Categorie archief: tentoonstellingen

GESINA EN CATHARINA –  SCHILDERSMODEL EN MUZE IN WIT SATIJN VAN GERARD TER BORCH EN JOHANNES VERMEER

Gezien op donderdag 22 januari 2026 in Museum de Fundatie in Zwolle: de expositie Thuis bij Ter Borch met schilderijen en tekeningen van de talentvolle kunstenaarsfamilie Ter Borch, waarvan Gerard Ter Borch de beroemdste is. Uit een akte uit 1653, slechts een paar dagen na het huwelijk van Vermeer, weten we dat Vermeer en Ter Borch elkaar persoonlijk ontmoet hebben. Wie wil zien waar Vermeer al zijn ideeën en onderwerpen voor zijn eigen schilderijen vandaan haalde, moet goed kijken naar het werk van de 15 jaar oudere Gerard Ter Borch. Vermeer lijkt zelfs zijn schildersmodel en vrouw Catharina Bolnes naar het voorbeeld van het favoriete model van Gerard Ter Borch gemodelleerd te hebben: diens eveneens artistiek getalenteerde zus Gesina Ter Borch.

Gerard Ter Borch, De Briefschrijfster, 1655, Mauritshuis, Den Haag (detail)

Johannes Vermeer, Lady Writing in Yellow, 1665, National Gallery of Art, Washington (detail)

Hoewel het de interieurschilderijen van Johannes Vermeer zijn, die vandaag de dag wereldberoemd zijn, was het Gerard Ter Borch waar hij de meeste van zijn ideeën en onderwerpen voor zijn eigen schilderijen vandaan haalde. Vermeer was geen originele en inventieve vernieuwer, maar eerder een soort vervolmaker, die het genre van het intieme interieurschilderij, dat oudere tijdgenoten als Gerard Ter Borch en Pieter De Hooch als eersten uitgevonden en ontwikkeld hadden, in zijn eigen  verheven stijl uitwerkte en verfijnde tot een onnavolgbaar hoog nivo van artistieke perfectie. Vermeer was de top van de pyramide, die zijn voorgangers opgebouwd hadden. Vermeer oogste, wat Ter Borch en De Hooch gezaaid hadden. Vermeer stond op de schouders van reuzen. Zonder Ter Borch, geen Vermeer. Ter Borch was de man van de ideeën. Vermeer nam ze gewoon over, en maakte er nog iets veel beters en mooiers van. Vermeer modelleerde zijn schildersmodel en vrouw Catharina Bolnes naar het voorbeeld van het favoriete model van Gerard Ter Borch: zijn eveneens artistiek getalenteerde zus Gesina Ter Borch. Gerard Ter Borch kan Catharina Bolnes zelfs gezien hebben bij het huwelijk van Vermeer in 1653 en Vermeer kende Gesina zeker van de schilderijen van Gerard Ter Borch. Ten tijde van Vermeer’s huwelijk in 1653 woonde Gerard Ter Borch in Den Haag, niet ver van Delft.

Catharina en Gesina waren exacte leeftijdsgenoten: ze zijn beiden geboren in 1631. Hoewel het niet aannemelijk lijkt dat Vermeer daadwerkelijk een leerling was van Gerard Ter Borch, is er wel bewijs dat ze elkaar ontmoet hebben en bekenden van elkaar waren. Ze waren beiden aanwezig in het kantoor van een notaris in Delft in 1653. Ter Borch’s schilderijen waren zeker bekend voor Vermeer, gezien de sterke overeenkomsten in hun beider artistieke keuzes gedurende de jaren na 1655.

In wezen was Gerard Ter Borch de uitvinder van het genre van het Hollandse intieme interieurschilderij, waarop Vermeer vervolgens voortborduurde in zijn eigen onvolprezen licht-poëzie.

De Galante Conversatie van Gerard Ter Borch uit 1654 uit het Rijksmuseum Amsterdam.

Vanwege de fenomenale stofuitdrukking van zijde en satijn in de kostuums van voorname dames kregen deze schilderijen van Gerard Ter Borch de bijnaam “Satijntjes”. Model voor deze op de rug geziene elegante figuur stond zonder twijfel zijn half-zus Gesina.

Gerard ter Borch (1617 – 1681)  is een van de meest begaafde 17e eeuwse Hollandse interieur schilders. Hij is vooral beroemd vanwege zijn schilderijen van elegant en rijk geklede jonge vrouwen in sober gemeubileerde binnenkamers en zijn prachtige portretten. Bovenal wordt hij bewonderd voor zijn meesterlijke stofuitdrukking van glanzende stoffen als satijn en fluweel. Zijn werk sprak niet alleen eigentijdse rijke kunstverzamelaars aan, maar had ook een grote invloed op andere Hollandse meesters, waaronder Johannes Vermeer en Pieter de Hooch

Een ander kenmerk van Gerard Ter Borch is zijn diepe psychologische inzicht en gevoel voor intimiteit. De figuren die hij schildert zijn vaak weergegeven in diepe concentratie. Het valt op dat in zijn schilderijen vaak brieven worden ontvangen, gelezen, geschreven en verzegeld. Deze brieven zijn vaak toespelingen op ontluikende liefde en dromerige jonge vrouwen die brieven schrijven of ontvangen. Het Brief-thema zien we ook vaak terug in de schilderijen van Vermeer.

Gerard ter Borch groeide op in Zwolle waar hij, net als zijn broers, zussen en half-zussen, het schildersvak leerde van zijn vader, Gerard Ter Borch de Oude. Gerard Ter Borch de Jonge werd de meest beroemde telg van de kunstenaarsfamilie Ter Borch, waarvan de artistieke erfenis in de vorm van een aantal unieke albums met originele tekeningen zich bevindt in de collectie van het Prentenkabinet van het Rijksmuseum.

Gerard Ter Borch, Vrouw voor een Spiegel, 1652, Rijksmuseum Amsterdam

Dankzij het feit, dat Gesina regelmatig model zat voor haar broer Gerard, weten we goed hoe zij er uitzag.

Spiegelen
Een mooi familiekijkraadsel is Vrouw voor de spiegel uit ca. 1652 van Gerard ter Borch de Jonge. Gerard zette zijn zus vaak in als model in zijn genreschilderijen. Vaak zien we haar op de rug. Ook hier is ze ruggelings in beeld, maar via de spiegel, zonder twijfel opgehouden door broertje Moses, is haar gezicht te zien. Ze kijkt naar een jonge vrouw, enigszins haar evenbeeld. Is ze tweemaal gebruikt als model of zien we hier een ander familielid? Ook Vermeer maakte veel gebruik van blikken in zijn schilderijen en trekt als beeldregisseur vanuit hun ogen bliklijnen tussen de figuren in zijn composities.

Johannes Vermeer, Lady Writing in Yellow, 1665, National Gallery Washington

Aangezien in de inventarislijst na het overlijden van Vermeer een geel met hermelijn afgezet jakje wordt vermeld in de slaapkamer van zijn vrouw Catharina Bolnes, mag gevoeglijk worden verondersteld dat Catharina zelf poseerde voor deze Briefschrijvende Dame in Geel van Vermeer uit 1665.

Gerard Ter Borch, De Briefschrijfster,  1655, Mauritshuis, Den Haag

Voor deze fraaie Briefschrijfster van Gerard Ter Borch uit het Mauritshuis poseerde overduidelijk zijn zus Gesina als model.

Gerard Ter Borch, Dame die haar Handen Wast, 1655, Gemäldegalerie Alte Meister, Dresden

In de Dissius veilinglijst uit 1696 staat een nu verloren werk van Vermeer vermeld, “Daer een Seigneur sijn Handen Wascht”, dat gezien de hoge prijs een topwerk van Vermeer moet zijn geweest. Mogelijk was dit schilderij van Ter Borch de inspiratiebron voor Vermeer om dit thema over te nemen in een eigen werk. Ook Gabriel Metsu schilderde een Handen wassende Dame. Het oeuvre van Ter Borch was een schatkist vol ideeën voor andere interieur-genreschilders als Vermeer en Metsu om ideeën voor onderwerpen, thema’s en poses voor hun eigen werken op te doen.

Vermeer was geen vernieuwer, die het moest hebben van originele ideeën, maar vooral van de volmaakte kwaliteit van uitwerking en uitvoering in zijn composities. Het was Ter Borch die een inventieve vernieuwer was, de man van de nieuwe, originele ideeën. Vermeer tilde met zijn vlekkeloze techniek en stijl diens ideeën omhoog naar een onnavolgbaar nivo van tijdloze schoonheid en absolute perfectie.

De figuren en stofuitdrukking van kostuums van Ter Borch zijn van topkwaliteit, in de perspectivisch overtuigende weergave van de ruimte en het overtuigend samenvoegen van de figuur binnen de ruimte van het interieur was Vermeer duidelijk beter. Ter Borch was een eminente figuurschilder, Pieter De Hooch beheerste het ruimtelijk perspectief, en Vermeer was de volmaakte synthese van hun beider kunnen. Vermeer kon het allemaal. Vermeer hoefde niet alle ideeën zelf te bedenken, hij hield zich uitsluitend bezig met het in elkaar zetten van zo volmaakt mogelijke composities met reeds eerder door anderen bedachte beeldelementen.

Gerard Ter Borch, A Lady at her Toilette, 1660, Detroit Institute of Arts Museum

Johannes Vermeer, Lady Standing at a Virginal, 1670, National Gallery of Art, London

Zelfs in een van Vermeer’s latere werken als de Lady Standing at a Virginal uit 1670 blijft de invloed van Ter Borch op Vermeer merkbaar aanwezig in de witte satijnen jurk, die doet denken aan de beroemde “Satijntjes” van Ter Borch. Vermeer’s originaliteit zit hem vooral in de stilering en abstrahering in zijn composities.

Gerard Ter Borch, The Letter, 1660-65, Royal Collection, Londen

Het kostuum van de dame in het schilderij The Letter van Gerard ter Borch met het blauwe lijfje en witte satijnen jurk doet sterk denken aan dat van de Lady Standing at a Virginal uit 1670 van Johannes Vermeer in de National Gallery in Londen..

In zijn schilderijen toont Ter Borch een meer intieme, verstilde, zachtere kant in het tijdperk van de rusteloze en overdadige Barok, een kleine wereld van stilte en verstilling, veelbetekende blikken en glanzende stoffen, brieven die geschreven worden en brieven die gelezen worden, brieven vol geheimen; een wereld waarin we onszelf kunnen herkennen en die ons intrigeert. De genre-taferelen van Johannes Vermeer hebben een soortgelijke sfeer, en de nadruk ligt bij beide kunstenaars op intimiteit en verstild drama, dat zich achter gesloten deuren voltrekt.

De schilderijen van Ter Borch en Vermeer doen me ook een beetje denken aan fotografie uit de Victoriaanse tijd, waarop jonge vrouwen gekleed gaan in schitterende ruisende jurken van zijde en satijn en verblijven in fraaie binnenkamers met dure meubels en schilderijen, vol stilte en dromen. Een wereld van een etherische schoonheid. Van liefdesbrieven en glanzende satijnen avondjurken.

In Vermeer’s Briefleserin am Offenen Fenster uit 1658 in Dresden is de invloed van Gerard en Gesina Ter Borch als schilder en model nog duidelijk aanwijsbaar. Vermeer zou het zelfde motief een paar jaar later nog eens herhalen met dezelfde pose, in de Briefleester in Blauw in het Rijksmuseum uit 1664. Hier zien we overduidelijk Johannes Vermeer en zijn vrouw Catharina als schilder en model. In dit schilderij is Vermeer inmiddelas “his own man”, zelfbewust, in zijn eigen artistieke kracht. Een kunstenaar die zijn grote voorbeeld overtreft. Het verhalende proza van Ter Borch is bij Vermeer tot zuivere verstilde licht-poëzie geworden.

Van alle Vermeer-vrouwen herken ik in de Briefleserin in Dresden uit 1658 het meest de “Ter Borch”-vrouw. Zij zou op Gesina Ter Borch kunnen zijn geïnspireerd, al heeft Vermeer haar profiel dan wel naar zijn eigen ideaalbeeld vormgegeven.

Johannes Vermeer, Brieflesendes Mädchen am Offenen Fenster, 1658, Staatliche Gemäldegalerie, Dresden (detail)

Gerard Ter Borch, Le Concert: duo entre une chanteuse et une joueuse de luth théorbé, 1657, Musée du Louvre, Paris (detail)

Een treffend voorbeeld van hoe Vermeer een figuur van Ter Borch oppikt en vertaalt naar zijn eigen ideaalbeeld. Vermeer lijkt de pose van de zangeres met haar bladmuziek vertaald te hebben naar een brieflezend meisje bij het raam. Het geel-zwarte jakje, profiel en haardracht komen sterk overeen. Ter Borch was 15 jaar ouder dan Vermeer en toen al een gearriveerdd kunstenaar, terwijl Vermeer als kunstenaar nog maar een paar jaar ingeschreven stond als meesterschilder bij het Lucas-gilde in Delft en nog aan het begin stond van zijn artistieke loopbaan.

Gerard Ter Borch, Le Concert: duo entre une chanteuse et une joueuse de luth théorbé, 1657, Musée du Louvre, Paris

Johannes Vermeer, Het Concert, 1664,  Isabella Stewart Gardner Museum, Boston (gestolen)

Een weerklank van de zangeres in Het Concert van Ter Borch zie je bij Vermeer terug in zijn eigen versie van Het Concert in Boston in het beeldschone jonge meisje aan het klavecimbel. De maatvoerende hand en de hand die de bladmuziek vasthoudt is in het Concert van Vermeer verhuisd naar de staande vrouwenfiguur rechts. Het verschil tussen Ter Borch en Vermeer laat zich in één oogopslag  zien: Vermeer is van een andere orde, oneindig veel verfijnder, delicater, serener. De compositie is veel hechter in elkaar gezet. Van een absolute schoonheid en edele harmonie. Het Concert van Vermeer in Boston is de enige Vermeer, die ik nooit met eigen ogen heb kunnen zien. Het schilderij is sinds 1990 gestolen en er wordt inmiddels gevreesd dat het werk na zoveel jaar als voorgoed verloren moet worden beschouwd……… Tenzij een kunstdetective als Arthur Brand het misschien nog ooit boven water weet te krijgen.

De figuur van Vermeers Briefleserin am Offenen Fenster in Dresden uit 1658 lijkt nog sterk beïnvloed door Ter Borch. Zij heeft dezelfde haardracht als Gesina Ter Borch in deze tekening door haar broer Gerard.

Vermeer was geen portrettist in de zin van Ter Borch. Zijn gezichten zijn veeleer geïdealiseerd tot wat in de 17e eeuw “tronies” werden genoemd. Ter Borch zocht als portrettist vooral, naast een voornaam voorkomen, ook een treffende herkenbare gelijkenis. Als er een foto van Gesina had bestaan, zouden we haar direct herkennen. Wat Catharina en Gesina gemeen hebben is dat ze precies dezelfde modetrend volgden in 1657, hetzelfde geelzwarte jakje, dezelfde haardracht: het haar strak naar achter gekamd en opgestoken in een knotje met haarband en loshangende haarlokken langs de slapen. Dat alles geeft het effect van een “hoog” voorhoofd en een adelijke, voorname uitstraling.

Mogelijk liet Vermeer zich in zijn vrouwen-figuren op het gebied van kostuums en haardracht inspireren door Gesina Ter Borch als trendsetter.

Getekende portretten van Gesina Ter Borch door haar broers Ter Borch.

Links: Moses Ter borch. Rechts: Gerard Ter Borch.

In de tekening van Gerard komt ook zijn uitzonderlijke talent als portrettekenaar naar levend model tot uiting: trefzeker, levendig, met een paar lijnen herkenbaar en raak.

Zijn jongere broer Moses Ter Borch overleed al op jonge leeftijd als marinier aan zijn verwondingen tijdens een zeeslag onder bevel van Michiel de Ruyter in de Tweede Engels-Hollandse Oorlog bij Harwich.

Van Gerard Ter Borch, Gesina en Moses zijn vele tekeningen bewaard gebleven. Van Vermeer hebben we niet één schets of tekening. “Tekent veel!” was het advies van vader Ter Borch aan zijn kinderen. Dat advies zou bij Vermeer aan dovemansoren zijn gericht. De schildervisie van Vermeer was niet gebaseerd op de tekenkunst, zoals bij de Ter Borchs, maar op het optische lichtbeeld van de camera obscura, dat zich later zou doorontwikkelen tot de fotografie: het vastleggen van een optisch lichtbeeld. Van Ter Borch ontleende Vermeer vooral de keuze van diens thema’s, onderwerpen, kostuums, etc. De ideeën kwamen van Ter Borch, de sublieme en innovatieve vervolmaking van Vermeer.

In de traditie van de Florentijnse School draaide alles om Disegno, de Tekening. De kunstenaar begint ten allen tijde eerst met een lijntekening, en werkt die uit tot een schilderij. Een klassiek voorbeeld van de Florentijnse “Disegno”-school is het beroemde “De Geboorte van Venus” van Sandro Botticelli in het Uffizzi museum in Florence. De lijn overheerst en bepaalt het prachtige lijnenspel van de wapperende haren in de wind van de godin van de liefde.

De Venetiaanse  School daarentegen streefde naar Colore en  gaat uit van direct op het doek schilderen van kleuren en het vervagen van contouren. Meesters van de Venetiaanse school zijn Titiaan en Giorgione. Een mooi voorbeeld is het portret door Titiaan van de dichter Ludovico Ariosto in de National Gallery in Londen met zijn vervaagde contouren, subtiele glacislagen in het incarnaat en het accent op kleur-, licht-  en vlakwerking.

Ter Borch ging altijd uit van de tekening en was dus meer een aanhanger van de Florentijnse school. Vermeer schilderde direct op het doek, zonder voorschetsen, en streefde vooral naar kleur en licht, Meer in de traditie van de Venetiaanse school.

Er is niet één schets of tekening van Vermeer bekend, hij was een pure schilder, geen tekenaar. Wie ooit een blik geworpen heeft op het lichtbeeld in een camera obscura, ziet geen lijnen, maar een wonderschoon patroon van delicate licht- en kleurvlakken met zachte contouren. Vermeer zocht het meer in het onderzoeken van de mogelijkheden van het gebruik van spiegels en lenzen, om de schoonheid van kleur en licht te vangen. En hoe je als schilder een lichtbeeldprojectie kunt vertalen in verf. In dat opzicht zou Vermeer beschouwd kunnen worden als de “vader van de fotografie”. Pas in 1826, 150 jaar na de dood van Vermeer, zou de Fransman Joseph Nicéphore Niepcé de eerste fotografische afdruk ooit vastleggen middels het heliografie-procédé: “View from a Window at Le Gras”. Vermeer was zijn tijd ver vooruit.

De kunstenaarsfamilie Ter Borch.

Gerard Ter Borch leerde  net als zijn half-broers en half-zus het schildersvak van zijn vader Gerard Ter Borch Sr. Net zoals  Wolfgang Amadeus Mozart zijn vader Leopold als leermeester had, leerde Gerard Ter Borch het vak van zijn vader. Mozart en Ter Borch hadden beiden ook een talentvolle zus, die ook in de muziek en kunst actief was: Nannerl Mozart en Gesina Ter Borch.

De Ter Borchs keken veel naar elkaars werk en kopiëerden vrijelijk, maar tekenden ook huiselijkheden en het straatleven. In de tentoonstelling Thuis bij Ter Borch is mooi te zien hoe de vaak nog jonge familieleden schetsen, krabbelen, kopiëren, concurreren en experimenteren. Ze vormden samen een hechte kunstenaarsfamilie.

Vermeer daarentegen moest het niet echt van zijn eigen familie hebben en was van bescheiden komaf, al was zijn vader wel kunsthandelaar, net als Vermeer zelf. Vermeer is langs een andere weg groot geworden door de juiste vrouw Catharina Bolnes te trouwen met een welgestelde schoonmoeder Maria Thins en wist een rijke en genereuze (vrouwelijke!) mecenas te vinden in Maria De Knuijt.

Het favoriete model van Gerard Ter Borch was zijn half-zus Gesina. Het favoriete model van Johannes Vermeer was zijn vrouw Catharina.

Johannes Vermeer, Brieflesendes Mädchen am Offenen Fenster, 1658, Staatliche Gemäldegalerie, Dresden (detail)

Gerard Ter Borch, Le Concert: duo entre une chanteuse et une joueuse de luth théorbé, 1657, Musée du Louvre, Paris (detail)

Opvallend is dat Vermeer zijn Briefleserin slechts één jaar na Het Concert van Ter Borch schilderde. De gelijkenis van pose, kostuum en haardracht is zo treffend, dat hier wel sprake moet zijn van een directe invloed. Mogelijk liet Vermeer zich in zijn vrouwen-figuren op het gebied van kostuums en haardracht inspireren door Gesina Ter Borch als trendsetter.

Ter Borch was een fenomenale schilder van de figuur, Vermeer was beter in het overtuigend plaatsen van de figuur in de ruimte van het interieur met perspectivische diepte.

Hoe groot was de invloed van Gerard Ter Borch op Johannes Vermeer ?

Gerard Ter Borch had een diepe en bepalende invloed op Johannes Vermeer, met name in de ontwikkeling van Vermeer’s genre taferelen. Ter Borch (1617-1681) was de uitvinder van de stijl van verstilde, intieme en met subtiele psychologie geladen huiselijke interieurschilderijen, met elegant geklede hoofdfiguren, die Vermeer later overnam en tot volmaaktheid uitwerkte.

Hoewel Vermeer vandaag de dag een grotere roem geniet, was hij geen vernieuwer, maar verfijnde hij bestaande thema’s, eerder bedacht door oudere voorgangers als Ter Borch, tot een hoger nivo van artistieke perfectie.

Gerard Ter Borch, Het Concert, 1674, Gemäldegalerie Berlin

Johannes Vermeer, Het Concert, 1664,  Isabella Stewart Gardner Museum, Boston (gestolen)

De belangrijkste aspecten van de invloed van Ter Borch op Vermeer zijn:

– Het “Moment van Contemplatie en Concentratie”.  Ter Borch vestigde de trend van het schilderen van vrouwen in verstilde, aandachtvolle poses –  het lezen en schrijven van brieven, het spelen van muziek, of het deelnemen aan“Galante Conversaties”

– Onderwerpkeuze en compositie: Veel van Vermeer’s composities, zoals vrouwen met brieven of het bespelen van een muziekinstrument zijn rechtstreekse variaties op thema’s in eerdere werken van Ter Borch.

– Stofuitdrukking: Ter Borch was vermaard om zijn weergave van kostbare stoffen, in het bijzonder van wit satijn. Vermeer nam deze focus op materiële weergave over,  door zijn eigen meesterwerken van stofuitdrukking te creëren, zoals in het Parelsnoer in Berlijn.

– Psychologische diepgang: Ter Borch nam afstand van het openbare leven in de rauwe en gewelddadige herbergtaferelen, zo kenmerkend voor de vroege Hollandse schilderkunst, om zich meer te richten op intieme en verfijnde binnenkamertaferelen en het verborgen innerlijke gevoelsleven van zijn personages, een overgang die de pad zou gaan effenen voor Vermeer’s beste werken.  

Opvallendste verschillen tussen Ter Borch en Vermeer:

Hoewel de invloed van Ter Borch onmiskenbaar is, maakte Vermeer het verschil door het genre in een geheel eigen en onderscheidende stijl naar een hoger plan te tillen:

– Licht en Ruimte: Vermeer overtrof Ter Borch in de beheersing van helder natuurlijk daglicht en het creëren van een gevoel van een heldere, serene ruimtelijke illusie,  terwijl Ter Borch  vaker gebruik maakte van meer gedempt licht en donkerder achtergrond

– Sfeer werking: Vermeer’s scenes zijn vaak meer tijdloos en verstild, terwijl de scenes van Ter Borch’s vaker verwijzen naar een meer specifiek, wat meer dramatisch, maar dubbelkzinnig verhaal (over liefde en verleiding).

– Kleurenpalet: Ter Borch maakte vaker gebruik van meer gedempte aarde-kleuren, terwijl Vermeer een helderder, meer sprekend kleurenpalet bracht, met name door het gebruik van het beroemde kleurakkoord van citroengeel en ultramarijn blauw.

De belangrijkste invloeden van andere tijdgenoten op Vermeer zijn:

–  Carel Fabritius: Als Delftse meester had hij grote impact op Vermeer’s gebruik van perspectief, de precieze weergave van koel natuurlijk daglicht en de lichte achtergrond van een witte muur.

– Gerard ter Borch: Beïnvloedde Vermeer’s overstap naar het afbeelden van huiselijke intieme genrescènes uit het dagelijks leven, de weergave van de vrouwenfiguur en de concentratie op dagelijkse bezigheden en subtiele verborgen gevoelens.

–  Pieter de Hooch: Zijn invloed is zichtbaar in de serene, huiselijke taferelen met doorkijkjes, de ruimtelijke werking van zijn interieurs en het construeren van het perspectief van tegelvloeren.

Kortom: Vermeer leende de kostuumfiguren en interieurscène-onderwerpen van Ter Borch, het perspectief en doorkijkjes van De Hooch en ontwikkelde zelf zijn geheel eigen optische stijl en visie door te gaan werken met een “schilder-camera”.

Johannes Vermeer, Lady Writing in Yellow, 1665, National Gallery Washington

Gerard Ter Borch, De Briefschrijfster,  1655, Mauritshuis, Den Haag

Van Gerard Ter Borch  nam Vermeer vooral de ideale vrouwen-figuur over volgens de mode van zijn tijd. Gesina Ter Borch, de zus van Gerard Ter Borch zou ook model hebben kunnen staan in een schilderij van Vermeer. Het is niet ondenkbaar dat Vermeer zijn mooie vrouw Catharina als model modelleerde naar het voorbeeld van Gesina Ter Borch. Gesina Ter Borch was precies van dezelfde leeftijd als zijn vrouw Catharina, beiden zijn geboren in 1631. Gerard Ter Borch zelf was 15 jaar ouder dan Johannes Vermeer (resp. 1617 en 1632 geboortejaar).

Ook vind je bij Gerard Ter Borch de “concentratie-pose” terug, waar ook Vermeer een bijzondere voorliefde voor koesterde. Zoals in Ter Borchs “Moeder die Appels Schilt” uit 1660 in het Kunsthistorisches Museum in Wenen.

Gerard Ter Borch, Boy Ridding his Dog of Fleas, 1665, Alte Pinakothek, München

Hellenistisch, 3e-1e eeuw voor Chr. , Spinario – Doorntrekker, Musei Capitolini, Rome

Verstilde concentratie is een klassiek thema dat Vermeer ook overnam uit de schilderijen van Gerard Ter Borch, waarin het veelvuldig voorkomt. Zoals in het schilderij Jongen die zijn Hond Vlooit uit de Alte Pinakothek in München.

Een beroemd klassiek Grieks-Hellenistisch beeldhouwwerk is de Doorntrekker (Spinario), waarin een jongen een doorn uit zijn voet trekt. Momenten van verstilde concentratie uit het dagelijks leven verheffen tot tijdloze kunst is een kenmerk van de Hollandse Oude Meesters uit de 17e eeuw en vind je ook bij de meesters uit de klassieke oudheid. “Excellence is the art of transforming the ordinary in something extraordinary”. Van een doodgewoon gegeven iets buitengewoons kunnen maken. Verstilde concentratie heeft een tijdloze schoonheid en is van alle tijden.

Moses Ter Borch, Portrettekening van Gesina Ter Borch, 1660

Johannes Vermeer, Lady Writing in Yellow, (waarschijnlijk een portret van Catharina), 1665, National Gallery Washington (detail)

Gerard Ter Borch schilderde in 1668 in samenwerking met zijn half-zus Gesina dit emblematische memorie portret van hun jongste broer Moses, die in de strijd gesneuveld was bij de kust van Engeland gedurende de Tweede Engels-Hollandse Oorlog in 1667.

Zowel Gerard Ter Borch als Johannes Vermeer werden geconfronteerd met de dood door het overlijden van dierbaren: Voor Vermeer was dat zijn grote artistieke jeugdheld de schilder Carel Fabritius in 1654 bij de grote ramp van het exploderen van een kruitmagazijn in Delft. Voor Gerard Ter Borch het sneuvelen van zijn jongste half-broer Moses als marinier onder Michiel de Ruyter bij Harwich in 1667 in de oorlog met Engeland. Zowel Vermeer als Ter Borch geloofden in de Schilderkunst als triomf over de Dood.

Uit onderstaande tekening van Gesina Ter Borch blijkt dat zij daar al in 1660 bewust mee bezig was. Ook Vermeer’s meesterwerk in Wenen, De Schilderkunst, straalt de ambitie uit van het overwinnen van de Dood door de Schilderkunst. Ars Longa, Vita Brevis. De Kunst overleeft de kunstenaar en het leven  zelf.

Gesina ter Borch, Triomf van de Schilderkunst over de Dood (Zelfportret, ca. 1660), Rijksmuseum, Amsterdam

Beroemd en als allegorie uniek in Gesina’s werk is haar Triomf van de Schilderkunst over de Dood. Deze tekening zit vol symboliek, maar die heeft ze niet zelf bedacht. Schilders gebruikten op grote schaal boeken met zogenaamde emblemata, voorbeelden. Eén van de meest bekende daarvan was Cesare Ripa’s Iconologia (1593)dat in 1644 uit het Italiaans in het Nederlands vertaald werd. Hierin wordt precies uitgelegd, én afgebeeld, hoe een kunstenaar allerlei allegorieën en personificaties van min of meer abstracte begrippen dient weer te geven, zodat ze met hun juiste betekenis herkenbaar zijn. De personificatie van de Schilderkunst wordt door Ripa als volgt afgebeeld:

Cesare Ripa, Iconologia: Pittura (Schilderkunst)

Gesina beeldt hier zeer waarschijnlijk zichzelf af als de personificatie van de schilderkunst. Deze personificatie is altijd een mooie vrouw. De mond van de schilderes is gekneveld: de schilderkunst is een zwijgende kunstvorm (anders dan de muziek en dichtkunst), en dient ook in stilte beoefend te worden. Achter de Schilderkunst staat, in het blauw, de Muze van de Geschiedenis en de Dichtkunst (ook naar Cesare Ripa), die de schilder inspireert. Het masker dat de Schilderkunst om haar hals draagt, wijst erop dat een schilderij altijd een nabootsing, imitatio, is van iets anders uit de werkelijkheid. Boven op de schilderezel verrijst een feniks uit de as: de kunstenaar “verrijst uit de dood” door haar werk dat blijvend is, ook nadat zij gestorven is. Ars longa, vita brevis. Dezelfde betekenis hebben de Dood en de Tijd, die vertrapt onder haar voeten liggen; de zeis is gebroken en de zandloper is kapot. De vrouw achter de ezel schildert een Toren van Babel……. het ultieme symbool van het menselijk kunnen, maar met daarin besloten het gevaar van ijdelheid en hoogmoed.

Gesina ter Borch, De Overwinning van de Schilderkunst over de Dood, Zelfportret, ca.1660, Rijksmuseum, Amsterdam

Feministes met eenentwintigste-eeuwse ogen zien in dit beeld graag een verbeten schilderende ambitieuze vrouw die tegen haar wil de mond gesnoerd wordt, als bewijs van de eeuwenlange miskenning van de vrouwelijke kunstenaar in de kunstgeschiedenis. Dat is bijna zeker niet de boodschap van Gesina in deze tekening. De knevel staat voor het zelfgekozen zwijgen, de stilte, als de juiste levenshouding voor elke beoefenaar van de schilderkunst.

De schilderkunst wordt door Gesina gezien als de verhevenste van alle kunsten, omdat zij zwijgt en de stilte zelf laat spreken.

Dat is precies wat ik persoonlijk zo bewonder in de verstilde schilderijen van Vermeer.

Johannes Vermeer, De Schilderkunst, 1666, Kunsthistorisches Museum, Wien

Ook de symboliek in Vermeer’s meesterwerk De Schilderkunst in Wenen is ontleend uit het boek Iconologia van Cesare Ripa uit 1644.

Wat doet dat gipsen gezichtsmasker daar op de tafel; is het een symbool van de imitatio, de nabootsing, van de beeldhouwkunst of is het zelfs een dodenmasker ? Misschien van Carel Fabritius, een ode aan zijn artistieke jeugdidool, die tragisch om het leven kwam bij de Delftse Donderslag, de ontploffing van het kruitmagazijn in Delft in 1654 ?

Het masker dat de Schilderkunst om haar hals draagt in de tekening van Gesina Ter Borch symboliseert dat een schilderij een nabootsing is van iets anders uit de werkelijkheid.

Op YouTube is deze videoclip van deze grote hit uit 1968 te zien en horen van de Moody Blues – “Nights in White Satin”:


 

VERMEER EN CONCENTRATIE – “DEEP WORK”- FOCUS OF OBSESSIEVE “MONOMANIA” ?

Elk schilderij van Vermeer ademt een intense verstilde concentratie.  Ook echte Vermeerliefhebbers zelf gaan heel ver in hun eigen monomane concentratie op Vermeer. De één noemt het “monomania” of “obsessie”, de ander gewoon concentratie of Deep Work. Het is maar of je het negatief of positief wilt zien en aan wie je het vraagt. Vermeer heeft kennelijk iets, dat veel mensen aanspreekt in het huidige jachtige bestaan. Echte aandacht, verstilling, vrede, harmonie en bovenal concentratie zijn een zeldzaam goed geworden.

Deze beschouwing voert langs het boek “Deep Work” van Sal Newport, het intieme huiskamer-atelier van Vermeer en de surrealist Magritte als een “Deep Work Chamber” van concentratie. De spiegelwereld-kamer van Alice in Wonderland in Lewis Carroll’s kinderboek “Through the Looking Glass” en de Music Lesson van Vermeer. En waar het bij mij allemaal ooit begon: bij mijn eigen favoriete Vermeers. Persoonlijke “Vermeer”- herinneringen en hoe ik als kind kon opgaan in het spel.

Johannes Vermeer – “De Astronoom”, 1668, Musée du Louvre, Parijs

Het citaat “concentration is the natural piety of the soul” is een quote die wordt toegeschreven aan de Franse filosoof Nicolas Malebranche. Deze gedachte suggereert dat het vermogen om je aandacht te concentreren een natuurlijke, aangeboren neiging van de ziel is tot devotie of eerbied. Dit concept is verder uitgediept door denkers als Heidegger en George Steiner, die het belang van concentratie benadrukken voor de menselijke behoefte aan en verlangen naar aandacht en spiritualiteit.

Concentratie komt voort uit een heel andere bron van ons innerlijk leven dan emotie. Vermeer gaat vooral over concentratie, minder over emoties. Emotie en concentratie zijn twee heel verschillende dingen. Emotie komt uit het hart, concentratie zetelt in de ziel. Hersenwetenschappers wijzen ook afzonderlijk gelegen locaties in ons brein aan, die verantwoordelijk zijn voor concentratie en emoties.

 “DEEP WORK CHAMBER”-  het intieme huiskameratelier van Johannes Vermeer en René Magritte als een Deep Work Chamber van concentratie.

Johannes Vermeer en de surrealistische schilder René  Magritte hebben gemeen dat ze beiden in één hoek van dezelfde huiskamer in alle rust en concentratie hun nu beroemde meesterwerken schilderden. In wat de Amerikaanse schrijver Newport zou omschrijven als een “Deep Work Chamber”.

Vermeer aan de Oude Langendijk in Delft in het woonhuis van zijn schoonmoeder Maria Thins, waar hij met zijn vrouw Catharina en zijn kinderen inwoonde. Magritte met zijn vrouw Georgette in een benedenwoning in de Rue Esseghem 135 in Jette, een voorstad van Brussel.

Newport legt in zijn boek “Deep Work” de nadruk op het belang  van diepe concentratie en een vaste stille werkplek van een kamer zonder afleidingen.  In een steeds meer overprikkelde, schreeuwerige en verstrooide wereld. Deep Work versus Shallow Work.

Johannes Vermeer – “De Astronoom”, 1668, Musée du Louvre, Parijs

In de intieme beslotenheid van zijn studeerkamer richt de Astronoom zijn onderzoekende blik op de onmetelijke weidsheid van het universum, vervat in die prachtige hemelglobe van Hondius uit 1618, op zichzelf al een prachtig kunstwerk.

Vermeer en de surrealistische schilder René Magritte vonden beiden hun ideale vaste stille plek voor concentratie in één hoek van dezelfde huiskamer. Een soort kamer die de Amerikaanse schrijver Sal Newport (zie verderop in deze blog) zou omschrijven  als een “Deep Work Chamber”.

De kleine eetkamer met schilderezel, Maison Magritte, Rue Esseghem 135, Jette-Bruxelles

Net als Vermeer schilderde de Belgische surrealist René Magritte zijn meesterwerken in de intieme beslotenheid van zijn eigen kleine huiskamer en reizen mensen nu de wereld over om ze te zien. Een schilderezel, stoel en bijzettafeltje bij het raam naast de eettafel in de eetkamer. Meer had hij niet nodig.

Salonkamer, Maison Magritte, Rue Esseghem 135, Jette-Bruxelles

In deze salonkamer van hun benedenverdieping-woning ontving Magritte met zijn vrouw Georgette hun gasten, waaronder de dichter Éluard en andere kunstenaars van de surrealistische stijl. Hier hielden ze ongetwijfeld lange filosofische gesprekken over de relatie tussen woorden en beelden. Schilderen deed Magritte alleen in dat kleine hoekje bij het raam in de eetkamer naast de eettafel…..

Op 26 juli 2025 maakte ik met mijn theaterzus Teresa en haar man Herman een dagtrip naar Brussel naar het Musée Magritte aan het Place Royale en het Maison Magritte in de Rue Esseghem 135, waar hij de benedenverdieping bewoonde met zijn vrouw Georgette. Wat me daar trof was zijn heel eenvoudige, kleine “huiskamer-atelier”, in de eetkamer naast de eettafel, bij de deur van het piepkleine keukentje. Een stoel, een schilderezel en een bijzettafeltje bij het raam was alles wat hij nodig had om te schilderen. Zijn surrealistische beelden hadden zich al uitgekristalliseerd in zijn hoofd. Hier schilderde hij gedurende ruim 20 jaar zo’n 800 werken, die nu in de grote musea over de hele wereld bewonderd worden.

René Magritte heeft sinds juni 2009 een eigen museum in Brussel aan het Place Royale, onderdeel van het Musée des Beaux Arts. Hier hangen veel werken uit dat kleine intieme huiskamer-atelier….. Het museum herbergt de grootste collectie werken ter wereld van de beroemde Belgische surrealistische kunstenaar.

Hieronder een aantal bekende werken van Magritte. Ze zijn gewoon geschilderd naast de eettafel in de eetkamer van de benedenwoning van de Rue Esseghem 135 in Brussel. Echte concentratie en creativiteit heeft geen groot en duur atelier nodig. Zijn schilderijen zaten al in zijn hoofd.

René Magritte – “La Grande Famille”, 1963

De grote vogel met de serene, kalme wolkenlucht rijst op boven een donkere, woeste zee en wolken, om de complexe aard van “de familie” te verbeelden. Het schilderij laat de tegenstelling zien tussen de schijnbare sereniteit van de heldere wolkenhemel-binnenkant van de vogel en de stormachtige buitenwereld om hem heen. Het beeld staat symbool voor hoe de famile tegelijk een bron van stabiliteit als van strijd kan zijn. De familie kan voor een gevoel van verbondenheid en liefde zorgen, maar tegelijk ook in conflict komen met de individuele drang naar vrijheid, onafhankelijkheid en zelfverwerkelijking van familieleden.  Dit kan tot tweespalt en het uiteenvallen van de familie leiden.

Eigen fotowerk: “Degas balletdanseres in zonlichtinterieur”.

Persoonlijk vind ik dat het Magritte-schilderij “La Grande Famille”  in de Chinese kamer in het Landhuis Oud Amelisweerd en met Anouk als mooi jong Degas-ballerina model een intrigerend element inbrengt in deze fotomontage van mijn eigen hand. De Magritte voegt iets raadselachtigs toe. Het schilderij kwam in me op als herinnering aan een oude grote liefde van mij, Christine in München, waar het als affiche op de deur van haar studentenkamer in de Augustenstrasse hing.

Wat mij aanspreekt in Magritte is de poëtische en raadselachtige zeggingskracht van zijn werken: zo’n blauw-witte lucht met wolken in de uitgespaarde vorm van een vogel, alsof je vanuit een woeste zee en donkere lucht door een opening naar een kalme wereld met een kleurrijk helder licht kijkt, alsof je zo op de vleugels van de vrijheid de hemel in kunt vliegen…… De  titels van zijn werken voegen een ongerijmde poëtische zeggenskracht toe aan zijn schilderijen. Verrassend en mysterieus. Magritte was een meester van het beeld én het woord. Een schilderende woordkunstenaar.

Magritte stelde zich de vraag wie er het hoogst in de hiërarchie van de kunst staat: de dichter of de kunstschilder ? Het woord of het beeld ? Hij ontwikkelde een geheel eigen beeldtaal die de werkelijkheid ter discussie stelt  en de grenzen opzoekt van wat nog met woorden te zeggen is en wat niet meer. Onder invloed van de dichtkunst, schilderde Magritte in 1927 zijn eerste “woord-schilderijen”.  Ook gaf hij zijn schilderijen bewust een ongerijmde titel mee, die geen enkele logische connectie heeft met het geschilderde beeld. Hij daagde het idee uit dat beelden meer zouden zeggen dan woorden. Magritte zet ons aan het denken over de relatie tussen beeld en woord. Hij hield er niet van om de betekenis van zijn schilderij-titels nader uit te leggen. “Het mysterie is een sleutel zonder slot of een slot zonder sleutel”.

De kwestie van de relatie tussen woord en beeld is actueel gewoorden bij de ontwikkeling van Artificial Intelligence, waar je met woorden of tekst ( een “prompt”) beelden kunt genereren. Is dat nog wel “kunst” ? En zal die ontwikkeling een vloek of een zegen blijken te zijn ?

René Magritte – “La Décalcomanie”, 1966, Centre Pompidou, Paris

Het schilderij beeldt twee mannen met bolhoeden af: de een als een gewone realistisch weergegeven figuur, de ander als een doorzichtig silhouet waardoorheen een wolkenlucht en een oceaan te zien is.

Het oproepen van vragen over de grenzen tussen werkelijkheid en illusie, is een typisch kenmerk van het surrealisme. Door met een “transfer techniek” een zichtbare en onzichtbare man af te beelden, die de innerlijke en uiterlijke wereld van de kunstenaar symboliseren, ontstaat een gevoel van mysterie. Door de figuur een soort van lens te laten worden, waardoorheen de verborgen wereld erachter zichtbaar wordt.

Een beeld dat wonderlijk wel past bij Vermeer en de lens van zijn Camera Obscura. Vermeer schildert zichzelf weg, om te kunnen laten zien wat door de lens van zijn camera obscura zichtbaar wordt: een andere, nieuwe werkelijkheid.

René Magritte, “La Robe du Soir”, 1954 René Magritte,  “Le Maître d’école”, 1954

Een eenzame figuur op de rug gezien zonder gezicht onder een maansikkel in een leeg nachtlandschap roept associaties op als identiteit, het grote onbekende, en de waarneming van de kijker.

De figuur roept een gevoel op van een eeuwig geheim en innerlijke contemplatie. De titels van Magritte schilderijen zijn bewust onlogisch en ongerijmd, om een poëtische sfeer op te roepen, en zeker niet om de letterlijke betekenis uit te leggen. Backshots zijn heel suggestief en raadselachtig. Als fotograaf ben ik een groot fan van backshots, ze laten iets te raden over.

René Magritte – “Le Faux Miroir”, 1928, Museum of Modern Art, New York

Een schilderij van een sterk vergroot menselijk oog waardoorheen een heldere wolkenlucht zichtbaar is. De titel suggereert dat het menselijk oog een “Valse Spiegel” is, die geen betrouwbare objectieve weerspiegeling weergeeft van de waargenomen buitenwereld. In plaats daarvan filtert en interpreteert  het de werkelijkheid van binnenuit via de subjectieve lens van de menselijke geest. Het schilderij onderzoekt de verbinding tussen innerlijke visie en onze waarneming van de buitenwereld. Tussen wat we willen zien en wat we feitelijk zien. Het oog als symbool voor de oneindige ruimte en onbegrensde werelden van de menselijke waarneming en verbeelding.

René Magritte – “La Décalcomanie”, 1966, Centre Pompidou, Paris

Een man met bolhoed kijkt naar het schilderij “La Décalcomanie” van Magritte van een man met bolhoed. Een soort “Droste”-effect……

René Magritte – “La Reproduction Interdite”, 1937, Museum Boijmans van Beuningen, Rotterdam

Dit schilderij toont een man zonder identiteit, doordat het spiegelbeeld in de spiegel alleen zijn achterhoofd laat zien en niet zijn gezicht. Zo creëert hij een visuele ongerijmdheid en tegenspraak, die onze vooronderstellingen in twijfel trekt over hoe spiegels en de werkelijkheid  werken. Schijnbare alledaagse scenes als deze roepen vragen op over onze waarneming en onze eigen identiteit. Over zichtbaar en tegelijk onzichtbaar zijn.

Johannes Vermeer – “The Music Lesson”, 1662-5, Royal Collection, Londen.

René  Magritte – “La Leçon de musique”, 1965, Musée Magritte, Bruxelles

De Muziekles van Vermeer beeldt een realistische scene af van een interieur met een dame die een virginaal bespeelt met een heer. Een zorgvuldig in elkaar gezette compositie in licht, kleur en perspectief. Of het hier daadwerkelijk om een muziekles gaat, blijft overigens ongewis en die dubbelzinnigheid geeft het schilderij een subtiel raadselachtige en mysterieuze sfeer.

Magritte schilderde een surrealistisch beeld door vervormde beeld-elementen (oor en klokje) in een onlogische combinatie samen te voegen. Zo ontregelt hij onze vertrouwde zintuiglijke waarneming van de werkelijkheid en daagt hij ons uit. En roept hij daarmee een gevoel van mysterie op. Als in een Japanse haiku horen we als het ware het geluid van een klokje : die éne zuivere toon die klinkt in de stilte. Magritte zoekt de grenzen van het irrationele op en daagt de beschouwer uit om vragen te stellen bij wat hij ziet.

René Magritte – “L’Empire des Lumières”, 1954, Musées Royaux des Beaux Arts, Brussel

In het poëtisch realisme van Magritte kunnen dag en nacht tegelijk aanwezig zijn in een scene, die in werkelijkheid onmogelijk zo kan bestaan. Een straatlantaarn verlicht een huis in de donkere nacht onder een stralend heldere wolkenhemel van midden overdag. Alsof dag en nacht tegelijk op hetzelfde moment kunnen bestaan. Magritte wilde met dit schilderij een mysterieuze sfeer oproepen en vragen oproepen bij onze waarneming van licht en werkelijkheid. Hij was erg tevreden over dit schilderij, want hij heeft er meerdere versies van geschilderd. De lichtblauwe lucht met witte wolken is een kenmerkend, steeds terugkerend beeldelement in de beeldtaal van Magritte.

Salvador Dali – “Selfportrait from Behind with Gala Reflected in Mirror”, 1972, Dali Museum in Figueras, Spain.

De Spaanse surrealist Salvador Dali was een groot bewonderaar van Vermeer en Magritte. In dit schilderij vermengt hij het koele daglicht/raamlicht van Vermeer met de backshot-poses met een spiegel van Magritte. Dali bewonderde Vermeer (en Velazquez) om hun fabelachtige schildertechniek en mischien ook wel omdat hij zag dat in een Vermeer-schilderij het schilderen van het licht zelf al voldoende kan zijn om een andere wereld op te roepen. Het mysterie voelbaar aanwezig te laten zijn.

Ralf Heynen, een Nijmeegse schilder van concentratie.

Ralf Heynen is een kunstschilder uit Nijmegen, die ook een liefhebber is van Johannes Vermeer. In zijn vroege werk heeft hij enkele pastiches geschilderd naar Vermeer en schilderijen van een  jonge vrouw bij het raam, waarvoor een andere Nijmeegse kunstschilderes Judith Steenkamer als model poseerde.

Tegenwoordig heeft Ralf Heynen zijn schildertechniek sterk verbeterd. Hij heeft  zich gespecialiseerd in fotorealistische schilderijen van jonge vrouwen in de natuur, spelend in het water bij het strand. In deze schilderijen is in hun poses duidelijk te zien dat ook hij gegrepen is door het thema concentratie, zoals bij Vermeer het geval is. Hij heeft er zijn eigen niche in gevonden, door geen interieurs meer te schilderen, maar buitentaferelen in de natuur. Pirrouetter sur une idee: mooie jonge meisjes en vrouwen in kringelend water als kringen van aandacht en concentratie..

Deze schilderijen ogen als “nageschilderde foto’s”, wat past binnen de stijl van het Fotorealisme. In een  Vermeer is naast diens  “fotorealistische look” echter ook sprake van een uiterst geraffineerd in elkaar gezette compositie van vlakverdeling, perspectief, licht-donker en kleur. Vermeer geldt dan ook als een god in het pantheon van de schilderkunst. Daar moet niemand zichzelf mee willen vergelijken. Knap van Ralf Heynen is dat hij Vermeer heeft losgelaten en op zoek is gegaan naar zijn eigen onderwerp en schilderstijl. En toch dat element van concentratie van Vermeer heeft meegenomen om toe te passen in zijn eigen werk.

“DEEP WORK” OR MONOMANIA ?

Boek `Deep Work` van de Amerikaanse schrijver Sal Newport, New York, 2016

Tentoonstelling `Monomania` van Fiona Tan in Rijksmuseum Amsterdam in 2025.

De Amerikaanse schrijver Sal Newport legt in zijn boek “Deep Work” de nadruk op het belang  van diepe concentratie temidden van de in deze tijd  steeds meer overprikkelde, chaotische en verstrooide wereld. Deep Work versus Shallow Work. Vermeer en de surrealistische schilder Magritte schilderden beiden in één hoek van dezelfde kamer hun nu beroemde meesterwerken, in wat Newport zou omschrijven als een “Deep Work Chamber” van concentratie.

Die intense concentratie op één onderwerp kun je positief zien, als een uniek talent, als “Deep Work”, of negatief,  als een psychiatrische aandoening, als “Monomania”. Persoonlijk zie ik het als twee kanten van dezelfde medaille, als wat Wim Kayzer noemt “”Een Schitterend Gebrek”. Een handicap, die juist een talent, een gave tot expressie laat komen.

Zo ben ik persoonlijk behept met een van kind af aan aangeboren slechthorendheid, maar dat heeft me juist ook leren houden van de taal van de stilte. De Stille Kracht. Vermeerschilderijen lijken op serene scenes van licht, als het ware liefdevol gekoesterd onder een onzichtbare glazen stolp van stilte. Juist door dat ene gebrek voel ik mij van nature al mijn leven lang aangetrokken tot de stille schoonheid van Vermeer.

Hieronder enkele behartenswaardige en actuele adviezen voor Deep Work-concentratie uit het boek van Cal Newport, die je overigens ook door gewoon goed te kijken indirect uit de schilderijen van Vermeer zou kunnen halen. Voor iedereen, die ondanks de snelle verstrooide en snel veranderende wereld van deze tijd op zoek is naar kwaliteit en echt iets bijzonders en blijvends wil proberen neer te zetten in zijn of haar werk.

De bottom line van Cal Newport’s boek: Deep Work is een soort mindset om je concentratievermogen en aandacht te trainen en onnodige afleidingen te vermijden, op zoek naar kwaliteit in een steeds sneller veranderende wereld.


1/ DEEP WORK CREËERT KWALITEIT
In een wereld vol afleidingen, is het vermogen je goed te kunnen concentreren zeldzaam geworden en juist aandacht en concentratie heb je nodig om werk van hoge kwaliteit en waarde te kunnen maken.

2/ SHALLOW WORK IS EEN VALKUIL
Emails, afspraken, en multitasking  houden je wel heel druk bezig, maar zijn in wezen niet productief. Ze nemen tijd en aandacht in beslag, die je beter kunt besteden aan werk van betekenisvolle kwaliteit, die er wel echt toe doet.

3/ CULTIVEER EEN DEEP WORK ROUTINE
Hou specifieke dagelijkse tijdsblokken vrij, zonder afleiding, waardoor je je aandacht beter kunt concentreren op wel uitdagende werkzaamheden.


4/ ELIMINEER AFLEIDINGEN
Scherm je concentratie af door nee te zeggen tegen onnodige afspraken en vergaderingen, het beperken van sociale media, en notificaties uit te zetten.

5/ OMARM DE VERVELING
Weersta de drang om constant geprikkeld te willen worden. Je geest rustig en aandachtig laten rondzweven versterkt je vermogen je te concentreren.

6/ LEER PRIORITEITEN TE STELLEN
Niet alles is dringend en belangrijk.  Steek je tijd, aandacht  en energie in werkzaamheden die in lijn liggen met je echte eigen en hogere doelen.

7/ WERK MET EEN DOEL
Definieer van te voren je concrete doelen voor elke  deep work sessie om op koers te blijven en je eigen momentum en workflow te behouden.


8/ DE KRACHT VAN MONOTASKING
Concentreer je op één taak tegelijk. Multitasking versnippert je aandacht en vermindert je effectiviteit.


9/ ZORG DAT JE MOEILIJK TE BEREIKEN BENT
Stel grenzen aan je beschikbaarheid en bereikbaarheid. Minder onderbrekingen zorgen voor meer tijd en aandacht voor concentratie en “deep work”.


10/ DEEP WORK IS EEN AMBACHT
Concentratie en aandacht is als een spier. Oefen die spier geregeld om je vermogen tot concentratie sterker te laten worden en in conditie te houden.

Shallow work is gewoon wat rondlopen en glinstersteentjes oprapen die je zo aan de oppervlakte kunt vinden. Ze glinsteren, ze lijken op diamantjes, maar zijn het dus niet. Het zijn goedkope shiny objects. 

Deep work daarentegen vereist diep en tijdrovend graafwerk, want de echte diamanten liggen niet voor het oprapen aan de oppervlakte. Alleen al om uit te zoeken wáár je de diepte in moet gaan om te gaan graven, vereist veel concentratie. Het concept doet me ook denken aan het Australische tv-programma Aussie Gold Hunters. Je hebt de prospectors die met een metaaldetector over een veld lopen en de piepkleine gold nuggets aan de oppervlakte vinden en oprapen.. Maar om de echte grote gold nuggets te vinden, daar moet je dieper voor graven en weten waar je moet graven. En dan nog is er daarbij die ene allesbepalende, soms gekmakende, factor van geluk. Zo is het ook in de kunst. Kunstenaars met een bescheiden talent ontwikkelen zich door deep work of door een plotselinge lucky break tot grote meesters en geniale wonderkinderen blijven zich ondanks hun grote talent tevreden stellen met  de snelle successen van shallow work, en ontwikkelen zich dus verder niet meer.

Jan van Goyen, de 17e eeuwse genreschilder van Hollandse stadsgezichten schilderde honderden stadsgezichten, waaronder alleen al 28 van de stad Rhenen en meer dan 30 van Nijmegen.

Vermeer schilderde slechts één stadsgezicht: maar dat is dan wel volgens velen het mooiste stadsgezicht ooit geschilderd: Het  Gezicht op Delft uit 1659.

Van Goyen is op zichzelf een beroemde genre-schilder van stadsgezichten uit de 17e eeuw. Een onbetwiste meester van het genre, maar Vermeer overtreft hem met één enkel schilderij op zijn eigen terrein. Kwaliteit verslaat kwantiteit.

Het beoordelen van de stadsgezichten van Van Goyen als “shallow work” doet hem natuurlijk veel te kort, maar Vermeer’s Gezicht op Delft is van een totaal andere orde. De Duitse kunsthistoricus Friedländer beschouwde Vermeer temidden van de Hollandse genreschilders als “een nachtegaal onder de mussen”.

In de psychologie is het een bekend gegeven dat obsessieve monomania zich vaak ontwikkelt vanuit een onderliggende diep-traumatische ervaring. Bij dat ene Gezicht op Delft van Vermeer is dat onderliggende trauma direct aanwijsbaar: de “Delftse Donderslag”, de ontploffing van het Delftse kruitmagazijn in 1654. Onder de vele dodelijke slachtoffers bevond zich ook de grote schilder Carel Fabritius, die een groot voorbeeld was voor Vermeer. Het Gezicht van Delft heeft een raadselachtige intense uitstraling, als van een stad die net uit de dood is herrezen. Vermeer wilde niet als van Goyen een veelvoud van stadsgezichten schilderen van Nijmegen, Rhenen, Dordrecht, Leiden, Den Haag. Hij wilde juist die ene stad op haar allermooist schilderen, zijn stad, Delft. Zijn stad als zijn eigen mooie vrouw, van wie hij zielsveel hield. En die liefde is voelbaar in het Gezicht op Delft. Van Goyen schildert oneerbiedig gezegd mooie ansichtkaarten, Vermeer een intense liefdesverklaring. Monomania, misschien ja, maar wat voor een monomania ! Ik noem het gewoon liefde.

De tentoonstelling “Monomania” van Fiona Tan in het Rijksmuseum in 2025  legt de nadruk op “Monomania” als een psychiatrisch ziektebeeld. Pathologisering. Ik houd daar eerlijk gezegd niet zo van.

In de 19e eeuwse psychiatrie werd monomania (van het Griekse woord  monos, “één”, en mania, dat  “waanzin ” of “razernij” betekent) gezien als een vorm van een gedeeltelijke krankzinnigheid, opgevat als  één enkele psychologische obsessie in een voor het overige gezonde geest.

Monomanie kan worden getriggerd door een onderliggend psychisch trauma uit het verleden. Emotionele verwaarlozing als kind, ouders met een “incompatibilité des humeurs”, een onveilige gezinsituatie, gebrek aan aandacht in een groot gezin met (te) veel kinderen, traumatische jeugdervaringen.

Monomania is overigens een tegenwoordig achterhaald begrip uit de 19e eeuwse psychiatrie voor een op één onderwerp of persoon gerichte obsessie of fixatie. Wat dan te denken van Degas met zijn balletdanseressen, Morandi met zijn potjes en flessen, Vermeer met zijn meisjes bij het raam, Hitchcock met zijn koele jonge blonde vrouwen, Schliemann met zijn Troje, Howard Carter met zijn Toetanchamon-farao graftombe ?  Juist hun monomane obsessie maakte dat ze zich zo goed op één onderwerp konden concentreren en zo verschrikkelijk goed konden worden op hun eigen terrein, dat ze verder durfden gaan dan de rest en dat nu niemand meer om hen heen kan.

Die obsessie zit ook in de song “Every Breath You Take” van Sting/The Police, die gaat over een obsessieve liefde. Of in de getourmenteerde schilderijen van Vincent van Gogh. Juist die obsessie van bepaalde kunstenaars geeft hun werk die unieke “haunting quality”, waardoor ze juist zo diep bij je binnenkomen en je altijd bij zullen blijven. Obsession is not a 9 to 5 job, it’s a 24/7 passion.

De recente publicatie “Closer to Vermeer” van het Rijksmuseum, als verslag van een Vermeer symposium in 2023, laat goed de huidige trend in het kunsthistorisch Vermeer-onderzoek zien: “feiten verzamelen”. Technisch onderzoek van de schilderijen, linnen draden tellen, loodwit-isotopen identificeren, hi-tech scanners die elk chemisch element in het schilderij apart zichtbaar  kunnen maken, pentimenti, details die Vermeer later weer overschilderde, zichtbaar maken. “Feiten, en niets dan de feiten”.

De vooraanname van deze technische benadering is dat ze ons dichter bij Vermeer zou brengen, maar is dat wel echt zo ? Brengen feiten alleen ons dichter bij waar het bij Vermeer echt over gaat ? Voelen we ons dichter bij het Melkmeisje, nu we weten dat Vermeer aanvankelijk een rek met kannen aan de muur achter haar figuur en een mand naast haar schilderde ? We houden niet van Vermeer door de feiten die hij schilderde,  maar door de artistieke verbeelding en zeggingskracht van die feiten. Die verstilde toewijding en concentratie. Of zoals Nietzsche het formuleert: “er zijn geen feiten, alleen maar interpretaties”. Met wetenschappelijke feiten alleen kun je Vermeer ook kapot analyseren. Zodat de ware schoonheid van Vermeer verloren dreigt te gaan in een mist van feiten. Wetenschap gaat over feiten, kunst gaat over meer dan feiten, kunst gaat over verbeelding. En feiten alleen – hoe interessant ook – kunnen de verbeelding verstikken en de ware schoonheid aan het oog onttrekken.

Johannes Vermeer, “La Dentellière”, 1670, Musée du Louvre, Parijs.

(betwiste toeschrijving aan) Johannes Vermeer, “Dame aan Klavecimbel”, 1672, Leiden Collection, New York.

Een voorbeeld: al die aandacht op zoek naar feiten om de toeschrijving aan Vermeer van dat kleine Klavecimbelspeelster-schilderijtje uit de Leiden Collection in New York ondersteund te krijgen. Terwijl zelfs een leek al van verre kan zien dat het  – ook in mijn ogen – een zielloos, heel matig geschilderd niemendalletje is. Alles wat de Dentellière van Vermeer wel heeft, heeft dit werkje niet. Als dit al een eigenhandige Vermeer zou zijn, dan is het de slechtste die hij ooit maakte, een mislukte Vermeer.  Geen enkele echte Vermeerliefhebber zal dit werk echt in zijn of haar hart willen sluiten. Het voelt niet als een Vermeer. Het heeft geen ziel, geen echte concentratie.  Het kostuum is “clumsy”, nergens zijn de sprankelende Vermeer-pointillé’s te bekennen, geen “Schmelz”, niet die vloeiende trefzekere verftoetsen, zo kenmerkend voor Vermeer. Het is trekkerig, droog, onhandig en matig geschilderd. Het perspectief overtuigt niet, er zit geen diepte in, de compositie is niet sterk in elkaar gezet  en mist raffinement. Werkelijk nergens zie ik er de meesterhand van Vermeer in.  Het geel is ook niet dat zuivere citroengeel van Vermeer. De schaduwpartijen zijn te hard en kleurloos. En er zit ook geen enkel onderliggend idee, symboliek of gedachte achter, ze zit ons maar wat schaapachtig aan te kijken, zonder omringende duidende context. Het is een zwakke echo van de Zittende Klavecimbelspeelster in de National Gallery in Londen. Het zou een feit zijn, dat het “van dezelfde rol linnen komt als de Dentellière van Vermeer”. Maar is het daarmee “dus” een Vermeer, laat staan een móóie Vermeer ? In mijn ogen niet dus. Louter dit soort feiten verzamelen brengt ons niet dichter bij de schoonheid van Vermeer. Het leidt tot “overinformatie”. En niet tot waarom we van Vermeer houden. “Feiten verzamelen” is niet genoeg, hoe boeiend het ook kan zijn. Schoonheid ervaren is meer dan een verzameling feiten in een boek.

In termen van Sal Newport: De Dentellière is Deep Work, het Leiden Collection werkje is Shallow Work. Alleen Vermeer kan de Dentellière geschilderd hebben. De Leiden Collection Klavecimbel-speelster zou elke middelmatige kunstschilder geschilderd kunnen hebben. De Dentellière is een diamant. Het Leiden Collection werkje een glinsterend stukje glas. Ze zeggen dat liefde blind maakt, maar het grote geld doet dat kennelijk ook.

Het heeft niets van wat de Dentellière van Vermeer zo “Vermeer” maakt. Juist die concentratie ontbreekt hier volkomen. Ik heb het zelf als een dissonant ervaren in de unieke Vermeer-tentoonstelling in het Rijksmuseum in 2023. Aan de reacties van vele andere “meewarig met hun hoofd NEE schuddende” bezoekers en liefhebbers te zien, was ik niet de enige…… Jonathan Janson van Essential Vermeer sprak ik op de tentoonstelling erover aan, en hij zag er ook in geen enkel opzicht een echte Vermeer in. Op zijn website geeft hij een goed beargumenteerde stellingname tegen deze op te weinig overtuigende feiten gebaseerde toeschrijving aan Vermeer.

Fiona Tan, “Janine’s Room”, Video Still, 2024

Fiona Tan, “Janine’s Room”, Video Still, 2024

Stills uit een video/installatie “Janine´s Room” uit 2024 van Fiona Tan in de tentoonstelling “Monomania” in 2025 in het Rijksmuseum Amsterdam. Een gordijn als repoussoir, een op de rug geziene figuur en een lezende vrouw en profil doen erg denken aan de poses van de vrouwen van Vermeer. Concentratie poses leveren altijd de mooie beelden op, waar ik van hou.

De video-installatie “Janine’s Room” suggereert op subtiele wijze dat het werk van een kunstenaar, of de studie van een wetenschapper, of elke andere vorm van een enkelvoudige obsessie een eigen vorm van monomania kan zijn. Fiona Tan geeft de voorkeur aan deze meer humane manier van kijken naar obsessie of monomania.

De tentoonstelling richt zich echter vooral op de psychiatrisering en pathologisering van “Monomania” in de 19e eeuw. Een overigens al lang achterhaalde diagnose in de moderne psychiatrie.

Théophile Thoré-Bürger, titelblad met gravure van zijn eerste artikel over Vermeer in de Gazette des Beaux Arts, 1866

Welbeschouwd lijden bijna alle echte Vermeer-liefhebbers aan een vorm van obsessieve liefde, monomania en escapisme.

Théophile Thoré-Bürger (1807–1869), dé grote herontdekker van Vermeer,  was ook zo’n monomane Vermeer liefhebber. Zijn levenslange obsessie met Vermeer begon toen hij voor het eerst oog in oog stond met Het Gezicht op Delft in Den Haag,  het enige schilderij dat destijds nog wel op naam was blijven staan van Vermeer.  Daarna ging hij als een bezetene op zoek naar meer schilderijen van Vermeer, die nog verborgen moesten zijn in privé collecties verspreid over heel Europa. Deze Vermeers waren inmiddels door kunsthandelaren met twijfelachtige motieven (geld) aan andere, in die tijd dus beter verkopende, genreschilders toegeschreven en verkocht als een Metsu of De Hooch. Zo wist hij vele werken van Vermeer op te sporen en de juiste toeschrijving aan Vermeer toe te kennen. In deze monomane obsessie voor Vermeer draafde hij overigens wel een beetje door en ging hij ook een Vermeer zien in werken van een toch beduidend minder begaafde meester als Jacobus Vrel. Het leadbeeld van zijn eerste artikel over Vermeer is ironisch genoeg een Vrel, geen Vermeer ! Toch zijn vriend en vijand het erover eens dat de rise to fame en de sterrenstatus, die Vermeer heden ten dage geniet, juist begint met die obsessieve, monomane liefde voor Vermeer van de Fransman Thoré-Bürger.

Met de nodige zelfspot en zelfkennis erkent hij zijn “monomania” zelf met zijn eigen woorden in zijn geschriften:

“This obsession has caused me considerable expense. To see one picture by van der Meer, I traveled hundreds of miles; to obtain a photograph of another van der Meer, I was madly extravagant”

“My picture mania relates above all to works which can help with my historical researches. I have already collected some paintings that are interesting from this point of view, and I will end up by having a rather unusual gallery of bric-à-brac.”

Thoré-Bürger was zich wel degelijk bewust van zijn monomania voor Vermeer, maar ging er ook wel prat op. Ook hier was er juist een “crazy one” nodig om de destijds verborgen geraakte parels van Vermeer aan de vergetelheid te onttrekken en aan het licht te brengen.

Dezelfde monomane passie voor Vermeer voel ik bij Jonathan Janson, schilder en webmaster van de onvolprezen website “Essential Vermeer”. Ik heb een zwak voor dat soort private Vermeer-liefhebbers.

Persoonlijk heb ik zelf ook wel eens van museumprofessionals het etiket opgeplakt gekregen van monomaan met Vermeer bezig te zijn, maar ik heb me dat eerlijk gezegd persoonlijk nooit aangetrokken. Ik heb mezelf  juist altijd sterk verbonden gevoeld met de loners, de solisten, de Einzelgängers en relatieve outsiders als Thoré Bürger,  Jonathan Janson, Philip Steadman, Tim Jennison, John Michael Montias, waar het Vermeer betreft.  Museumprofessionals moeten het vooral van hun netwerken en teamwork binnen hun veilige incrowd hebben, vanuit hun positie binnen een gerenommeerd museum.

Als voormalig professioneel museumfotograaf “I’ve looked at it from both sides now”. Van buitenaf en van binnenuit.  Misschien is de kritiek van museumprofessionals op “Vermeer-solisten” ook wel een reactie op de doorgeschoten individualisering in onze samenleving, waarin iedereen zich in zijn eigen bubble een genie waant. Daar hebben ze ook wel weer een punt. Toch zijn het vaak juist solisten en outsiders geweest, die in de loop der jaren met een nieuwe interessante invalshoek en kijk op Vermeer gekomen zijn. Die door hun monomane gedrevenheid en onafhankelijkheid soms juist een verschil konden maken. Overigens is de website Essential Vermeer van Jonathan Janson inmiddels zo goed geworden, dat zelfs museumprofessionals er niet meer omheen kunnen en er graag gebruik van maken voor hun projecten.

Op YouTube zijn deze video’s te zien die de beide kanten van de medaille die “monomania” heet, illustreren.

Hier is de Think Different videoclip van Apple te zien – een ode aan de “monomania” van de eenling : “Here’s to the crazy ones …….”

Eveneens op YouTube is deze slotscene uit de meesterlijke film “Amadeus” van Milos Forman over Mozart en Salieri te zien, “The Patron Saint of Mediocrity, Amadeus”:

Leonardo da Vinci, “Vitruvian Man”, 1490

Tegenover de monomania staat het ideaal van de Homo Universalis van Leonardo da Vinci. Het universele genie, dat op veel uiteenlopende terreinen uitblinkt en steeds geniale nieuwe dingen bedenkt. Leonardo was inderdaad geniaal, maar critici van zijn tijd hadden ook een punt, dat hij maar al te vaak zijn werk niet afmaakte, omdat hij zich alweer op een nieuw idee en project stortte. Vermeer is de tegenpool van Leonardo: Vermeer was een man van weinig ideeën, die zich juist concentreerde op één genre van interieurschilderijen en daarin de hoogst mogelijke kwaliteit in de voltooiing ervan nastreefde. Vermeer was naast kunstenaar nog deels een ambachtsman, die zich een uitzonderlijk hoge kwaliteit van uitvoering en vakmanschap in zijn schilderkunst ten doel stelde.

Zoals een meester-vioolbouwer als Stradivarius. Vermeer wilde vooral “heel goed” zijn.  Briljante nieuwe ideeën bedenken liet hij liever aan anderen over. Daar lag niet zijn grootste talent. De enige briljante “Lucky Thought” die Vermeer misschien wel had, was: “hoe kan ik de schoonheid van het lichtbeeld in een camera obscura vertalen in verf, in een schilderij ? “ De optische kwaliteiten van de camera obscura vertalen in zijn geheel eigen schilderstijl.

Dezelfde concentratie en obsessieve nieuwsgierigheid bracht Alice in het kinderboek van Lewis Carroll in haar Wonderland. Door als een bezetene achter de White Rabbit aan te rennen into the rabbit hole en zo in Wonderland te belanden, in een heel andere wereld. Of door de spiegel heen te stappen om in Spiegelland te belanden, waarin alles anders en omgekeerd is aan haar vertrouwde, normale wereld. 

“Alice Through the Looking Glass” – original illustration by John Tenniel, 1864

Johannes Vermeer, “The Music Lesson”, 1662-5 (detail),  Royal Collection, London

Als gepensioneerde Vermeer-liefhebber voel ik mij vrij om mezelf even te verliezen in vrije associatie en zo dwarsverbanden te verkennen tussen de spiegel in de kamer van Vermeer en de spiegel in de kamer van Alice in Lewis Carroll’s beroemde kinderboek “Through the Looking Glass”, dat volgt op “Alice in Wonderland“. Ook hier speelt obsessieve nieuwsgierigheid en diepe concentratie een rol, als portaal om “in een andere wereld”  terecht te komen, net als de schilders Vermeer en Magritte. 

In Through the Looking Glass klimt het meisje Alice door het glas van de grote spiegel boven de schouw in haar vertrouwde woonkamer en komt achter de spiegel in een andere spiegelkamer terecht, waar alles “de andere kant op gaat”. Een andere spiegelland-binnenwereld.

Ook het kijken naar een schilderij van Vermeer geeft mij het gevoel dat ik een andere wereld gezogen wordt, net als Alice in Wonderland en Through the Looking Glass van Lewis Caroll. Bij de “Looking Glass”-spiegel van Lewis Carroll krijg ik de associatie met de glazen lens van Vermeer’s camera obscura, die een ook geheel andere wereld zichtbaar maakt.

Johannes Vermeer, “The Music Lesson”, 1662-5,  Royal Collection, London

In Vermeer-schilderijen spelen spiegels als beeldelement binnen het schilderij ook een rol en waarschijnlijk ook zelfs als optisch hulpmiddel bij het vervaardigen van zijn schilderijen.

Een prominente en intrigerende rol speelt de spiegel in de Music Lesson van Vermeer in de Royal Collection in Londen. De spiegel in de Music Lesson toont een ander, onzichtbaar deel van de kamer. Net als de spiegel waardoorheen Alice in een andere kamer komt, waar alles andersom is: “Spiegelland”.

Het fascinerende bij Vermeer is dat in zijn wereld  het verschil tussen onze eigen vertrouwde wereld en die andere wereld, die hij oproept, minimaal is. Vermeer schildert geen vreemde wereld met surrealistische, niet bestaande fantasiewezens. En toch heb je het gevoel  bij het kijken naar een Vermeer schilderij, dat je in een andere wereld gezogen wordt. Dat is de magie. “Un Mystère en Plein Lumière”.

De spiegel in de Music Lesson laat ook een andere ongerijmdheid zien: in het spiegelbeeld kijkt de dame opzij naar de man, terwijl de op de rug geziene dame recht voor zich uit kijkt.

Achter haar gezicht in het spiegelbeeld laat Vermeer nog een andere intrigerende visuele hint zien: we zien een stuk van een schilderezel, een zitkrukje en een arm, en daartussenin een soort geheimzinnige houten kist. Bevat de kist het geheim van Vermeer ? Is het een verborgen hint naar de camera obscura, die hij gebruikt zou hebben ?

De aard van de werkelijkheid en de waarneming.

Het kinderboek van Lewis Carroll stelt de werkelijkheid en de waarneming ter discussie. De reis van Alice door de Looking Glass World is een reis van individuatie, zelf-ontdekking en zelfkennis. De Spiegel staat voor een metafoor voor de vervormde werkelijkheid die mensen waarnemen en de reis van Alice helpt haar om de ware aard van de werkelijkheid te begrijpen. Het boek legt ook de nadruk op het belang van de verbeelding en creativiteit om de eigen waarneming van de werkelijkheid gestalte en vorm te geven.

Het boek is tevens een metafoor voor persoonlijke groei. Het toont het belang van zelfreflectie, het durven nemen van risico’s, het overwinnen van obstakels, het zetten van stappen en het aangaan van uitdagingen om te kunnen groeien en zich als persoon te ontwikkelen.

“Alice Through the Looking Glass” – original illustration by John Tenniel, 1864

 De rol van de spiegel en dualiteit.

 Spiegels spelen een belangrijke rol in Through the Looking Glass en dienen als symbolen voor dualiteit tussen droom en werkelijkheid. Het boek is gebaseerd op het concept van het spiegelbeeld , waarin alles omgekeerd is. Alice gaat de spiegel binnen en ervaart een wereld waarin alles anders en tegengesteld is aan wat zij kent. De spiegel symboliseert het idee van dualisme, waarin alles twee kanten heeft en niets vanzelfsprekend is.  Dit idee komt ook naar voren in de karakters Tweedledee en Tweedledum, die een identieke tweeling zijn. Zij staan symbool voor de aanname dat alles twee kanten heeft, en dat het een niet zonder het ander kan bestaan. Zo staan de witte en rode koningin ook voor twee kanten van dezelfde medaille als tegengestelde krachten van goed en kwaad.

De spiegel fungeert als een portaal tussen droom en werkelijkheid, dat de vertrouwde eigen kamer transformeert in een vreemd, spiegel-omgekeerd landschap.

De spiegel toont een wereld, gezien door een vervormende lens, waar de regels van de werkelijkheid op z’n kop gezet worden. De logica van de vertrouwde wereld verandert in een fantasiewereld die niet langer beantwoordt aan de regels van de logica. Ook staat de spiegel symbool voor het kijken naar de dingen vanuit een ander perspectief.

De spiegels in Lewis Carroll’s boek en de schilderijen van Vermeer laten zien hoe de spiegel een krachtig hulpmiddel kan zijn om de aard van de werkelijkheid en de waarneming en weergave ervan te onderzoeken. Carroll gebruikt de spiegel als een portaal naar een fantasie-wereld, terwijl Vermeer in zijn schilderijen spiegels gebruikt om visuele effecten te creëren en de kijker te verleiden om de afgebeelde scene vanuit een ander standpunt te bekijken. Beide kunstenaars, elk op hun eigen manier, nodigen ons uit om dieper en verder te kijken dan die ene eerste oppervlakkige indruk en te mediteren over de diepere betekenissen die verborgen liggen in de weerspiegeling en weergave van de werkelijkheid.

Teun Hocks – (zonder titel) , 2000, Museum Het Valkhof, Nijmegen.

Dit fotowerk van Teun Hocks toont de kunstenaar die – net als Alice door haar spiegel – via een schilderij aan de muur in een andere wereld stapt. Het kunstwerk als portaal tussen droom en werkelijkheid. Hocks fungeerde zelf als model in een door hemzelf geënsceneerde fotoshoot en liet vervolgens van de gemaakte foto een groot formaat monochrome fotoprint van afdrukken in zwart-wit. Tot slot schilderde hij met dunne glacislagen in olieverf eroverheen om de door hem gewenste kleuren te verkrijgen.

Zowel in de interieurs van Vermeer als in de verhalen van het kinderboek Alice en Through the Looking Glass van Lewis Carroll speelt het “schaakbord” met het strakke vaste patroon van de witte en zwarte vierkanten een grote rol. Het schaakbord staat voor orde en logisch denken. En voor de vaste rolverdeling, hiërarchie en regels in de samenleving tussen mensen.

Ralph Steadman, “Alice and Through the Looking Glass Chess Board”, print, early 1970’s

Deze iconische Through the Looking Glass BookBench is ontworpen door de Britse cartoonist Ralph Steadman.

Het schaakspel speelt een betekenisvolle rol in Through the Looking Glass, waarbij de wereld aan de andere kant van de spiegel er uit ziet als een enorm schaakbord en is bevolkt door levende schaakspel-figuren. Zelfs de wetten van dit alternatieve universum weerspiegelen de beperkte bewegingsvrijheid van de diverse schaakstukken. Ook Alice zelf is een pion, als het spel daadwerkelijk gespeeld gaat worden. De metafoor van het leven als een spel wordt dus letterlijk verbeeld in dit alternatieve universum. Elke zet in het schaakspel staat voor een beslissing in het persoonlijke leven. En elke zet of beslissing heeft gevolgen, die zowel positief als negatief kunnen uitpakken. De regels van het schaakspel bepalen het gedrag en de keuzes van de karakters.

Het boek onderzoekt ook  hoe macht en hiërarchie werkt door middel van het schaakspel. Het uiteindelijke doel in het schaakspel is om de koning van de tegenstander schaakmat te zetten. Ook in het boek streven de karakters naar macht en dominantie over elkaar. De koningin is in het schaakspel de machtigste figuur en is dat ook in het boek.

Bij Alice staat het schaakspel symbool voor haar reis door het leven, en haar stapsgewijze groei van pion tot koningin. De andere karakters gedragen zich naar hun rol als schaakstuk volgens de regels van het schaakspel. Alice start het schaakspel als pion en moet vele vierkanten van het schaakbord oversteken om uiteindelijk een koningin te worden.  Bij de progressie die Alice boekt door van het ene vierkantje naar het volgende te gaan, heeft ze rekening te houden met vooraf vastgestelde en opgelegde regels en structuren. Deze weerspiegelen de uitdagingen van het opgroeien als kind in het echte leven en het leren begrijpen van de wereld van de volwassenen.

De machtige koningin is altijd in beweging, terwijl de koning de neiging heeft om behoedzaam op zijn plek te blijven, net als hun rol in het schaakspel.

Orde en chaos. Ook is het schaakbord een metafoor van een door vierkanten geordend landschap, dat een gevoel van een vaste orde oproept. Maar het gedrag van de karakters verstoren deze orde, zet het spel in beweging en elke nieuwe zet creëert steeds een verandering en soms chaos.

Johannes Vermeer, “The Music Lesson”, 1662-5,  Royal Collection, London

Vermeer’s schilderijen verheffen het alledaagse in beelden van grote schoonheid door middel van de waarneming, terwijl Through the Looking Glass juist de eigen waarneming van de werkelijkheid ter discussie stelt. De werkelijkheid en de weerspiegeling ervan. Beiden onderzoeken de relatie van de werkelijkheid en haar weerspiegeling, de relatie tussen droom en werkelijkheid. Vermeer doet dit door de visuele weergave van licht en weerspiegeling. Carroll door te verhalen over een andere, gespiegelde wereld.

De spiegel nodigt uit tot introspectie en contemplatie. In de gespiegelde wereld gelden andere regels en een andere logica. Onze waarneming wordt in de spiegel omgekeerd en zet de beschouwer aan tot zelfreflectie. “In these past few days, when I’ve seen myself, I seem like someone else”.

Johannes Vermeer – “The Concert”, 1664, Isabella Stewart Gardner Museum, Boston (Stolen)

Bij Vermeer is de zwart-wit tegelvloer een middel om orde te scheppen in de perspectivische ruimte. En hij gebruikt het als schaakbord om zijn zetstukken precies op de door hemzelf gekozen plek neer te zetten in de ruimte.

In de interieurschilderijen van Vermeer fungeert de zwart-wit tegelvloer als een soort schaakbord, waarop de tafel, de stoelen, de figuren, het klavecimbel, de viola da gamba fungeren als een soort zetstukken. Ook geeft zo’n schaakbord-tegelvloer meer diepte aan het beeld, versterkt het de perspectivische illusie van ruimte.

Net als het schaakspel, dat Alice speelt in het verhaal van Through the Looking Glass, lijkt ook de schaakbord-tegelvloer in de interieurschilderijen van Vermeer een rol te spelen in de strijd tussen orde en chaos. Het schaakspel dat Alice en Vermeer spelen is een metafoor voor het spel van het leven. De thema’s van identiteit, persoonlijke groei en zelf-ontdekking in het kinderboek van Lewis Carroll en het thema van verstilde concentratie in de schilderijen van Vermeer zijn universeel en tijdloos.

Rene Magritte met ‘Femme-Bouteille’ en schaakbord, foto uit 1955.

In de verbeelding van René Magritte was het schaakbord ook een grote inspiratiebron. Net als het schaakbord in Alice Through the Looking Glass van Lewis Carroll en de “schaakbord-tegelvloer” in de interieurs van Johannes Vermeer en Pieter de Hooch. Logica versus verbeelding. Woord tegenover beeld.

Zo fungeert Vermeer ook als een soort van spiegel waarin je als kijker teruggevoerd wordt in de dromen en fantasie van je eigen kindertijd en de zorgeloze, intense overgave waarin je als kind speelde.

Johannes Vermeer – “De Astronoom”, 1668, Musée du Louvre, Parijs

Jeugdfoto met Sterrenkunde-plakboeken, 1965

Tot mijn persoonlijke favoriete Vermeer-schilderijen behoren De Astronoom en de Dentellière van Vermeer in het Louvre in Parijs. In de Astronoom van Vermeer herken ik mezelf als 10-jarige jongen, die helemaal opging in sterren kijken en plaatjes van de sterrenhemel en ruimtevaart verzamelen in plakboeken.

In Vermeer’s Dentellière herkende ik mijn latere vriendin en studente Frans uit mijn studententijd, Ellie. Zelfs haar naam zit in La Dentellière….. We hielden allebei van het boek La Dentellière van Pascal Lainé en de film La Dentellière van regisseur Claude Goretta met de mooie jonge Isabelle Huppert in de hoofdrol. Vermeer schildert ideaalbeelden, Jungiaanse archetypen:  Ik was De Astronoom, Ellie was La Dentellière. Mijn tijd met Ellie en Vermeer was misschien wel de allergelukkigste van mijn leven. We leefden zorgeloos en in alle eenvoud en konden bij elkaar volmaakt onszelf zijn. En op onze vele wekenlange backpacker-kunstreizen door Europa en daarbuiten zagen we onderweg samen de mooiste kunstschatten, waaronder dus de Vermeers in het Louvre in Parijs.

Er gaat niets boven een mooie Vermeer zien samen met je geliefde vriendin, als  elkaars “silent companion”.

Johannes Vermeer – “La Dentellière”, 1670, Musée du Louvre, Parijs

Johannes Vermeer – “De Astronoom”, 1668, Musée du Louvre, Parijs

Mijn meest emotionele ervaring met een Vermeerschilderij  was in 1983 samen met mijn toenmalige vriendin Ellie in het Louvre in Parijs. De Astronoom van Vermeer was zojuist, voor mij toen volkomen onverwacht, vrijgekomen uit de Rothschild privécollectie in Parijs.

Toen stond ik ineens oog in oog met dat originele schilderij van Vermeer met De Astronoom en die diepe concentratie, met Ellie naast me. Je hoort wel eens dat andere mensen in tranen uitbarsten voor een schilderij, tot de tranen ineens in jezelf opwellen in een diepe ontroering, die sterker is dan jezelf.….. Bizar eigenlijk dat een schilderij, dat eigenlijk niet eens over emoties gaat, maar juist over concentratie, je emotioneel zo diep kan raken…… Achteraf denk ik dat ik in de concentratie van De Astronoom van Vermeer mijn diepste zelf zag, mijn oorspronkelijke natuur erin herkende, hoe ik als kind was. Een “Vermeer, c’est moi !”- ervaring.

Daarom blijft Vermeer als een life companion bij me,  waar ik ook ga en wat ik ook doe. Als een visuele soundtrack van mijn leven. Voor mij persoonlijk is de ultieme Vermeer-ervaring samen met mijn geliefde naar een Vermeer kijken. Zoals ik dat als geen ander met Ellie kon. Zij was een “Dentellière”. Zij had van nature al van zichzelf die Vermeer uitstraling.

Johannes Vermeer – “Straatje in Delft”, 1657-58, Rijksmuseum Amsterdam

De spelende kinderen in Vermeers “Straatje in Delft”, het is de enige keer dat hij kinderen opnam in een schilderij. De intense overgave en concentratie in de eigen wereld van hun kinderspel is heel raak getroffen in deze voor Vermeer typerende backshot-pose.

Nietzsche schreef ooit: “Rijpheid van de man, dat is, de ernst te hebben teruggevonden, waarin hij als kind speelde”. Het is een van de grote voorrechten van het pensionado-bestaan, waarvan ik nu mag genieten, dat ik daar nu weer alle tijd en vrijheid voor heb. Zorgeloos spelen en studeren met Vermeer.

Kinderen spelen met een intense concentratie en oprechte ernst, zonder te twijfelen aan de realiteit of het nut van hun spel. Alles is betekenisvol en belangrijk voor hen terwijl ze volledig in hun spel opgaan. De buitenwereld met al zijn regels en verplichtingen bestaat voor hen niet, is volkomen buitengesloten. Het valt me nu ineens pas op, dat ze spelen op een “schaakbord”-tegelvloer voor het ouderlijk huis…..  Toch weer dat schaakbord.

Op YouTube is de psychedelische sixties-song “White Rabbit” van Jefferson Airplane te zien en te horen met de legendarische zangeres Grace Slick, die zelf de lyrics schreef. Dan wordt meteen duidelijk hoezeer zij zich letterlijk liet inspireren door Alice in Wonderland van Lewis Carroll:



“Schilderen met een Lens” – Fotografe Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier en Schilderijen van Johannes Vermeer

Gezien op zaterdag 6 april 2024 in Museum Slager in ’s-Hertogenbosch: Fototentoonstelling “Fotografie met de Schildersziel” van fotografe Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier. Haar werk toont een duidelijke artistieke zielsverwantschap met de schilderijen van Johannes Vermeer, met eenzelfde voorliefde voor een meisje bij het raam in de schoonheid van natuurlijk daglicht, rust, harmonie, verstilling en ingetogen contemplatie. In de expositie is een keuze uit haar “At the Window”-serie te zien alsmede een aantal stillevens, aangevuld met interieurfoto’s van eeuwenoude huizen in zwart-wit.

Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier, “At the Window”, Huis Bartolotti in Amsterdam, 2022. Johannes Vermeer, “Brieflesendes Mädchen am Offenen Fenster”, Gemäldegalerie Dresden, 1658

“Schilderen met een lens”. Van Hövell fotografeert schilderachtige interieurs met haar Hasselblad-camera, Vermeer schilderde zijn interieurscènes met gebruik van een camera obscura.

Van Hövell probeert als fotografe met haar fotocamera de schilderachtige effecten van het licht te vangen op de lichtgevoelige plaat, Vermeer probeerde als kunstschilder de schilderachtige lichtbeelden in zijn camera obscura te vertalen in verf in een schilderij.

Fotografie of schilderkunst ?

Als Vermeer niet in de 17e eeuw, maar ná de uitvinding van de fotografie rond 1830, werkzaam was geweest, welk medium zou hij dan gekozen hebben: de fotografie of toch de schilderkunst ? Feit is dat Vermeer een unieke mixed media-techniek ontwikkelde, die zich laat typeren als “schilderen met een lens” of “schilderen met een camera”. Als een soort fotograaf avant la lettre, met zijn eigen oog en schilderdoek als “gevoelige plaat”. Zijn precieze werkwijze valt niet meer te achterhalen, maar dat hij bij het maken van zijn schilderijen gebruik maakte van optica, lenzen en spiegels, daarover zijn de meeste kenners het wel eens. De schilderkunst van Vermeer bevat het beste van twee werelden; de fotografie en de schilderkunst. De optische exactheid in  lichtweergave en detaillering van de fotografische camera en de krachtige beeldregie, compositie/perspectiefconstructie en eigen penseelstreek in verf van de kunstschilder. Lens en Oog. Camera en Kunstenaar.

Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier, “At the Window”, Teylers Museum, Haarlem, 2021. Johannes Vermeer, “La Dentellière”, 1669-70, Musée du Louvre, Parijs

Een andere overeenkomst tussen fotografe Van Hövell en de kunstschilder Vermeer is hun beider voorliefde voor de ingetogen, contemplatieve poses van hun modellen. Bij Vermeer is opvallend genoeg wel steeds sprake van een handeling, maar altijd in een sfeer van licht, concentratie en verstilling.

Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier: “At the Window”, Huis Barnaart Haarlem, 2022. “At the Window”, Huis Bartolotti in Amsterdam, 2022. “At the Window”, Huis van Brienen, Amsterdam, 2016

Het leadbeeld van de expositie is het fotowerk “At the Window”, Huis Bartolotti in Amsterdam, 2022. De eerste wand in de tentoonstelling toont deze drie van haar beste werken uit de serie “At the Window”, waarin de inspiratie van Vermeer duidelijk voelbaar is. Al is in bijna elke Vermeer de jonge vrouw het kloppende hart van de compositie, prominent in beeld en in het volle licht gezet.  Bij Van Hövell overheerst het interieur. En is de figuur klein in verhouding tot de monumentale, hoge ramen. Hoge ramen in stadspaleizen, landhuizen en buitenplaatsen geven een prachtige lichtinval waarbij het daglicht diep de kamer in kan stromen en de lichtbaan van hoog linksboven op de jonge vrouw valt. Hoge ramen geven een interieur de voorname, aristocratische allure van een stadspaleis, buitenplaats of landhuis. Hoge ramen laten het stralende natuurlijke daglicht van buiten een dialoog aangaan met de verstilde intimiteit van de binnenkamer en haar bewoners.

Een mooi voorbeeld van een Vermeer, waar de klasse en aristocratische allure doorheen straalt, is de “Lady Writing a Letter with her Maid” uit 1670 in de National Gallery in Dublin, mede door de hoge ramen in het interieur.

Fotografie en schilderkunst: “Jonge Vrouw bij het Raam” is het kerngegeven bij deze foto van Van Hövell en dit schilderij van Vermeer.  Beiden prachtige beelden. Bij nadere beschouwing valt het verschil tussen fotografie en schilderkunst op. Als kunstschilder kon Vermeer veel meer artistieke keuzes maken dan Van Hövell als fotograaf: keuze van formaat, vlakverdeling, vereenvoudiging van vormen, licht-donker contrast, compositie, verhouding groot-klein, kleuren-afstemming, abstrahering, weglaten van overbodige details, horizontale en verticale compositielijnen (bv. de “L”-vorm), beeld rijmen, etc. De fotograaf kan een mooie locatie kiezen, een mooi model met het juiste kostuum, wachten op het mooiste licht, een enscenering maken, maar daar houdt het voor de “zuivere” fotograaf, voor wie Photoshop “uit den boze” is, wel mee op.  Waar de fotografie ophoudt, gaat de schilder Vermeer verder. Als Vermeer in deze tijd zou leven en voor de fotografie gekozen zou hebben, zou hij in mijn ogen gekozen hebben voor een groot formaat-technische camera (10×12,5 cm formaat) en zeker gebruik hebben willen maken van de beeldbewerkingsmogelijkheden van Photoshop. Photoshop zou hem de mogelijkheid geven al die artistieke keuzes te maken, die hij ook als schilder kon maken. Fotografie of schilderkunst, uiteindelijk valt en staat alles met het licht en oog van de meester.

Dan blijft ook nog staan dat een canvas fotoprint als eindproduct, hoe goed ook, niet hetzelfde is als een olieverfschilderij. Licht doet heel andere dingen met olieverf dan met printerinkt. Olieverf heeft een rijkere materie en gelaagdheid, met een mooie variatie in meer transparante glacislagen en meer dekkende, licht reflecterende verflagen. Nog afgezien van de verfstreek, de factuur, het eigen handschrift van de kunstschilder. Er “gebeurt” veel meer in een goed olieverf-schilderij. Een andere uitstraling en energie. Een schilderij van Vermeer staat wel veel dichter bij de fotografie dan een schilderij van Van Gogh of Picasso.

Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier, “At the Window- Feeling Blue”, Tuinzaal Huis Bartolotti, Amsterdam, 2018

Een vrouw zit in gedachten verzonken met een boek op schoot voor het raam waarbij het binnenvallende licht haar gezicht streelt. Ze gaat een dialoog aan met de zonsinval en vormt zo een hulpmiddel om het natuurlijke licht in al zijn nuances en kleurschakeringen nóg beter tot zijn recht te laten komen. “Feeling Blue” is onderdeel van de fotoserie “At The Window”, een reeks die is ontstaan vanuit de fascinatie van fotografe Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier voor interieurs en lichtwerking, voor de verbinding tussen binnen en buiten en het vastleggen van pure zuiverheid van licht en vorm.

Dat deze door Van Hövell gefotografeerde scène meteen doet denken aan de brieflezende vrouwen van Johannes Vermeer ( 1632-1675) lijdt geen enkele twijfel. Ook van Hövell wacht tot de perfecte lichtinval zijn intrede doet in de ruimte. Het zachte pure licht, dat het satijnen krukje en de bijna porseleinen huid  van de vrouw doet oplichten, brengt spanning in de foto. Het wekt de indruk van een filmische scène waarvan we het begin en het einde niet kennen. Wie is zij en waarom dwalen haar gedachten af van haar boek dat ze subtiel met haar vinger openhoudt ?

Het verstilde, intieme tafereel maakt dat de kijker de vrouw als het ware betrapt. Dit effect wordt versterkt, doordat ze half op de rug is te zien. Ook de vrouwen die Vermeer schilderde en die mogelijk voor zijn camera obscura verschenen (nog niet bewezen, maar een aannemelijke, kunsthistorische theorie) verliezen zich in hun gedachten en dromen, waarbij ze even ontsnappen aan hun alledaagse handelingen.

(Tekst: Museum JAN, Amstelveen, 2023)

Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier, “At the Window”, Teylers Museum, Haarlem 2021

“Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier, At the Window”, Boerderij Hoogwoud, 2022

Het mooie aan een ingetogen, naar binnen gekeerde  pose als deze, is dat ze veel te raden over laat over wat er werkelijk aan gedachten en gevoelens in haar om gaat. Klassieke Italiaanse Madonna’s van Rafael of Leonardo hebben ook deze pose, als een vrouw, die alle geheimen van het mysterie in haar hart bewaart.

Naast haar interieurfoto’s maakt Van Hövell ook foto’s van zelf geënsceneerde stillevencomposities in haar fotoserie “Contemplation Still Life”. Als achtergrond verwijst een geschilderde wolkenlucht naar de schilderkunst. In haar stillevens laat van Hövell zich ook inspireren door de zeventiende eeuwse stillevenschilder Clara Peeters.

Clara Peeters, Stilleven met Kazen, Garnalen en Rivierkreeften, Privécollectie, Antwerpen, 1612-1621

Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier, “Contemplation, Still Life ”      2017

Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier, “Contemplation, Still Life ”, 2019

Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier, “Contemplation, Still Life #1 ” , 2017

Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier, “Contemplation, Still Life #4”,  2017

Teylers Museum, Haarlem, 2021. Teylers Museum in Haarlem is wat mij betreft een van de mooiste musea van Nederland. Wie van klassieke historische landhuizen houdt, is ook een liefhebber van Teylers Museum. Hier is de oorsprong van de verwondering en nieuwsgierigheid, die de aan de wieg staat van alle kunst en wetenschap, nog tastbaar en voelbaar.

Huis van Brienen, Amsterdam, 2012, zwart-wit serie

Tegenwoordig fotografeert Van Hövell met een een Hasselblad-camera met een digitale achterwand en in kleur. Haar vroegere werk was nog gemaakt met een analoge Hasselblad-camera met rolfilm en in zwart wit. Zoals deze foto’s  van een interieur in het Huis van Brienen in Amsterdam in 2012. Haar artistieke visie kenmerkt zich door fotografische verstilling en natuurlijk licht. Net als Vermeer zoekt zij in haar fotografie een pure zuiverheid van licht en vorm. Haar drijfveren zijn niet zozeer nostalgisch, als wel ingegeven door een diepdoorvoelde behoefte aan  stilte en rust.

Marie-Jeanne fotografeert met de analoge Hasselblad camera en werkt alleen met natuurlijk licht. Fotoshoppen of op een andere wijze van bewerken van de foto’s is voor haar uit den boze. De Hasselblad-6×6 middenformaat camera met Zeiss-lenzen is een begrip onder professionele analoge fotografen vanwege de superieure beeldkwaliteit. Dit was ook de camera die meeging op de maanreizen van de Apollo astronauten, waarmee iconische foto’s als “Earthrise” en “Man on the Moon” werden gemaakt. Wat haar onderwerp ook is, steeds is zij op zoek naar zuivere stilte en roept zij een sfeer op die de kijker historische sensaties bezorgt. Want schilderend met de lens creëert Van Hóvell fotografische beelden die het heden als vanzelfsprekend transformeren naar het verleden. De rode draad in de onderwerpen, waarop Van Hövell haar camera richt, is verstilling en ingetogenheid.

Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier, Zelfportret, 2022. Uiteraard met haar onafscheidelijke  Hasselblad-camera.

Marie-Jeanne zoekt zorgvuldig naar het juiste moment om haar onderwerp te vereeuwigen. Als een schilder niet tevreden is over een detail, kan hij dat met zijn penseel bijwerken of corrigeren. De lens is echter onverbiddelijk: die laat geen correcties toe, althans niet in het geval van  Van Hövell, voor wie fotoshoppen uit den boze is. Ze registreert een werkelijkheid die alleen zij kent en zichtbaar weet te maken. Ze fotografeerde aanvankelijk met de analoge Hasselblad camera en werkt alleen met natuurlijk licht. Haar foto’s van mensen, interieurs, landschappen en stadsgezichten zijn veelal in zwart-wit maar de laatste jaren ook in kleur. De interieurfoto’s met een menselijke figuur en haar stillevens doen denken aan bekende Nederlandse schilders als Johannes Vermeer.

Op YouTube is deze video te zien: een korte documentairefilm van Ferry Knijn – “The White Blouse: Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier” over haar fotoportretten-project, waarin ze meerdere modellen in een witte blouse fotografeert:







Expositie “Het Delft van Vermeer” in Museum Het Prinsenhof in Delft

Gezien op 1 mei 2023, de tentoonstelling “Het Delft van Vermeer” in Museum Het Prinsenhof in Delft.

De meeste echte Vermeer-liefhebbers hebben de 28 Vermeer-schilderijen in de blockbuster-expositie in het Rijksmuseum in 2023 vast al wel een keer eerder rustig kunnen bekijken in de grote musea in Europa en de Verenigde Staten. In een mooier licht, in een lege, rustige zaal met weinig publiek en niet allemaal tegelijk op één hoop. Dus in omstandigheden waarvoor ze ooit bedoeld zijn: voor verstilde, private en intieme contemplatie.

Enige voordeel van die massaal opgeklopte Vermeer-hype was wel, dat de Vermeer-liefhebber nu ook voor het eerst direct aan Vermeer gerelateerde archief- en museumstukken te zien kreeg, die voor het grote publiek doorgaans niet te bezichtigen zijn: bijzondere originele archiefstukken uit het Delfts archief met signaturen van Vermeer en originele schilderijen van andere meesters, die Vermeer en zijn schoonmoeder in eigen bezit hadden en die hij als “schilderij in het schilderij” heeft opgenomen in sommige van zijn interieurstukken .  Zoals tot twee keer toe De Koppelaarster van Dirck van Baburen uit 1622, nu in de collectie van het Museum of Fine Arts in Boston.

Dirck van Baburen, De Koppelaarster, 1622, Museum of Fine Arts, Boston Jacob Jordaens, Christus aan het Kruis, 1620, Museum Wallraf-Richartz, Keulen

Dit zijn twee originele schilderijen, die ooit tot de privé-collectie behoorden van Vermeer en die hij als “schilderij in het schilderij” heeft opgenomen in enkele van zijn interieurstukken. Vermeer hield zowel van bordeelscènes als van religieuze schilderijen, en had dus een heel brede smaak. Eros, kunst en religie, alle vormen van liefde komen in het op zichzelf in omvang toch bescheiden schilderijen-oeuvre van Vermeer op hun eigen manier aan bod. Als in een verloren paradijs, waarin het oordeel over goed en kwaad nog niet geboren was.

Deze twee schilderijen waren de topstukken in de tentoonstelling ‘Het Delft van Vermeer’,die van 10 februari tot en met 4 juni 2023 te zien was in Museum Prinsenhof Delft, tegelijk met de grote Vermeer-tentoonstelling in het Rijksmuseum.

Delft was in de 17de eeuw een broedplaats van talent, een plek waar belangrijke innovaties plaatsvonden. Hier groeide Johannes Vermeer (1632-1675) uit tot een schilder van wereldformaat. Voor het eerst stonden Vermeers leven, zijn netwerk en zijn relatie tot de stad Delft centraal in een tentoonstelling. Topstukken van Delftse tijdgenoten werden getoond naast Delfts aardewerk, Delftse tapijten, archivalia en egodocumenten. Hiermee werd een rijk beeld geschetst van het artistieke, intellectuele en sociale klimaat in Delft in de 17de eeuw. Tientallen archiefstukken zoals inventarissen en testamenten, maar ook prenten en kaarten, boden inzicht in Vermeer en de mensen om hem heen en schetsten een helder beeld van de stad in zijn tijd.

In de tentoonstelling kon de bezoeker nader kennismaken met personages uit Vermeers directe omgeving, zoals zijn schoonmoeder Maria Thins, zijn collega-schilder Leonard Bramer, de familienotaris Willem de Langue, de kunstverzamelaars Maria de Knuijt en haar man Pieter van Ruijven en meester-bakker Hendrick van Buyten, die ook kunst verzamelde. Vermeer was niet alleen een kunstschilder, maar ook een man van vlees en bloed: echtgenoot, schoonzoon, kunsthandelaar, vader van 15 kinderen en herbergier. De bezoeker kon zo dichter bij de man achter de mythe komen en ontdekken hoe Vermeer juist in Delft kon uitgroeien tot een van de meest geliefde kunstenaars ter wereld.

Mijn persoonlijke favoriet onder de “schilderij-in-het-schilderij”-werken in het oeuvre van Vermeer is de Koppelaarster van de Utrechtse Caravaggist Dirck van Baburen  uit 1622. Het was ook de favoriet van Vermeer zelf, want hij nam het als enige zelfs tot twee keer toe op in een eigen interieur-schilderij en gebruikte het als inspiratie voor zijn eigen Koppelaarster, nu in Dresden.  Door zijn grote vereenvoudigde kleurvlakken, krachtige compositie en het weglaten van overbodige details, die het beeld “verrommelen en verstrooien”, krijgt het schilderij van Van Baburen een krachtige focus en is het in één oogopslag “leesbaar”. De invloed van de Caravaggist Van Baburen op Vermeer is duidelijk aanwijsbaar, want hij paste diens beeldtaal op zijn eigen manier ook toe in de compositie en beeldtaal van zijn eigen schilderijen.

Eros in de kunst.

Hoewel Vermeer ’s visie in zijn rijpe werken voornamelijk gekenmerkt wordt door “de serene blik”, laat het steeds in zijn oeuvre terugkerende thema van De Koppelaarster – een bordeelscene – zien, dat zijn werk onderhuids gevoed werd door een sterke Eros. De Koppelaarster van Baburen was voor hem een soort “ikoon van de erotiek”. Erotiek als bron van levensvreugde en levensenergie. Zonder Eros zou alle kunst dood zijn, hoe spiritueel en sereen ze in het geval van Vermeer ook is. Augustinus zegt het mooi: ”Ubi Amor, Ibi Oculus”; vrij vertaald: “Pas waar liefde is, daar gaat het oog open”. Letterlijk: “Waar de liefde is, daar is het oog”. Het oog van Vermeer is één grote contemplatieve liefdesverklaring aan alles in zijn directe omgeving, waarvan hij hield, zijn mooie jonge vrouw, zijn Wunderkammer van schilderijen, landkaarten, boeken, gobelins, muziekinstrumenten, zijn straat en zijn eigen stad.

Vermeer had geen behoefte aan verre reizen: alles waar hij van hield vond hij in zijn directe omgeving in Delft. Vermeer was in mijn ogen de juiste man op de juiste plaats op het juiste moment in het juiste netwerk. He was just a Lucky Man. Hij zocht niet, hij vond alles wat hij nodig had voor zijn ogen gereed liggen.

Genade of eigen verdienste ?

De genade daalt neer, waar ze neerdaalt. Persoonlijk zie ik het werk van Vermeer meer als een Amazing Grace, eerder de vrucht van een contemplatief kunstenaarschap, dan de resultante van keihard werken, marktwerking, felle concurrentie en eigen verdienste, waar het neoliberalisme tegenwoordig zo de mond vol van heeft. Wel profiteerde hij indirect zeer zeker van de spectaculaire economische rijkdom en groei in de tijd, waarin het kapitalisme, met al zijn schaduwzijden, juist ook uitgevonden is. Denk aan de VOC…… Het licht kan niet zonder het donker.

Rembrandt en zeker Picasso behoren tot het soort kunstenaars, die het altijd en overal ter wereld wel gemaakt zouden hebben met al hun eigen overvloedig aanwezige talenten. Vermeer daarentegen werd juist op die ene plek in Delft ver boven zichzelf uitgetild tot aan de bovenste top van die onvoorstelbaar hoge golf van rijkdom in De Gouden Eeuw. Deze golf stuwde hem omhoog naar een niveau, waar hij op eigen kracht in een andere tijd nooit had kunnen komen. Daardoor kon hij zelfs floreren in de luwte van een relatief kleine provinciestad als Delft. In de bruisende wereldstad, die Amsterdam ook toen al was, had Vermeer als local hero en provinciaal met zijn contemplatieve, ingetogen natuur het zeker nooit gered.

Johannes Vermeer, De Koppelaarster, Gemäldegalerie Alte Meister, Dresden,1656.

Deze Vroege Vermeer werd geschilderd drie jaar na zijn huwelijk in 1653 met Catharina Bolnes. De Koppelaarster van Baburen hing als familie-erfstuk in het huis van zijn schoonmoeder Maria Thins aan de Oude Langendijk in Delft, bij wie Vermeer met zijn vrouw na zijn huwelijk ging inwonen. Het kan bijna niet anders dat de Koppelaarster van Baburen de inspiratiebron was voor Vermeer om “zijn eigen Koppelaarster” te schilderen, nu in de Gemäldegalerie Alte Meister in Dresden. De heldere rode en gele kleuren zijn van een stralend coloriet dat prachtig uitwaaiert over het oosterse tapijt. Opvallend detail is het kleine, oude vrouwtje met de priemende oogjes in het zwart, de koppelaarster in kwestie, die gekleed lijkt te gaan in het zwarte habijt van een kloosternon…….. De handen van het koppel spreken echter een duidelijke taal: dit is betaalde liefde. Liefde in ruil voor  geld.

De man links met de zwierige zwarte baret en jak met gesplitte mouwen staat als beschouwer aan de zijlijn en lijkt er met een glas wijn en citer in de hand zijn zegen aan te geven, zonder zelf actief deel te nemen aan wat er gebeurt. Vanwege de gelijkenis van dit kostuum met dat van de schilder in De Schilderkunst van Vermeer in Wenen, wordt deze figuur wel beschouwd als een zelfportret van Vermeer. Opvallend is dat hij zijn eigen gezicht bijna geheel in de schaduw weergegeven heeft. Bijna als een voyeur, die zelf eigenlijk niet echt gezien wil worden, alleen maar toe wil kijken. Als in de song-regel “I’m a Spy, in the House of Love” van The Doors. Opvallend in het gehele oeuvre van Vermeer is dat hij zich steeds onthoudt van elk expliciet moreel vooroordeel over goed of kwaad.  Hij laat de dingen zien, zoals ze zijn.  

Johannes Vermeer, Zittende Klavecimbelspeelster, 1670-72, National Gallery, London.

Het meesterwerk van Baburen komt tweemaal voor in het oeuvre van Vermeer: in de Zittende Klavecimbelspeelster in Londen en in het helaas nog steeds gestolen Concert in Boston. De Koppelaarster bevond zich destijds in de privé-collectie van Vermeer’s schoonmoeder Maria Thins. Dit schilderij was wat mij betreft het absolute topstuk in de tentoonstelling Vermeer’s Delft in Museum Het Prinsenhof. Het was een bruikleen uit de collectie van het Museum of Fine Arts in Boston. Met het verduisterde raam in de Zittende Klavecimbelspeelster en het schemerige licht lijkt Vermeer aan te geven dat het een avondscene betreft, waarbij de aanwezigheid van De Koppelaarster van Baburen op de achtergrond de meer erotische bedoelingen en verleidingskunsten van de klavecimbel-spelende dame lijkt te benadrukken. Als symbool van de aardse liefde.

Johannes Vermeer, Het Concert, 1664, Isabella Stewart Gardner Museum, Boston (gestolen).

De aanwezigheid van De Koppelaarster van Van Baburen op de achtergrond van dit serene tafereel van een musicerend gezelschap duidt er misschien op, dat hier meer aan de hand is dan louter een gezelschap dat samen mooie muziek maakt. Hier zou ook een “upper class” koppelaarster-scene verbeeld kunnen zijn. Waarbij de zingende vrouw rechts de koppelaarster is, die de luitspelende man probeert te koppelen aan de mooie jonge vrouw aan het klavecimbel.  Door bij hen door mooie muziek de juiste liefdes-snaren te laten beroeren. Zoals alleen muziek dat kan. Muziek is immers de kortste weg naar het hart.

Jacob Jordaens, Christus aan het Kruis, 1620, Museum Wallraf-Richartz in Keulen Johannes Vermeer, De Allegorie van het Geloof, 1670-74, Metropolitan Museum of Art, New York

Op Vermeer’s late werk, de Allegorie van het Geloof in New York, is dit grote schilderij Christus aan het Kruis van Jacob Jordaens  uit 1620 te zien, een bruikleen uit het museum Wallraf-Richartz in Keulen. Van dit schilderij bestaan overigens meerdere kopieën, onder andere in de Teirlinck Foundation in Antwerpen.  Vermeer liet in zijn eigen werk de “kruisafhaler”- figuur weg, om meer rust in zijn compositie te brengen. Opvallend detail hier is de treurende vrouw, precies in het midden van de compositie. Niets is toeval bij Vermeer. Hij schilderde dit schilderij rond het Rampjaar 1672, Holland werd toen van drie kanten tegelijk aangevallen, zijn kunsthandel dreigde failliet te gaan en zijn schulden stapelden zich op. De treurende figuur heeft iets van Rembrandt’s Jeremia die treurt om de verwoesting van Jeruzalem…… Ze lijkt iets te weerspiegelen van Vermeer’s eigen neerslachtige gemoedstoestand op dat moment: “Het is voorbij….”. Misschien ook wel iets van Simon Schama’s “Embarrassment of Riches”. “Wee, gij rijken, want wat u vertroost, hebt gij reeds ontvangen”. Vermeer’s Allegorie van het Geloof is overigens op z’n zachtst gezegd niet echt een publiekslieveling onder Vermeerliefhebbers, waarover hieronder meer.

Portret van de Jezuiet Roeland de Pottere en een prent van Abraham Rademaker van de schuilkerk van de Jezuieten, die pal naast het huis van de familie Vermeer gelegen was aan de Oude Langendijk in Delft. Het is niet ondenkbaar dat Vermeer de Allegorie van het Geloof geschilderd heeft in opdracht van de Jezuieten, gezien het formaat misschien zelfs wel bedoeld als altaarstuk in deze schuilkerk. Het is plausibel dat de Jezuieten als directe buren ook wel eens het atelier van Vermeer bezocht hebben en daar  zijn onbetwiste meesterwerk De Schilderkunst hebben zien hangen. Dat heeft hij altijd voor zichzelf in eigen bezit gehouden. De compositieschema’s van de Schilderkunst en de Allegorie van het Geloof vertonen ook daadwerkelijk duidelijke en niet te missen overeenkomsten.

Curator Gregor Weber poneert in zijn boek “Johannes Vermeer – Geloof, Licht en Reflectie” zelfs de stelling dat de Jezuiet Isaac van der Mye als directe buurman Vermeer in contact heeft gebracht met de Camera Obscura “als instrument om het goddelijke licht weer te geven”. Een idee dat zou kunnen zijn ingegeven door de Jezuiet Paul Begheyn uit Nijmegen, die ik me nog herinner uit mijn tijd bij Museum Het Valkhof.

Kunst en religie.

In mijn ogen was Vermeer in de eerste plaats een kunstenaar, met een onwrikbaar geloof in de schilderkunst. Daarin lag zijn hele hart en ziel. En hij hield van mooie vrouwen. Het kloppende hart van (bijna) elke Vermeer is een mooie jonge vrouw. Zijn “goddelijke openbaring”, zijn “mystieke visioen” is in mijn ogen De Schilderkunst in Wenen. Daarin ligt alles waar hij zelf echt in geloofde en te zeggen had als kunstenaar. Iedere kunstenaar en kunstliefhebber die ooit met eigen ogen de magie van het licht in de Schilderkunst in Wenen gezien heeft, zal de Allegorie van het Geloof in New York als een anticlimax ervaren. Een mislukt schilderij zelfs. De echte ziel, magie en lichtmystiek van Vermeer – op een enkel detail als de glazen bol na – ontbreekt hier volkomen. Er zit veel meer bezielde religieuze inspiratie in kleinere werken van Vermeer als Het Melkmeisje of de Dame met Weegschaal dan in dit grote schilderij.

Juist Vermeer’s meesterwerk De Schilderkunst uit Wenen ontbrak op de grote Vermeer-tentoonstelling in het Rijksmuseum in 2023.

In de laatste expositiezaal zaal ervan hing bijna als een altaarstuk de Allegorie van het Geloof, in de opzet dat juist dit schilderij de religieuze apotheose en absoluut hoogtepunt van de “Grootste Vermeer-expositie ooit” zou zijn met zijn 28 Vermeers.

Precies op die plek heb ik dit schilderij echter eerder als een teleurstellende domper ervaren. Als de ultieme apotheose had op die plek natuurlijk De Schilderkunst uit Wenen moeten hangen. Dan was het predikaat “Grootste” inderdaad werkelijk op zijn plaats geweest, als kwaliteit het criterium was geweest. Vermeer gaat immers niet over kwantiteit, maar over kwaliteit. Vermeer was geen religieuze monnik, hij was in de eerste plaats een kunstschilder, die van vrouwen hield, maar ook een zeldzaam intense gevoeligheid had voor het licht, dat door menigeen bijna als goddelijk wordt ervaren. Wie echter al te zeer op zoek gaat naar “de religieuze Vermeer”, komt vroeg of laat toch uit bij een nieuwe variant op zo’n zeperd als de Emmaüsgangers van Van Meegeren. De paradox met Vermeer is, dat er meer “religie” te vinden is in de bezielde lichtmystiek in zijn profane Schilderkunst in Wenen, dan in zijn duidelijk ongeïnspireerd en plichtmatig geschilderde “religieuze” Allegorie van het Geloof in New York. Met die al te bedachte, opgelegde en gekunstelde symboliek, letterlijk ontleend aan Cesare Ripa’s boek “Iconologia”. Het goddelijke licht onttrekt zich aan elke menselijke maakbaarheid. De genade daalt neer waar ze neerdaalt. Maar al te vaak juist daar, waar je het niet verwacht.

Op Vermeer’s Staande Klavecimbelspeelster in Londen is dit Landschap van de Delftse schilder Pieter Anthonisz van Groenewegen te zien. Het is door Vermeer als beeldcitaat weergegeven op het lid van het klavecimbel én in het landschapje in de gouden ornamentlijst. Het schilderij van Groenewegen werd door Vermeer wel naar eigen inzicht aangepast aan zijn compositie, zoals de kadrering en de toegevoegde blauwe lucht met wolken. Met name de gelijkenis met het landschap op het lid van de klavecimbel is treffend. Een mooie vondst van Vermeer-kenner Gregor Weber.

Naast de schilderijen van andere meesters, die Vermeer in zijn eigen schilderijen heeft verwerkt, bood deze expositie ook de unieke kans om originele handschriften en archiefstukken rond Vermeer te bekijken, die normaal gesproken altijd achter slot en grendel in het Stadsarchief Delft opgeborgen liggen en niet voor het gewone publiek te zien zijn. Een selectie van archivalia met originele handtekeningen van Vermeer zelf, zijn vrouw Catharina en zijn beroemde tijdgenoot Gerard Ter Borch. Een ooggetuigeverslag over een bezoek aan het atelier van Vermeer en vermeldingen van Vermeer in een boek over Delftse kunstenaars. Deze stukken geven een inkijkje in bepalende momenten in het leven van Vermeer en welke personen in zijn netwerk van invloed zijn geweest op zijn ontwikkeling als kunstenaar.

Grafologie en de originele handtekeningen van Vermeer in Delftse archiefstukken.

Grafologie of schriftpsychologie is de studie van het karakter door middel van het analyseren van het handschrift. Hoewel grafologie, handschriftkunde, door velen beschouwd wordt als een  “pseudo-wetenschap” of zelfs “Kwakzalver-wetenschap”, treft het mij toch hoe klein, eenvoudig  en bescheiden de handtekening van Vermeer is, naast die van zijn vrouw en al helemaal naast die van zijn illustere tijdgenoot de schilder Gerard Ter Borch. Maar wat zegt een handtekening of handschrift werkelijk over het karakter van de betreffende persoon en diens relatie met anderen uit zijn omgeving ?

Was Vermeer inderdaad een kleine, verlegen, teruggetrokken, bescheiden, ingetogen, introverte persoonlijkheid, met weinig ego, die vooral niet op wilde vallen ?  Was Catharina werkelijk een dominante vrouw, bij wie haar ietwat onderdanige man Johannes “onder de plak zat” ? En voelde Vermeer zichzelf als schilder echt zwaar de mindere naast Gerard Ter Borch ?

Ik moet in dit kader ook denken aan de handtekening van Albert Einstein, die ik ooit zag in het gastenboek van het Spinozahuis in Rijnsburg, waarbij het me opviel dat juist die handtekening de allerkleinste handtekening op de hele pagina was. De hand die deze handtekening zette, behoorde achteraf dus wel toe aan een van de allergrootste wetenschaps-genieën, die ooit geleefd hebben. Natuurlijk blijft grafologie steken in speculatie, zonder hard wetenschappelijk bewijs, maar toch zijn juist dit soort dingen wat mij betreft wel een fascinerend gegeven om verder over te mijmeren en te speculeren.

Vermeer en Einstein, hadden dus beiden een kleine bescheiden handtekening gemeen, maar heden ten dage worden ze ieder op hun eigen vakgebied alom beschouwd als een “peerless genius” uit de “Galerij der Groten”. Hun namen zijn inmiddels gemeengoed bij het grote publiek.  Alleen al de naam “Einstein” geldt als een vanzelfsprekend synoniem voor “genie” en zelfs een gangbaar zelfstandig naamwoord in het dagelijks taalgebruik.

Die paradox vind je ook terug in de kunstgeschiedenis: deze kent talloze voorbeelden van in hun eigen tijd gevierde en uiterst succesvolle en beroemde kunstenaars, die nu al lang en breed vergeten zijn, terwijl toenmalige “nobodies” uit dezelfde periode nu tot de eeuwige canon van de grote en alom geliefde meesters gerekend worden.

Vergetelheid of eeuwige roem worden bepaald door wonderlijke wendingen van het lot en de tijd.  “De genade daalt neer waar ze neerdaalt”, schreef de Franse romanschrijver Victor Hugo ooit. Ook Vermeer zelf is twee eeuwen lang vergeten geweest, voordat hij in de 19e eeuw herontdekt werd door de Fransman Thoré-Bürger. Van Gogh en Cézanne beschouwden zichzelf aan het eind van hun leven als een “mislukte kunstenaar”……  Maar wie kent nog, buiten enkele kunsthistorici-specialisten, de namen van een Bouguereau of Gerôme, ooit alom bejubelde en gevierde artiesten van de Académie Francaise ? Ondanks het feit dat ook zij fenomenale schilders waren.

De Delftse schilder Leonard Bramer (1596-1674). Op diens voorspraak kon Vermeer trouwen met zijn grote liefde Catharina Bolnes in 1653 in Schipluiden. Zijn schoonmoeder Maria Thins was aanvankelijk fel tegen het huwelijk, maar door bemiddeling van Vermeer’s oudere collega-kunstschilder Bramer besloot ze zich “niet langer ertegen te verzetten” (ze ging dus niet van harte akkoord !). Zonder Bramer was er dus niet de Vermeer geweest, die wij nu kennen. Juist door zijn huwelijk met de mooie jonge Catharina en zijn rijke schoonmoeder met haar mooie kunstcollectie, kwam Vermeer in de juiste omgeving en kringen, waarin hij als kunstenaar kon groeien en floreren. Bramer is ook wel eens geopperd als Vermeer’s  leermeester, maar zijn stijl lijkt in geen enkel opzicht op die van Vermeer. Dat lijkt dus erg onwaarschijnlijk. Gezien zijn persoonlijke bemoeienis zou het misschien wel  kunnen dat Bramer al in een eerder stadium als koppelaar de eerste ontmoeting tussen Johannes Vermeer en Catharina Bolnes gearrangeerd heeft, maar dat is natuurlijk puur romantiserende speculatie mijnerzijds……  Het zou wel verklaren, waarom het thema “Koppelaarster” zo’n groot thema is in het oeuvre van Vermeer.

Godfried Schalcken, Portret van Pieter Teding van Berckhout, 1674.

Bovenstaand handschrift is uit het originele dagboek van de rijke Haagse regentenzoon, kunstliefhebber en kunstverzamelaar Pieter Teding van Berckhout over zijn bezoek op vrijdag 21 juni 1669 aan het atelier van de “beroemde” schilder Vermeer, die hem persoonlijk meerdere van zijn werken liet zien. De bezoeker was vooral onder de indruk van de wonderlijke werking van het perspectief. Waarschijnlijk heeft hij toen Vermeer’s meesterwerk De Schilderkunst gezien, dat nu in Wenen hangt, en waarvan we weten dat Vermeer het tot aan zijn dood in eigen bezit heeft gehouden. Voor tijdgenoten moet dat schilderij inderdaad door de verbluffende werking van het perspectief veel indruk gemaakt hebben. Teding van Berckhout heeft Vermeer dus persoonlijk onder vier ogen ontmoet en uitgebreid met hem over zijn werk gesproken. Een tantaluskwelling voor menig hedendaags kunsthistoricus of liefhebber van Vermeer….

Soms vraag ik mezelf ook wel eens af, wat ik aan Vermeer zou willen vragen, als ik als Vermeerliefhebber  hem persoonlijk zou hebben kunnen ontmoeten. Helaas loopt zo’n ontmoeting tussen een bewonderaar en zijn idool echter al te vaak uit op een teleurstelling.

We houden allemaal van de schilderijen van Vincent Van Gogh, maar om de persoon in levende lijve zou menigeen er met grote boog omheen gelopen zijn.  En wat te denken van Caravaggio, die was ook bepaald geen lieverdje.

De betrekkelijkheid van de roem:

In het boek “Beschrijvinghe van de stad Delft” uit 1667 van Dirck van Bleijswijck  staat een vermelding van Vermeer in een gedicht van Arnold Bon over de schilder Carel Fabritius. Deze was op  tragische wijze omgekomen bij de grote kruitmagazijnontploffing in 1654, de ramp van de Delftse Donderslag. Deze passage wordt vaak aangehaald om aan te tonen dat Vermeer in zijn tijd wel degelijk faam genoot. Maar nader beschouwd valt deze passage toch als een onbeduidende voetnoot in het niet als je het hele originele boek kunt inzien. Direct na die ene korte strofe uit dat gedicht, volgt een uitgebreide lofzang met paginagrote afbeelding ernaast over de destijds internationaal beroemde portretschilder David Beck, die groot aanzien genoot tot aan de Europese vorstenhoven toe. Terwijl diens naam vandaag de dag al lang en breed is weggezonken als “de zoveelste portretschilder uit de 17e eeuw”, heeft Vermeer inmiddels langs een omweg met zijn unieke oeuvre definitief zijn plek verworven in het pantheon van de alom geliefde grote meesters van de schilderkunst. Love moves in mysterious ways…..

Egbert van der Poel, De Ontploffing van het Kruitmagazijn van de Staten van Holland, 14 oktober 1654, Museum Prinsenhof Delft.

Het grote trauma in het Delft ten tijde van Vermeer –  “De Delftse Donderslag”.

Een jaar na zijn huwelijk in 1653 vond er in Delft een ook voor Vermeer persoonlijk ongetwijfeld zeer ingrijpende traumatiserende gebeurtenis plaats: de grote ramp met de ontploffing van het kruitmagazijn in Delft, de Delftse Donderslag van 1654, die een groot deel van de stad verwoestte en veel slachtoffers eiste. Ook zijn collega-schilder Carel Fabritius kwam daarbij op tragische wijze om het leven. Misschien waren juist die traumatische ervaringen uit deze donkere periode wel de inspiratiebron voor zijn beroemde en meeslepende Gezicht op Delft uit 1660: de herrijzenis van zijn eigen geliefde stad in een stralend ochtendzonlicht uit die poel van verwoesting.  Van oorlog naar vrede, van duisternis naar licht, van dood naar leven. Welbeschouwd is elk Vermeer-schilderij in wezen een kamer van licht, gezien vanuit een donkere kamer van duisternis. Niet alleen fysiek door zijn gebruik van de Camera Obscura, maar ook in emotionele en spirituele zin. Het doet denken aan wat Tolstoi bedoelde in zijn beroemde openingszin in Anna Karenina: ‘Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.’ De unieke serene blik en het intense verlangen naar schoonheid, heelheid en harmonie van Vermeer vond zijn oorsprong in dat heftige jeugdtrauma van dood, gebrokenheid en verwoesting.  Een gelukkige zondagskunstenaar zal nooit een Vermeer schilderen. Die blijft steken in voorspelbare cliché’s en oppervlakkigheid. De diepe innerlijke behoefte aan de troostende werking van kunst en schoonheid ontbreekt bij hem.

Pieter de Hooch, Man die een Brief voorleest aan een Vrouw, 1670-74, Kremer Collectie.

Vermeer schilderde in Delft in een periode waarin de plaatselijke schilderkunst bloeide met als specialiteit het genrestuk. Vernieuwers in deze periode waren onder anderen Pieter de Hooch en Jan Steen. Johannes Vermeer kon voordeel halen uit hun artistieke ontwikkeling, zoals een nieuwe kijk op perspectief en licht.

Pieter de Hooch had van alle Delftse schilders wellicht de grootste invloed op de artistieke ontwikkeling van Vermeer. Met name op het gebied van de constructie van het perspectief,  om een overtuigende illusie van ruimte te creëren. Pieter de Hooch woonde en werkte in Delft tussen 1654 en 1660, precies tijdens de “coming of age”-periode van Vermeer als kunstenaar. Rond 1660 verhuisde De Hooch naar Amsterdam, waar voor hem veel meer en rijkere opdrachtgevers te vinden waren. Vermeer bleef noodgedwongen thuis in Delft, waar hij economisch afhankelijk was van zijn rijke schoonmoeder en zijn verplichtingen had jegens zijn vrouw en kroostrijke gezin. Maar in artistiek opzicht zou deze achterstand ten opzichte van De Hooch voor Vermeer gaandeweg uitgroeien tot een voorsprong in kwaliteit.

In 2019 was eveneens in Museum Prinsenhof in Delft nog een prachtige tentoonstelling te zien: “Pieter de Hooch, Uit de Schaduw van Vermeer”, met vele topwerken van De Hooch uit binnen- en buitenlandse musea.

Detail uit De Anatomische Les van Cornelis ’s-Gravesande, door de Delftse schilder Cornelis de Man uit 1681.

De man in het midden is de beroemde Delftse microscopist-wetenschapper Antoni van Leeuwenhoek. Van Leeuwenhoek geldt als de uitvinder van de microscoop en is nog altijd een grote naam in de geschiedenis van de wetenschap. Zijn faam reikte destijds tot de wetenschappelijke elite van de Royal Society in Londen, het toenmalige equivalent van het huidige Institute of Advanced Studies in Princeton in de VS.

Ook de wetenschap floreerde in het Delft van Vermeer. De “vader van de microscoop” Antoni van Leeuwenhoek was net als Vermeer geboren in Delft in 1632, (bovendien ook nog hetzelfde geboortejaar als dat van de beroemde filosoof Spinoza).

Sommigen zien in de Astronoom en de Geograaf van Vermeer de trekken van Van Leeuwenhoek, maar echt concreet bewijs daarvoor ontbreekt. Van Leeuwenhoek fungeerde wel als curator van de nalatenschap van Vermeer na zijn overlijden. Er zijn echter geen documenten overgeleverd dat Vermeer en Van Leeuwenhoek tijdens Vermeer’s leven intensief contact met elkaar hadden, bv. over lenzen slijpen en optica. Het schilderij achter de hemelglobe van Willem Blaeu is eveneens van de Delftse schilder Cornelis de Man, Drie Heren rond een Globe uit 1668.

Hoornblazende Bakker van de Delftse schilder Christiaan van Couwenbergh, 1650 Het Melkmeisje, Johannes Vermeer, 1659, Rijksmuseum, Amsterdam.

De bakker van Vermeer: Hendrick van Buyten.

De Franse kunstverzamelaar Balthasar De Monconys bracht op 11 augustus 1663 een bezoek aan het atelier van Vermeer, die op dat moment geen werk in huis had om te laten zien, en hem daarom doorverwees naar de bakker. Daar zag hij een schilderij met slechts één enkele figuur dat 600 livres had gekost, dat wat hem betreft een veel te hoge prijs was. Het betreffende schilderij zou heel wel het Melkmeisje geweest kunnen zijn, gezien de broden op de tafel, een onderwerp dat een bakker wel aangesproken zal hebben. De betreffende Delftse bakker was wellicht Hendrick van Buyten, aan wie Vermeer’s weduwe Catharina na zijn overlijden met twee schilderijen van Vermeer in 1676 een hoge openstaande rekening moest voldoen voor eerder geleverd brood.

Gerard Houckgeest, Kooromgang van de Nieuwe Kerk in Delft, met de graftombe van Willem de Zwijger. 1651, Mauritshuis, Den Haag.

Hendrick van Vliet, Interieur van de Nieuwe Kerk in Delft, 1670-75, Museum Prinsenhof Delft.

Vermeer heeft nooit een kerkinterieur geschilderd. Delft kende enkele zeer goede genreschilders van kerkinterieurs zoals deze Gerard Houckgeest en Hendrick van Vliet, die Vermeer in zijn functie als  hoofdman van het Sint Lucas-gilde in Delft zeker gekend zal hebben. Licht dat strijkt langs een witgepleisterde muur en het gebruik van een “Trompe l’oeil”- voorhang-gordijn zou een mogelijke inspiratiebron van deze kerkinterieurschilders voor Vermeer geweest  kunnen zijn.

Ook de kunstnijverheid floreerde in Delft in de tijd van Vermeer.

Witte tinglazuuraardewerk wijnkan, die op verschillende schilderijen van Vermeer terugkeert, zoals hier in dit detail van Vermeer’s Slapend Meisje uit 1656-57, Metropolitan Museum of Art in New York.

Dit soort “tapyten stoelen” komen ook voor in de inventaris van Vermeer na zijn dood, en ook in Het Parelsnoer van Vermeer in Berlijn is een exemplaar ervan te zien. Vermeer bezat ook een groot tapijt met florale en blad-motieven, te zien als voorhang in De Schilderkunst en de Liefdesbrief. De vader van Vermeer was naast herbergier en kunsthandelaar ook “Caffawever”. Mogelijk komt daar de voorliefde van Vermeer vandaan voor mooie tapijten, stoffen en zijden kostuums. Deze stoel is afkomstig uit het atelier van Maximiliaan van der Gucht uit 1662.

Delfts blauwe tinglazuur aardewerken plaque uit 1658, met bijbelse voorstelling  “De Profeet van Juda door een leeuw gedood”.

Tijdens de tentoonstelling Vermeer’s Delft in Museum Prinsenhof in 2023 was een mooie digitale slide show presentatie te zien van Vermeer’s schilderijen in de context van het Delftse milieu waarin hij leefde en werkte.

Op YouTube is deze video te zien met de song “Sugar Man” van Sixto Rodriguez, een Amerikaanse muzikant uit Detroit, Michigan, hier tijdens een concert in Zuid-Afrika in 1998.

Hoewel de song ooit in de ban gedaan is, vanwege de connotatie met drugs in de lyrics, bevat de tekst wel een mooie, briljante zin, die bij mij is blijven hangen als een associatie met Vermeer:

Het Universum in een Hollandse Huiskamer – De Astronoom van Vermeer en het Planetarium van Eise Eisinga

In september 2023 is het Eise Eisinga Planetarium in Franeker door Unesco uitgeroepen tot werelderfgoed. Het eeuwenoude planetarium is het oudst werkende ter wereld en een populaire trekpleister. De Friese wolfabrikant en zakenman Eise Eisinga bouwde het planetarium geheel zelfstandig van 1774 tot 1781 aan het plafond van zijn eigen woonkamer in Franeker. Het universum in een Hollandse huiskamer. Als Vermeer-liefhebber zie ik meteen een parallel met de Astronoom van Vermeer uit 1668 in het Louvre in Parijs, die bij het raamlicht in zijn studeerkamer een hemelglobe van de sterrenhemel bestudeert. De menselijke maat tegenover de oneindige grootsheid van het heelal.

De Astronoom van Vermeer uit 1668 is een van mijn favoriete Vermeers, omdat ik er mijn eigen persoonlijke fascinatie voor de sterrenhemel in herken, die teruggaat tot mijn vroegste jeugd. Ik spiegel mezelf in het woord van Plato: “Astronomy compels the soul to look upward, and leads us from this world to another”.

Het is overigens een van de topwerken die ontbraken op de grote Vermeer-tentoonstelling in het Rijksmuseum in Amsterdam in 2023.

De prachtige hemelglobe met sterrenbeelden van Jodocus Hondius uit 1600 is een waar kunst-werk op zichzelf. Kunst en Wetenschap gingen in de Gouden eeuw hand in hand.

Wat mij fascineert in het Planetarium van Eise Eisinga in Franeker en in de schilderijen van Johannes Vermeer van Delft is dat zij beiden in de bescheiden setting van één woonkamer in hun eigen huis min of meer in hun ééntje een levenswerk hebben gecreëerd, dat vandaag de dag wereldwijd als wereld cultureel erfgoed wordt beschouwd. Het universum in een kleine Hollandse binnenkamer. De kamergeleerde als ontdekkingsreiziger van het universum, met het vermogen tot een innerlijke reis vanuit de verbeeldingskracht van de geest.

Kunst en reizen.

Elke zichzelf respecterende kunstschilder in de Gouden Eeuw moest minstens éénmaal in zijn leven een grote Italië-reis ondernomen hebben. Een opvallend feit echter is dat de Grote Drie, Vermeer, Rembrandt en Hals, juist nooit zo’n grote reis ondernomen hebben. Zij bleven thuis. Hun artistieke reis ondernamen ze in de weidse wereld van hun eigen verbeelding in hun eigen atelier. De Haarlemse schilder Kees Verwey zei het het ooit zo: “Ik vind mijn Himalaya in mijn eigen schatkamer” (zo beschouwde hij zelf zijn atelier aan het Spaarne in Haarlem). Vermeer spant de kroon: hij is zelf bijna nooit zijn geboortestad Delft uit geweest. De grote ontdekkingsreiziger van het licht was in wezen een honkvaste huismus. Eise Eisinga past wat mij betreft in hetzelfde rijtje.

Dat vind ik het mooie van de Hollandse Gouden Eeuw: Leeuwenhoek, Huygens, Spinoza, Vermeer, al hun grote ontdekkingen en innovaties vonden plaats in de beslotenheid van een kleine Hollandse binnenkamer. Een tijdperk waarin alles nog een menselijke maat had. Het grootse in een intieme setting. Eenvoud als kenmerk van het ware.

Een planetarium in een Hollandse woonkamer

Het Koninklijk Planetarium Eise Eisinga  is een planetarium dat werd gebouwd door de Friese wolkammer Eise Eisinga in zijn eigen huis tussen 1774 en 1781. Aangedreven door een slingeruurwerk geeft het astronomisch uurwerk sinds de voltooiing in 1781 de actuele positie van de planeten aan via de plafondwijzerplaat en is hiermee het oudste werkende planetarium ter wereld. Eisinga  construeerde een planetarium – een mechanisch schaalmodel van ons zonnestelsel – tegen het plafond van zijn eigen woonkamer. Een indrukwekkend systeem van tandwielen en gewichten stelde hem in staat de bewegingen van de hemellichamen te reproduceren, inclusief de zon, de maan en alle destijds bekende planeten. Eisinga’s berekeningen waren zo ongelooflijk accuraat, dat ze ook heden ten dage nog correct blijken te zijn.

Toen zich in 1774 een conjunctie van de maan en de planeten Mercurius, Venus, Mars en Jupiter zou voordoen, gaf dominee Eelko Alta uit Bozum een boekje uit, waarin hij voorspelde dat deze hemellichamen op 8 mei 1774 op elkaar zouden botsen. De aarde zou hierdoor uit haar baan worden geslingerd en zou in de zon verbranden. Door deze voorspelling ontstond onrust in Friesland.

Om te laten zien dat er geen botsing zou ontstaan, besloot Eisinga in het plafond van de woonkamer van zijn huis uit 1768 een werkend schaalmodel van het zonnestelsel te bouwen. Een op de zolder boven de bedstee en het azuurblauwe plafond aangebracht raderwerk regelt met een regulateur de omlooptijden van de toen bekende planeten: Mercurius, Venus, de aarde, Mars, Jupiter en Saturnus om de zon.. De planeten hangen als bollen in de kamer waarbij ze aan de zonzijde goudkleurig beschilderd zijn. De aarde is voorzien van een cirkelende maan. Daarnaast is het planetarium voorzien van een planisfeer en wijzerplaten voor onder meer de schijngestalten van de maan, zonsopkomst en ondergang, de weekdag en het jaartal.

Eisinga dacht aanvankelijk de constructie in zes maanden te kunnen klaren, maar pas in 1781 was het planetarium voltooid. De hoogleraar Jean Henri van Swinden die hem bezocht, was zeer lovend over Eisinga’s prestatie. Nog in het jaar van voltooiing werd de planeet Uranus ontdekt. Voor deze buitenplaneet was in het planetarium van Eisinga echter geen plaats meer.

Eisinga publiceerde in 1784 een “Nauwkeurige Beschrijving en Afteekeningen van de uitwendige vertooning en de inwendige zamenstelling van het gansche Planetarium”. Koning Willem I bezichtigde het planetarium in 1818 en kocht het in 1825 aan voor de Nederlandse staat.

Portretschilderij van Eise Eisinga uit 1827, geschilderd door de kunstschilder Willem Bartel van der Kooi.

Willem Bartel van der Kooi heeft Eise Eisinga vereeuwigd in een zogenaamd kniestuk. De sterrenkundige is tot de knieën afgebeeld, zittend aan de tafel in zijn eigen huiskamer en met zijn hoofd en lichaam naar rechts gewend. Het vertrek waarin hij zit is nu bekend als de planetariumkamer in museum Planetarium Eise Eisinga. Op het plafond is een natuurgetrouwe afbeelding van het planetenstelsel te zien, in de stand van de hemellichamen op 10 april 1827, het jaar waarin het schilderij voltooid is. Op de tafel waaraan Eisinga zit, ligt een door de sterrenkundige vervaardigde tekening van de grote zonne-eclips van 7 september 1820. Op de achtergrond staat rechts een ander door Eisinga vervaardigd planetarium dat hij nog eens op een grote schaal had willen uitvoeren, maar daar is het nooit meer van gekomen.

Via een klein trapje kun je op de zolder van het Eise Eisinga planetarium het raderwerk zien, dat de banen van de planeten om de zon op het plafond van het planetarium ook na 250 jaar nog steeds in beweging zet en houdt. De schoonheid van mathematisch/geometrische ordening en precisie. Het zonnestelsel als het tijdloze en feilloze raderwerk van een groots kosmologisch uurwerk.

Details van het plafond van het planetarium: de planeet Saturnus met de prachtige ringen in het sterrenbeeld Aquarius (Waterman) in de maand februari en de maanstanden-wijzer. Goed is hier te zien hoe de zonverlichte zijde van de planeet met goudverf is weergegeven. Na ruim 225 jaar is dit het oudst werkende planetarium ter wereld waar nog steeds de actuele stand van de planeten af te lezen is.

Het Koninklijke Eise Eisinga Planetarium is het oudste, nog altijd werkende, mechanische model van het zonnestelsel ter wereld. Het model laat op ieder moment van de dag de stand zien van de aarde, de maan en de vijf andere toen bekende planeten (Mercurius, Venus, Mars, Jupiter en Saturnus) ten opzichte van de zon. Wolfabrikant Eise Eisinga bedacht en bouwde het mechanisme op een ingenieuze manier in het plafond en de bedkastwand van zijn woonkamer. Hierdoor was hij in staat een groot model te bouwen, waarbij de hemellichamen goed zichtbaar boven de bezoekers hingen. De vindingrijkheid van Eisinga en de gedetailleerde instructies voor het onderhoud die hij naliet, droegen eraan bij dat het mechanisme nog altijd werkt.

In 1859 werd het planetarium door de Nederlandse staat geschonken aan de stad Franeker. De stad Franeker stelde het open als museum. Het woonhuis met planetarium is sinds 1967 een rijksmonument en staat in de Top 100 van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg uit 1990. Eise Eisinga is vanwege zijn planetarium opgenomen in de Canon van Nederland en de Canon van Friesland.

Het planetarium is op 19 september 2023  tijdens de 45e sessie van de Commissie voor het Werelderfgoed in Riyad, toegevoegd aan de UNESCO werelderfgoedlijst.Het is een van de weinige werelderfgoedlocaties die met wetenschap te maken heeft. Replica’s van het mechaniek en de wijzerplaten zijn gebouwd in het Achterhoeks Planetarium en Planetarium Zuylenburgh.  De actuele stand van de plafondwijzerplaat is ook terug te vinden op de website van het planetarium.

De hemelglobe met sterrenbeelden van Jodocus Hondius uit 1600 wordt door Vermeer afgebeeld in zijn schilderij De Astronoom uit 1668 in de collectie van het Louvre in Parijs. (in 1983 verworven uit de privé-collectie van de rijke bankiersfamilie de Rothschild). Het is een pendant van De Geograaf van Vermeer in het Städel Museum in Frankfurt.

Het schilderij toont een man die een hemelglobe van Jodocus Hondius uit 1600 bestudeert. Op de werktafel ligt de Institutiones Astronomicae et Geographicae van Adriaan Metius (1621) opengeslagen op Boek III. Metius adviseert de onderzoeker in dat hoofdstuk om behalve op mechanische instrumenten en kennis van geometrie ook op inspiratie door God te vertrouwen. Aan de muur hangt een schilderij dat de vondst van Mozes afbeeldt. Deze profeet stond symbool voor de kennis van astronomie en geografie doordat hij alle kennis van het oude Egypte had verworven en het Joodse volk uit Egypte leidde.

Mogelijk is de afgebeelde man in De Geograaf en De Astronoom van Vermeer Antoni van Leeuwenhoek, stad- en leeftijdgenoot van Vermeer. Twintig jaar later portretteerde de Delftse schilder Jan Verkolje deze wetenschapper in een vergelijkbare pose als in De Geograaf. De gelaatstrekken komen eveneens deels overeen. Sluitend bewijs voor deze aanname is echter niet te geven.

Vermeer leefde in een tijd van grote ontdekkingsreizen. Een echo daarvan is terug te vinden in de prachtige landkaarten aan de muur in zijn intieme interieurs.

Directeur/conservator Adrie Warmenhoven van het Koninklijk Eise Eisinga Planetarium in Franeker. De kunst van een goede pers-foto: één foto, waarin het hele verhaal verteld wordt. Net zoals Vermeer dat kon: het vermogen alles te kunnen zeggen in één helder leesbaar beeld.

Overigens heeft Nederland altijd grote astronomen voortgebracht: van Christiaan Huygens tot Jacobus Kapteyn, Willem de Sitter, Kees de Jager, Gerard Kuiper, Jan Hendrik Oort tot Ewine van Dishoeck en de “Duitse Nederlander” Heino Falcke, de man achter de eerste foto van een zwart gat. Maar ook nobelprijswinnaars in de theoretische natuurkunde als Hendrick Lorentz, Heike Kamerlingh Onnes en Gerard ’t Hooft. Einstein beschouwde Lorentz als zijn vaderlijke mentor en zocht hem vaak op in Leiden.

Albert Einstein in het raamlicht in zijn studeerkamer in het Institute of Advanced Studies in Princeton.

Het blijft een fascinerend gegeven dat hij in zijn studeerkamer met zijn Relativiteitstheorie de wetten van het universum ontrafelde, lang voor deze empirisch aangetoond konden worden.

Nog steeds bewijzen nieuwe waarnemingen met de nieuwste hi tech-meetinstrumenten de juistheid van zijn theorieën en klinkt steeds weer de mantra: “Einstein had gelijk – alweer !”. Zo werd het fenomeen “Zwaartekrachtlenzen” in het heelal al vroeg door  Einstein voorspeld, en pas veel later door de krachtige ruimte-telescopen van deze tijd als Hubble en Webb daadwerkelijk waargenomen. Een fenomeen waarin lichtstralen door de kromming van de ruimte-tijd als gevolg van de zwaartekracht worden afgebogen. Een kamergeleerde als ontdekkingsreiziger van de geest in het universum.

Een alledaags feitje uit het leven van Einstein: hij sliep tien uur per dag en maakte dagelijks een  wandeling van drie kilometer in het park rond Princeton. Alsof hij zijn geniale gedachte-experimenten allemaal uit zijn dromen haalde…… Onwillekeurig moet ik hierbij denken aan een mooi bijbel-vers:

“Het is voor u tevergeefs, dat gij vroeg opstaat, laat opblijft, het brood der smarten eet – Hij geeft het immers zijn beminde in de slaap”. (Psalm 127:2)

Deze video over het Planetarium van Eise Eisinga in Franeker is op YouTube te zien: “Het Koninklijk Eise Eisinga Planetarium verwondert”, Prins Bernhard Cultuur Fonds.

Wetenschapsjournalist Govert Schilling legt uit waarom het Planetarium van Eise Eisinga zo bijzonder is: