Dagelijks archief: 19 februari 2017

Camera Obscura Studies (1)

Camera Obscura studies – in de voetstappen van Vermeer.

“Je continue donc mes études”
Paul Cézanne

In deze serie “Camera Obscura Studies” wil ik in de voetstappen van Vermeer
proberen te treden en gefotografeerde en later misschien ook geschilderde
versies laten zien van zelfgemaakte Camera Obscura-beelden.
Deze serie zal “doornummeren” en op gezette tijden in mijn blog
terugkeren.

De camera obscura is de voorloper van de moderne fotocamera,
vóór de uitvinding van chemische lichtgevoelige emulsies en
fixeermiddelen, en is grofweg in te delen in drie typen:

Het Kamer-model:
een kamer wordt geheel verduisterd met alleen een klein gaatje/lensgat
om het licht van buiten binnen te laten, waarbij een afbeelding van de
verlichte buitenwereld op de tegenoverliggende muur in de kamer wordt
geprojecteerd.

Het Tent-model:
Bovenop een geheel verduisterde tent is een lens + omkeerspiegel
gemonteerd, die het lichtbeeld van buiten op een horizontaal tafelblad
projecteert.

Het Tafel-model:
De voorloper van de fotocamera: een draagbare houten ‘doos’ met
een lens en een matglas, met of zonder een omkeerspiegel om het beeld
rechtop te zetten.

De kleine Vermeer-schilderijen “Meisje met Rode Hoed” en “Meisje met
Fluit” in de National Gallery in Washington zijn de enige Vermeers op
paneel, en lijken directe transscripties te zijn van een Camera Obscura-
lichtbeeld.

In bovenstaande digitale reconstructie van mijn hand heb ik geprobeerd om
de afzonderlijke stappen in de lagenopbouw van het “Meisje met Rode Roed”
van monochrome imprimatura via glacerende kleurlagen tot hooglichten te
ontrafelen en weer zichtbaar te maken.

Een moment van pure schilder-magie zijn de finale hooglichten in het gezicht,
in een paar seconden aangebracht, die ineens scherpte, sprankeling en
leven in het schilderij brengen.
Het oogt zo eenvoudig, maar het moet in één keer goed en
precies op de goede plek. “In one go”, zoals de Amerikanen het zeggen.
Zo’n meesterhand is slechts zeer weinigen gegeven. Één misser, en je kunt
weer helemaal opnieuw beginnen.

Vermeer bouwde het schilderij eerst in kleurvlakken met zachte contouren
op, om vervolgens in de eindfase met loodwit-hoogsels het licht en
scherpte in het schilderij te brengen. Zijn vermogen om licht in verf
te vertalen is ongeëvenaard.

Zijn witten zijn nooit “krijterig”, maar hebben altijd een kleurnuance
in zich. Zoals het turquoise hooglicht in het oog en het rozige hoogsel
op de lippen van het “Meisje met de Rode Hoed”.

Het magie van het lichtbeeld in een camera obscura komt het mooist
naar voren bij zonlicht, omdat de camera obscura een sterke lichtbron
nodig heeft. Wie ooit in een camera obscura gekeken heeft, ziet meteen
dat het “Meisje met de Rode Hoed” in een bundel helder zonlicht gezeten
moet hebben. Die fonkelende hooglichten, die in de zacht gloeiende
kleuren lijken te zwemmen in het vloeiende licht in een matglas zijn
typerend voor een zonlicht-tafereel gezien in een camera obscura.

Ook de broden van het Melkmeisje zouden in zonlicht door een camera
obscura gezien kunnen zijn. Bovenstaande detailafbeelding is van de
broden in het originele schilderij van Vermeer.
Met daaronder een eigen digitale opname van broden in zonlicht op het
matglasbeeld van mijn eigen Camera Obscura. Met de kenmerkende
lichtlovertjes waar de lens net out of focus is. Wat in de vergelijking
met Vermeer’s schilderij opvalt, is dat Vermeer ook verf-stippeltjes
in de blauwe doek schildert, waar hij ze niet gezien kan hebben, maar
die het schilderij wel meer tot een schilderkunstige eenheid
smeden. In een camera obscura lijkt alles op te lossen in één zelfde
substantie: “licht”.

Zijn grotere formaten zal Vermeer niet direct naar het projectiebeeld
in de camera obscura geschilderd hebben, daar is het camerabeeld te
lichtzwak voor. Maar hij was zeker gegrepen door de betoverende
schoonheid van de optische lichteffecten in de camera obscura.
Een schilder met een fenomenaal “eidetisch geheugen” zou die effecten
ook buiten de camera in verf op doek kunnen weergeven. Bij de late
Vermeer heb je het gevoel dat die optische lichtvisie zo in zijn
systeem en vingers zat, dat hij ook zónder camera en mét al zijn
opgedane schilder-ervaring in het vertalen van licht in verf, een
overtuigende lichtval in een interieur kon schilderen.


Met spiegels heb je niet het probleem van lichtverlies, zoals dat
met een Camera Obscura het geval is. Meerdere Vermeer-onderzoekers
hebben al eens de mogelijkheid geopperd dat Vermeer met een dubbele
spiegel werkte.
Het schemerige lichtbeeld van de “Vrouw met Weegschaal” kan Vermeer
onmogelijk in een lichtzwakke Camera Obscura gezien hebben, maar juist
wel in een spiegel. En spiegels in een zwarte ebbenhouten lijst kom je
in veel Vermeer-schilderijen tegen. Ik kan me ook heel goed voorstel-
len dat een spiegel een ideaal hulpmiddel was voor Vermeer om zijn
composities te schikken en te herschikken.

“The image in a camera obscura
looks just like a painting”
Philip Steadman