terug in het schilderij ‘Le phi-
losophe lisant’ van Chardin. Alles in dat schilderij heeft te maken met
het wonder en het mysterie van het lezen” , aldus George Steiner. Le Phi-
losophe Lisant van Chardin lijkt met name geïnspireerd door Rembrandt.
Het is zelfs zeer de vraag of Chardin in de eerste helft van de acht-
tiende eeuw überhaupt ooit originele werken van Vermeer met eigen ogen
gezien heeft, hoewel de artistieke verwantschap onmiskenbaar is.


Malebranche: “Concentration is the natural piety of the soul “ – Concen-
tratie, aandacht is de natuurlijke vroomheid van de ziel.
Dit prachtige citaat van de franse filosoof Malebranche, aangehaald door
George Steiner in zijn bespreking van het schilderij Le Philosophe Li-
sant van Chardin, raakt voor mij de kern van de schoonheid van Vermeer:
“In quiet light and concentration”. Concentratie als een natuurlijke
zone, waarin de ziel onopzettelijk en ongezien in een zuivere toestand
van aandacht zichzelf kan zijn. De wereld van Vermeer is voorbij alle
woorden. Alles draait om kijken. Alles is licht. “Vermeer is licht”.

Bij de Dentellière van Vermeer moet ik altijd denken aan mijn allereerste
vriendin Ellie…….

“Anagnorisis – the shock of recognition, the comet light, the flash……
it happens, a moment, an epiphany……. when the light shines through life”,
om Steiner nog eens aan te halen. Voor veel Vermeer-liefhebbers is Ver-
meer liefde op het eerste gezicht en een liefde voor het leven.


Bij Vermeer is er altijd sprake van een handeling in meditatieve stilte,
van actie binnen contemplatie. Stilte en concentratie, die in een straal
van licht bijna tastbaar worden.
Hij wisselt staande en zittende figuren af. Staan is een actieve houding,
zitten een meer contemplatieve houding. Vermeer’s figuren zijn verstild,
maar altijd verdiept in een actieve bezigheid. Wakker, alert. Ze stralen
een positieve, helder aandachtige, sprankelend verstilde energie uit.
Heel erg Zen. Een alledaagse handeling wordt tot een bijna religieus
ritueel. Vermeer’s kunst lijkt een geschilderde definitie van een ul-
tiem levensideaal: het leven is licht, kleurrijk en doorzichtig.

Vermeer’s kleine Dentellière in het Louvre in Parijs is een wonder van
licht en concentratie.
In veel figuurstukken van Vermeer kruisen twee grote diagonalen elkaar
in het beeldvlak; de diagonaal van het licht en die van de concentratie.
Een eenvoudig maar heel mooi en effectief compositieschema. Andere klas-
sieke voorbeelden zijn De Melkmeid en de Dame met Weegschaal. De licht-
diagonaal volgt de lichtstraal, die vanuit het hoge raam schuin naar
beneden de kamer instroomt. De concentratiediagonaal volgt de blikrich-
ting vanuit de vrouw, van haar ogen via haar handen naar het stilleven.
Deze twee diagonalen vormen de ruggegraat van een typische Vermeer.

Een paar losse citaten van George Steiner in een artikel in The Guardian
naar aanleiding van de tentoonstelling Vermeer and the Delft School in de
National Gallery in Londen in 2001:
“Stratford, Eisenach, Delft: the provincial, the small communities from
which spring the titans – a Shakespeare, a Bach, a Vermeer”.
Mijn persoonlijke “helden” zijn allen kunstschilders, die in de betrek-
kelijke luwte van een kleine provinciestad hun meesterwerken schilderden:
Vermeer in Delft, Cézanne in Aix, Georges de la Tour in Luneville, Edward
Hopper in Cape Cod, Morandi in Bologna.

“The production in Delft of illuminated manuscripts dating back to the
fourteenth century can be felt to anticipate Vermeer’s concentration on
‘the holiness of the minute particular'”.
“Time Sanctified” is de mooie titel van een publicatie van Roger Wieck
over middeleeuwse getijdenboeken; woorden, die ook van toepassing zijn
op Vermeer: een straaltje melk, dat voor altijd blijft stromen in een
eeuwig geheiligd ogenblik – Time Sanctified.

“Yet time and again, one returns to Vermeer with a distinct sense of
the incomparable. Paintings such as The Milkmaid of 1657, his masterpiece
The Art of Painting of the mid-1660s or the Girl With a Pearl Earring
have been written about prodigally by historians of art, by critics, by
men and women spellbound. They continue to defy paraphrase of any kind,
even in Proust. They suggest privacies, domesticities of the human soul
seemingly inaccessible to others”.

“There is an aura of concentrated peace, a gathering of light, which are
perhaps matchless”.
George Steiner heeft ook een waarschuwend woord voor de artistieke
crisis in de hedendaagse doorgedraaide kunstwereld, waar geld en hebzucht
het lijken te winnen van echte kwaliteit en creativiteit:
“But there is sadness as well, and an intimation of irreparable loss.
What would Vermeer make of the brutal trash, of the self-advertising cli-
chés which currently pass for art? Just what has made impossible for us
the creation, the communication of the weight, of the radiance of things
and of their human custodians so abundant in Vermeer?
Whom are we fooling but ourselves?”

Misschien ligt een begin van een antwoord op deze vraag besloten in de
woorden van de grote duitse schrijver Johann Wolfgang von Goethe:

“Der Humor ist eins der Elemente
des Genies,
aber sobald er vorwaltet,
nur ein Surrogat desselben;
er begleitet die abnehmende Kunst,
zerstört, vernichtet sie zuletzt”

“De humor is een der elementen
van genialiteit;
maar zodra hij alles overheerst, slechts
een surrogaat ervan;
hij vergezelt de afnemende kunst,
vernielt ze, vernietigt ze ten slotte”

Of zoals Israel Zohar het verwoordt:
“Sadly the concept of the ideal has disappeared from modern life”.


In mijn eigen woorden: deze tijd heeft meer “Vermeer” nodig, maar is niet
meer in staat “Vermeer” voort te brengen; of zoals Paul Simon zingt: “we
believe we’re gliding down the highway, when in fact we’re slip-sliding away”.
Internet-humor is leuk voor een keer, maar oppervlakkigheid gaat snel
vervelen. “Banality” van Jeff Koons is een handig kunstmarketing-product
van een geldgedreven decadente kunstmarkt, waarin artistieke kwaliteit en
integriteit er steeds minder toe doen. Bepaald geen kunst waar toekom-
stige generaties naar zullen opzien……. George Steiner slaat de spijker
op z’n kop: “Whom are we fooling but ourselves ?”

Deze video is te zien op YouTube met George Steiner over het schilderij
“Le Philosophe Lisant” van Chardin uit de VPRO-serie Van de Schoonheid
en de Troost van Wim Kayzer uit 2000: