Het Geheim van de Meester – Reconstructie-schilderij van het Melkmeisje van Vermeer

Gezien op dinsdag 26 januari 2021 op NPO2: de eerste aflevering van een
nieuwe serie van het AVRO/TROS televisieprogramma Het Geheim van de Mees-
ter, waarin Lisa Wiersma een reconstructie schildert van Het Melkmeisje
van Vermeer in het Rijksmuseum in Amsterdam, ondersteund door een team
van deskundigen. Op zoek naar “Het Geheim van Vermeer”.

“Alles staat stil,
alleen de melk stroomt”

De serie “Het Geheim van de Meester” is een aantrekkelijk televisieformat
voor eenieder die geïnteresseerd is in de Nederlandse schilderkunst en de
vraag hoe de grote meesters hun meesterwerken schilderden.
De casting is hedendaags: Lisa Wiersma, een jonge, aantrekkelijke vrouw
(het oog wil ook wat) is de spil van het programma. Zij schildert een ge-
trouwe kopie/reconstructie van een meesterwerk van een Hollandse meester
volgens de laatste wetenschappelijke inzichten, ondersteund door een vast
team van deskundigen: materiaaldeskundige Joris Dik, restaurator Michel
van de Laar, wetenschapshistoricus Thijs Hagendijk en een aantal gastdes-
kundigen. Helaas ontbreekt in de nieuwe serie de bevlogen presentator en
teamleider uit de vorige serie, kunstenaar Jasper Krabbé. Ook vervangt
kunstenares Lisa Wiersma haar voorgangster Charlotte Caspers. Persoonlijk
was ik als tv-kijker wel gecharmeerd van de chemie tussen Jasper en Char-
lotte.
In de eerste aflevering wordt een reconstructie geschilderd van Het Melk-
meisje van Vermeer in het Rijksmuseum. Gastdeskundigen zijn Vermeerkenner
Jørgen Wadum, Rijksmuseumdirecteur Taco Dibbits en Pieter Roelofs, hoofd
schilder- en beeldhouwkunst van het Rijksmuseum (en oud-collega als con-
servator bij Museum Het Valkhof in Nijmegen). Ook Bas van der Wulp, ar-
chivaris in Delft, wordt geraadpleegd inzake documenten over Vermeer’s
leven.

Jørgen Wadum geeft een demonstratie van Vermeer’s pin & strings perspec-
tief constructie. Schilderijenrestaurator Jørgen Wadum heeft zich gespe-
cialiseerd in de perspectiefconstructie bij Vermeer. In 17 van de 35 Ver-
meer-schilderijen zijn spijkergaatjes gevonden in het verdwijnpunt van
het perspectief in het schilderij. Met een met wit krijt ingewreven
draadje bevestigd aan een spijkertje in het doek kon Vermeer gedurende
elk stadium van het schilderproces steeds de correcte perspectieflijnen
construeren, zichtbaar maken en controleren. Het losse krijtpoeder is
steeds eenvoudig uit te wissen en laat geen sporen na. Het was een al-
oude handigheid, waar ook architecten, landmeters en metselaars mee werk-
ten. Overigens had een andere Deen, Karl Hulten, al in 1949 in zijn arti-
kel “Zu Vermeers Atelierbild.” in het Konsthistorisk Tidskrift al het
spijkergaatje in Vermeer’s meesterwerk in Wenen opgemerkt en beschreven.
Het is een van de weinige fysieke bewijzen van de door Vermeer gebezigde
werkwijze. Zulke spijkergaatjes zijn overigens ook gevonden in schilde-
rijen van Pieter De Hooch, van wie Vermeer deze kunstgreep waarschijnlijk
heeft afgekeken. Pieter De Hooch was werkzaam in Delft in de jaren 1650,
de periode waarin Vermeer Het Melkmeisje in 1657-58 schilderde. Het spij-
kergaatje in het Melkmeisje bevindt zich in de muur, net boven haar schen-
kende hand en het krijtdraadje loopt precies over het straaltje melk. Ver-
meer gebruikt het perspectief om het oog van de kijker naar het middelpunt
van alle aandacht te sturen: de melk die stroomt.

In deze aflevering wordt overigens geen aandacht besteed aan Vermeer’s
veronderstelde gebruik van de camera obscura; deze kwam in een eerdere af-
levering van Het Geheim van de Meester al aan de orde met Vermeer’s Meisje
met de Parel. Het brodenstilleven in Het Melkmeisje is in mijn ogen wel
degelijk sterk geïnspireerd op het waarnemen van broden in zonlicht in een
camera obscura.

Rode draad van het programma is een demonstratie en reconstructie door
Lisa Wiersma van de lagen-opbouw en het schildersysteem van Vermeer in
Het Melkmeisje: Grondering – Imprimatura – “Doodverf”/monochrome onder-
schildering – “Opmaak” in kleur/Glacis – “Hogen” met Verfstippen/hooglich-
ten – Slotvernis.

In de “doodverf”-fase wordt de voorstelling in een monochrome onderschil-
dering opgezet over de imprimatura, een dunne transparante gekleurde verf-
laag, die op de grondlaag van het doek wordt aangebracht alvorens de
schilder met de eigenlijke uitwerking van de voorstelling begint.
De doodverf-laag wordt in één monochrome aardekleur omber of bruine oker
opgezet, vaak over een vóórtekening in wit krijt op de imprimatura kleur-
laag. De schilder hoeft zich in deze doodverf alleen nog maar bezig te
houden met de licht-donker verdeling in het schilderij. Daarna volgt pas
de “opmaak”-fase in kleur.

Pigmenten van Vermeer in de “Goedkoope Verfwinkel” , aan de Beestenmarkt
in Delft.
Aan de Beestenmarkt nr. 9 in Delft bevindt zich de oudste verfwinkel van
Nederland, “De Goedkoope Verfwinkel”, waar nog steeds de pigmenten van
Vermeer’s Melkmeisje te koop zijn: naturel ultramarijnblauw, loodtingeel,
vermiljoenrood, loodwit, beenderzwart en natuurlijke aardepigmenten als
bruine, gele en rode oker.
Loodtingeel en ultramarijnblauw waren Vermeer’s lievelingskleuren. Hij
was dol op het gele jakje afgezet met hermelijn van zijn vrouw Catharina,
dat expliciet genoemd wordt in de boedelbeschrijving na zijn overlijden
als toebehorend aan mevrouw Vermeer.

Dan volgt de “opmaak”-fase, waarin de kleuren over de doodverf worden
aangebracht: glaceren met zuiver ultramarijn blauw over de voorschort en
gebruik van loodtingeel in het jakje van het Melkmeisje.
Ultramarijnblauw leent zich bij uitstek voor doorschijnende glacis-lagen,
zoals in de blauwe schort en draperie in het stilleven op de tafel in Het
Melkmeisje. Al sinds de oudheid is het blauwe pigment uit de halfedel-
steen lapis lazuli een van de kostbaarste pigmenten met een ongekend
kleurkrachtig blauw bij gebruik in glacerende verflagen.
Vermeer zette het ultramarijnblauw graag naast het typerende geel van het
loodtingeel, dat in het Melkmeisje uitbundig gebruikt is in het gele jak-
je en de broden. Het geel-blauw akkoord is Vermeer’s favoriete kleuren-
combinatie.


Na het opmaken in kleur, breekt de fase aan van het “ophogen”, uitdetail-
leren en het zetten van de hooglichten, om het licht in het schilderij te
krijgen. Vermeer schilderde in grote kleurvlakken en wekte de suggestie
van gedetailleerde precisie met zorgvuldig en precies geplaatste pointil-
lé-verfstippen. Het vergt een meesteroog om binnen een zekere vaagheid zo
precies te kunnen schilderen. Het is net als wat de componist Salieri zegt
over de muziek van Mozart in de film Amadeus: “Displace one note and there
would be diminishment, displace one phrase and the structure would fall”.
Elke verfstip moet raak zijn, anders wordt de magie doorbroken.

In de jaren ’80 had ik in het Centraal Laboratorium aan de Gabriel
Metsustraat in Amsterdam intensief contact met Rembrandtspecialist Ernst
van de Wetering inzake een beoogd reconstructieproject op zoek naar het
geheim van de “Schmelz” in Vermeer (Doerner). Die zachte contouren bij
Vermeer. De door mij gesuggereerde werkhypothese was: gebruikte Vermeer
een geheim procédé/bindmiddel/toegevoegd medium om die Schmelz te ver-
krijgen ? Dit vraagstuk komt in deze uitzending bij materiaaldeskundige
Joris Dik en restaurator Michel van de Laar niet aan de orde. Toch blijft
mij dit vraagstuk intrigeren, omdat die “Schmelz” juist zo typerend is
voor de magie van Vermeer. Was het gewoon Vermeer’s meesteroog, of was er
ook sprake van “chemie”, een “geheim” bindmiddel-recept of procédé dat
Vermeer uitvond ? Als brononderzoek richtten we ons destijds op het be-
roemde manuscript van De Mayerne uit 1620-1646 als bron voor de schil-
dertechniek in de barok, geredigeerd door Johannes van de Graaf uit 1958.
De tijd was toen echter nog niet echt rijp voor dit soort reconstructie-
onderzoek. Wat ons destijds voor ogen stond is een concept van een soort-
gelijk reconstructieproject in de geest van Het Geheim van de Meester.
Voor mij persoonlijk kon ik mij als buitenstaander en autodidact uitein-
delijk niet vinden in een al te eenzijdige materiaaltechnische benadering
van Vermeer en daar heb ik achteraf geen spijt van.
Vooralsnog lijkt Vermeer gewoon lijnolie als bindmiddel te hebben gebruikt
en mogelijk de minder vergelende papaverolie voor het loodwit. De Schmelz
van Vermeer doet mij soms denken aan de zachte contouren in de beschil-
dering van Delfts Blauw geglazuurd aardewerk. Hierbij is sprake van een
proces van verhitting. Letterlijk “gesmolten” glazuurverf. Het “Schmelz-
effect in de contouren van Vermeer is heel subtiel en veel ervan gaat in
drukwerk of digitale reproducties verloren.
Van Meegeren wist het “Schmelz”-effect heel aardig te benaderen in zijn
Emmaüsgangers-vervalsing. Het is precies die kenmerkende “Schmelz”, die
de toenmalige Vermeerkenners als Bredius om de tuin heeft geleid. Ook al
doen die zware koppen nergens aan Vermeer denken, ook niet als een “onbe-
kende vroege Vermeer”. Die Schmelz deed het hem. Het is waanzinnig moei-
lijk om in die vaagheid tegelijk zo precies en trefzeker te blijven als
Vermeer. En die verstilling en concentratie van Vermeer te bereiken en
na te bootsen.

Als je Het Melkmeisje van Vermeer onder een moderne metalen high tech
scanner ziet liggen, krijg je het gevoel van een kwetsbare onschuldige
verdachte die onder een martelwerktuig wordt gelegd om haar een bekentenis
af te dwingen voor het geheim dat ze zou verbergen. Maar het Melkmeisje
hééft geen geheim, ze is een geheim. Natuurlijk kan een infraroodreflec-
togram je vertellen welke wijzigingen Vermeer heeft aangebracht in de
compositie, de wasmand rechtsonder is weer weggeschilderd en in de brood-
mand links is juist weer een brood toegevoegd. Tot op bepaalde hoogte
kunnen we over de schouder van Vermeer meekijken.
Maar die materiaaltechnische benadering in schilderijenonderzoek heeft
ook weer zijn beperkingen. Sinds de vervalsingen-affaire van Van Mee-
geren, waarin het kennersoog van gerenommeerde kunstkenners als Abraham
Bredius genadeloos te kijk werd gezet, is de nadruk komen te liggen op
materiaaltechnisch schilderijenonderzoek. Vanuit de gedachte: “We won’t
get fooled again”. Feiten en niets dan de feiten. Meten is weten, zegt
de wetenschap. Maar wat kan de wetenschap ons zeggen over wat Vermeer
zo geniaal maakt? Pin and strings om perspectief te construeren? Die
handigheid gebruikten mindere goden als Pieter De Hooch en zelfs land-
meters en metselaars ook. De pigmenten? Vermeer gebruikte dezelfde pig-
menten als al zijn tijdgenoten, alleen iets meer van het kostbare ul-
tramarijnblauw. De camera obscura? Ja, er zijn lenseffecten aan te wijzen
in Vermeer’s schilderijen. Maar met een camera obscura maak je nog lang
geen Vermeer. Vermeer’s ongrijpbare genialiteit voltrekt zich in een ge-
bied, waarop de wetenschap geen vat heeft. Alles in Vermeer’s schilder-
kunst wat wetenschappelijk aangetoond en verklaard kan worden is zeker
interessant, maar het is niet datgene wat hem geniaal maakt. Kunst begint
namelijk, waar wetenschap eindigt. “Oog of chemie?” vroeg de gerenommeerde
kunstkenner Hofstede De Groot zich ooit af. Vermeer is een en al oog. Met
chemie alleen zullen we hem nooit begrijpen of een werk overtuigend aan
hem kunnen toeschrijven. Ook niet al zouden we elk verfsplintertje van
zijn schilderijen kunnen afpellen en onderzoeken. Zeker, Van Meegeren
heeft de onfeilbaarheid van het “Kennersoog” genadeloos onderuitgehaald
en grote reputaties van Vermeerkenners als Bredius doen sneuvelen. Maar
juist bij Vermeer draait alles toch om het Oog. In mijn ogen zijn we door-
geschoten in de “Chemie”-benadering. “Chemie” en “High Tech” alleen brengt
ons niet dichter bij de échte Vermeer. Net zo min als het hebben van een
dure smartphone een garantie zou zijn voor echt intiem contact. Hoe boei-
end wetenschappelijk onderzoek ook kan zijn, persoonlijk raak ik eerder
geboeid door wat goede fotografen, kunstenaars, dichters en schrijvers
over Vermeer te zeggen hebben. Want Vermeer draait niet om kennis, Ver-
meer is een ervaring, die tijdloos en universeel is. Vermeer kun je uit-
eindelijk niet uitleggen. Je ziet het pas, als je het ziet. Of in de
geest van wat Cézanne ooit over Monet zei: “Vermeer, ce n’est qu’un oeil….
mais quel oeil!”.

Reconstructie met digitale fotografie: het straaltje melk.
Een wonder van observatie in het Melkmeisje is het straaltje melk, dat
spriraalsgewijs uit de tuit van de aardewerken melkkan stroomt. Als een
helix. Met een digitale camera is dit verschijnsel eenvoudig zichtbaar
te maken. Maar in de tijd van Vermeer niet zo vanzelfsprekend. Vermeer
schilderde wat hij zag, niet wat hij dacht te zien.

Het is die laatste tien procent, die een Vermeer pas echt tot een Vermeer
maakt. Die haalt Lisa hier niet, maar daar hoeft ze zich niet voor te
schamen. Ook de wereldberoemde hedendaagse meester Gerhard Richter, be-
roemd om zijn “foto-schilderijen”-periode, geeft het ondubbelzinnig toe:
“I can’t paint as well as Vermeer”. Vermeer is een onherhaalbaar hoogte-
punt. Ik zie het televisieprogramma ook niet als een academie voor mees-
terkopieën, want dat zijn het niet. Vermeer’s onnavolgbare stofuitdruk-
king met naar hedendaagse begrippen vrij beperkte middelen wordt in de
kopie nergens bereikt, het aardewerk is geen aardewerk, de wit linnen
hoofddoek is niet van linnen, de vlekkerige muur is geen licht dat over
een witgepleisterde muur met spijkergaten strijkt, het brood is geen vers-
gebakken, krokant brood. De kleuren zijn vrij goed getroffen, maar de
“precisie in de vaagheid” van Vermeer ontbreekt, als de unieke toets-
aanslag van een meesterpianist. Voor een geoefend kennersoog, dat ver-
trouwd is met de schilderijen van Vermeer, is deze reconstructie nog ver
van de originele Vermeer verwijderd. Als deze kopie over vijftig jaar op
een veiling aangeboden zou worden of bij een toekomstige versie van
“Tussen Kunst en Kitsch”, zou ze beoordeeld worden als een “matige kopie”.
Vermeer is met recht een van de allergrootsten in de schilderkunst, die
doe je niet zo maar even na. Ik vind het programma vooral van educatieve
waarde voor het grote publiek, want het gaat over iets waarin Nederland
als klein land van absolute wereldklasse is: de schilderkunst.

In deze aflevering is er opvallend veel aandacht voor de omstandigheden
rond Vermeer’s dood: “razernij” en “in anderhalve dag van gezond naar
overleden” in de woorden van zijn weduwe. Wat zijn doodsoorzaak was, zul-
len we nooit precies weten. Maar het is niet zijn dood die ons het meeste
boeit, het zijn zijn schilderijen, die ons steeds weer blijven trekken
en waarop we nooit uitgekeken raken. Daarin leeft Vermeer voor altijd
voort. Daarin heeft hij alles gegeven wat hij in zich had. De jonge Bob
Dylan bezingt het treffend in de sixties: “there’s no use in trying,
to deal with the dying, though I cannot explain that in lines”. Of:
“He not busy being born, is busy dying”. Vermeer is “Forever Young”.

Vermeer was in 1656 nog een vrolijke, extreem getalenteerde jonge man van
24 jaar met een beloftevolle toekomst voor zich, in 1675 een zorgelijke,
door stress en geldschulden gebroken man van nog maar 43, die zijn vrouw
en elf kinderen niet langer kon onderhouden en zijn schilderijen niet meer
kon verkopen vanwege de ingestorte kunstmarkt. Het rampjaar 1672 was
zijn annus horribilis, dat hem uiteindelijk de kop zou kosten. De analo-
gie met het Corona-pandemie jaar 2020 dringt zich op…….
Vermeer schilderde De Melkmeid rond 1658, al op zijn 26ste. De juiste man
op de juiste plaats op het juiste tijdstip. Het genie is soms, los van
eigen verdienste, ook gewoon de juiste samenstand in tijd en ruimte, als
een zeldzame conjunctie van planeten. Was Vermeer tien jaar te vroeg of
tien jaar te laat geboren, dan hadden we wellicht helemaal geen Vermeer
gehad. Vermeer werd opgetild precies op de top van die onvoorstelbare
golf van rijkdom en welvaart in de hoogtijdagen van de Gouden Eeuw.

In de schilderijen van Vermeer die wij kennen, heeft hij zichzelf tweemaal
afgebeeld: een keer op de rug gezien in zijn meesterwerk De Schilderkunst
in Wenen en een keer en face in zijn vroege werk De Koppelaarster in Dres-
den uit 1656, in hetzelfde zwarte kostuum met splitten, waardoor zijn wit-
linnen onderhemd zichtbaar is en de zwarte baret. In dit schilderij kunnen
we hem recht in de ogen kijken.
Een open blik en lach. Een markant gezicht met een naar mijn gevoel een
ietwat naar voren staande onderkaak (onderbeet), al kan dat ook aan de
lichtval liggen. Met zijn glas bier en muziekinstrument presenteert hij
zich als een goedlachse bourgondiër en levensgenieter met lang blond krul-
lend haar en volle wenkbrauwen. Bordeeltaferelen waren in de Gouden Eeuw
overigens een heel gebruikelijk en veelvoorkomend genre.

Kopiëren van Vermeer: de beste kopieën van Vermeer die ik ooit gezien heb,
zijn van Japanners. Misschien heeft het te maken met hun ZEN-traditie. Ze
kunnen zichzelf heel goed leeg maken, als ze iets namaken. Dat is op zich-
zelf ook een kwaliteit.
Lisa Wiersma is, net als Charlotte Caspers in de vorige serie, als jonge
vrouw een fris sprankelend mediageniek middelpunt. Ook bij Vermeer vormt
een mooie jonge vrouw het kloppende hart in al zijn schilderijen. Ik mis
in deze nieuwe serie wel de energieke aanstekelijke presentatie en cha-
risma van kunstenaar Jasper Krabbé. Televisie heeft zo haar eigen wetma-
tigheden als medium om visueel aansprekend en aantrekkelijk te zijn voor
de kijker.

“The Maestro says it’s Mozart
but it sounds like bubble gum
when you’re waiting
for the miracle
for the miracle to come”
Leonard Cohen

Vergelijking origineel van Vermeer’s Melkmeisje met reconstructie/kopie:
Zoals Taco Dibbits in de uitzending terecht opmerkt, zijn de kleuren vrij
goed getroffen. Op het eerste gezicht een verdienstelijke kopie. Maar hoe
langer je ogen de kost geeft, hoe minder het een Vermeer blijkt te zijn.
De muur is vlekkerig en zeker geen witgepleisterde muur waar het licht
langs strijkt, met spijkergaten. De stofuitdrukking overtuigt niet, en
die is juist in de Hollandse schilderkunst een conditio sine qua non. De
kom en kan zijn niet van aardewerk, de melk is niet van melk, de witte
hoofddoek niet van linnen, de broden niet kruimig vers met krokante
korst, haar gezicht valt ook uit elkaar in vlekken. In deze tijd van high
tech scanners, hoge kwaliteit reproducties en informatierevolutie zijn we
vooral goed in het vertrouwen op technologie en apparaten. Maar dat heeft
een prijs. Ook de beste hedendaagse kunstschilder heeft niet meer het
meesteroog en de meesterhand van Vermeer in huis. Deze tijd zal geen Ver-
meer voortbrengen. Ceci n’est pas un Vermeer. Het is met het kopiëren van
Vermeer: hoe dichter je in de buurt komt, hoe duidelijker het toch geen
Vermeer blijkt te zijn. Vermeer gaat dieper dan een goed gelijkend plaat-
je. Het gaat erom de stilte, het licht en de aanwezigheid van het Melk-
meisje voelbaar te maken. But she’s not there….
De waarde van dit reconstructieproject ligt natuurlijk ook niet in de kwa-
liteit van het eindresultaat, maar in het op educatieve wijze inzichtelijk
maken van het werkproces van de meester voor een groot publiek. Welke ma-
terialen gebruikte hij, in welke volgorde bouwde hij zijn schilderij op
in lagen, hoe construeerde hij zijn perspectief, dat soort dingen. En dat
alles aantrekkelijk in beeld gebracht met een mooie jonge vrouw, die de
reconstructie schildert voor het oog van de camera.
De educatieve waarde van het televisieprogramma is groter dan de artis-
tieke waarde van de kopie/reconstructieschilderij als eindresultaat. De
kijker is iets wijzer geworden over de werkwijze van Vermeer, maar de
kopie/reconstructie haalt nergens de magie, het artistieke niveau en de
topkwaliteit in uitvoering van Vermeer. En dat kan je ook niet verwachten.
Een verdienstelijke pianospeler is nog lang geen Chopin of Mozart. Ver-
meer is de Mozart van de schilderkunst. Een wonderkind, een genie, een
godenzoon. Lisa is natuurlijk geen Vermeer. Ze doet haar best, net als
wij allemaal, als gewone stervelingen…..

Een hedendaags televisieprogramma over Vermeer zegt ook misschien wel
meer over deze tijd, dan over Vermeer. Echte Vermeer-kenners zijn er
niet meer sinds de beruchte Van Meegeren-affaire. Het is veelal teamwork
op projectbasis geworden met de nadruk op materiaaltechnisch onderzoek
met high tech scan-apparaten.
Als onafhankelijk Vermeer-liefhebber prijs ik mezelf dan toch gelukkig
dat ik me over een veel breder spectrum in de magie van het fenomeen
Vermeer kan verdiepen. Mijn Vermeer-hart springt eerder op van zo’n
zinnetje als: “Alles is stil, alleen de melk stroomt”. Ik heb de luxe
en vrijheid een “Vermeer-romanticus” te mogen zijn. Juist in deze rare
tijden van Corona is Vermeer meer dan ooit van vaste waarde in mijn
leven. Met Vermeer om me heen is een lockdown met avondklok voor mij
geen straf. Vermeer levert altijd, Vermeer stelt nooit teleur.
De magie in de schilderkunst van Vermeer blijft een onneembare vesting
en uiteindelijk ook een onherhaalbaar en ongrijpbaar mysterie, zelfs
voor hedendaagse technologie, kunst en wetenschap.
Natuurlijk blijft Taco Dibbits hoffelijk en galant, maar reken maar dat
hij met zijn kennersoog – net als ik ook zónder het origineel ernaast –
ziet dat de reconstructie van Lisa Wiersma bij lange na géén Vermeer is.
Een Vermeer is het resultaat van 90% kijken en 10% schilderen. Vermeer
schilderde slechts één à twee schilderijen per jaar. Los van het ver-
schil in kunde en talent; die tijd krijgt Lisa ook niet, want de volgen-
de deadline van het project wacht alweer.

De aflevering van Het Geheim van de Meester met het Melkmeisje van Ver-
meer is tijdelijk terug te zien via Uitzending Gemist:
https://www.uitzending.net/gemist/518728/Nederland-1/Het_geheim_van_
de_Meester.html#

Op YouTube stond al eerder een Rijksmuseum-video van Lisa Wiersma met
dit keer de Brieflezende Vrouw in Blauw van Vermeer – “How to create a
17th century painting like Vermeer”. Ook hier betreft het vooral een
educatieve tutorial: