Vermeer’s levensloop – “A Simple Twist of Fate”

Persoonlijke overwegingen naar aanleiding van de lezing “Vermeer
en zijn Gezin” door Wim van Leeuwen, initiatiefnemer van het
Vermeer Centrum in Delft, op woensdag 8 november 2017.

“Kunstenaars van nu
verliezen de concentratie
om te luisteren naar één stem
of te kijken naar één beeld”
Masaaki Suzuki

Wim van Leeuwen en het Vermeer Centrum Delft.
Jarenlang zochten buitenlandse bezoekers in Delft vergeefs naar
een plek, die nog herinnert aan haar wereldberoemde schilder.
Ook al omdat er in Delft al lang geen enkel origineel Vermeer-
schilderij meer te zien is. In 2007 werd aan de Voldersgracht,
waar eens het Lucas-schildersgildehuis stond (waarvan Vermeer
ooit hoofdman was) het Vermeer Centrum geopend.
Zonder het jarenlange doorzettingsvermogen van initiatiefnemer
Wim van Leeuwen was het Vermeer Centrum er nooit gekomen. Na
afloop van de lezing kreeg Wim van Leeuwen uit handen van de
burgemeester van Delft Marja van Bijsterveldt een koninklijke
onderscheiding opgespeld.

Aan de hand van een paar thema’s volgen hier een paar persoon-
lijke overwegingen over de invloed en betekenis van de tot nu
toe bekende biografische gegevens over Vermeer op zijn schilder-
kunst. Natuurlijk is de studie “Vermeer and his Milieu” van John
Michael Montias hét standaardwerk over Vermeer’s leefomgeving en
netwerk in Delft.

Vermeer’s lage afkomst en zijn intrede in hogere kringen.
De grote contouren van de levensloop van Vermeer, die tijdens de
lezing zichtbaar worden, zijn dat Vermeer letterlijk even opgetild
is op de onvoorstelbaar hoge golf, die wij nu De Gouden Eeuw
noemen. Vermeer’s levensloop lijkt erop te wijzen dat hij zich
van betrekkelijk arme komaf hogerop heeft weten te werken, maar
dat zijn familie uiteindelijk toch weer aan lager wal is geraakt.

Twee figuren staan centraal in de levensloop van Vermeer:
Zijn schoonmoeder Maria Thins en zijn mecenas Pieter van Ruijven.
Vermeer trouwde met de dochter van een van de rijkste vrouwen van
Delft, Maria Thins, afkomstig uit een rijk burgemeestersgeslacht
Thins/Hensbeeck.

Hoewel zijn rijke schoonmoeder aanvankelijk tegen het huwelijk was,
trouwde Johannes Vermeer uiteindelijk toch, op voorspraak van de
schilder Leonart Bramer, met Catharina Bolnes in het stadhuis in
Delft en in de schuilkerk Op Hodenpijl in Schipluiden.
Ook had hij een schathemelrijke mecenas, Pieter van Ruijven, die
twee-derde en tevens het beste deel van zijn oeuvre aankocht voor
zijn privécollectie. Vermeer’s kunst is niet die van de selfmade
man, maar is in mijn ogen zuivere “mecenaat-kunst”, mogelijk gemaakt
door de financiële begunstiging van rijke private kunstverzamelaars
in Delft.


De schildersopleiding van de jonge Vermeer
Bij wie kreeg de jonge Vermeer zijn opleiding ? De zeer talentvolle
schilder Carel Fabritius, die omkwam bij de grote Delftse Kruithuis-
explosie in 1654, valt voor velen af als mogelijke leermeester van
Vermeer. Toch is het Fabritius die begon te schilderen met een
lichtere achtergrond en lichtere kleurtonen, zoals Vermeer dat ook
doet in bv. het Melkmeisje. Leonart Bramer behoorde misschien meer
in de sociale kringen waarin Vermeer verkeerde, maar diens schilder-
stijl lijkt werkelijk in geen enkel opzicht op die van Vermeer.
De dichter Arnold Bon dichtte bovendien over “Vermeer, die meester-
lijk betrad zijn pade” (van Fabritius), en legt daarmee een directe
link tussen Fabritius en Vermeer. Bovendien bezat Vermeer in zijn
erfenisboedel drie schilderijen van Fabritius. Wat mij betreft staat
Fabritius stilistisch veel dichter bij Vermeer, dan alle andere
mogelijke leermeesters.

Wim van Leeuwen ziet echter Vermeer’s opleiding als schilder als
volgt:
1647-1649: Schildersschool van Rietwijck, Voldersgracht 20, Delft.
Basisopleiding.
1649-1651: Twee jaar in Amsterdam, waar zijn Diana beïnvloed lijkt
te zijn door de Diana van de Amsterdamse schilder Jacob van Loo
en zijn Christus in het Huis van Martha en Maria door de versie
van Erasmus Quellinus uit Amsterdam.
1652-1653: Twee jaar Leonart Bramer, een Delftse schilder.

Vermeer was lid van het Schuttersgilde in Delft samen met de schil-
ders Cornelis de Man en Leonart Bramer, alsmede zijn mecenas Pieter
van Ruijven. Dat wijst op een hogere sociale status, wat nu een
Rotary of Lions-club zou heten. Mogelijk heeft Vermeer hier zijn
band opgebouwd met zijn mecenas Pieter van Ruijven. De vraag is
of Vermeer mee heeft gevochten met het Delftse schuttersgilde in
1672 in de oorlog tegen de Fransen bij Heusden en Schoonhoven.
Dat zou betekenen dat de schilder, wiens schilderijen zo geliefd
zijn vanwege hun vredige rust en verstilling, deelgenomen zou
kunnen hebben aan oorlogshandelingen. De enorme bloei van de
Gouden Eeuw is mede te danken aan de oorlogen die zeehelden als
Tromp, De Ruyter en De With op zee wisten te behalen, waardoor
De Republiek destijds een wereldmacht kon worden en de kunsten
tot grote bloei konden komen vanwege een explosieve en onvoorstel-
bare economische groei en rijkdom.

Het thema van de Verheffing van de Onaanzienlijken is een thema
dat sterk verbonden is met Vermeer’s eigen levensloop en zijn
latere herontdekking uit de vergetelheid door de Fransman Theophile
Thoré-Bürger in de 19e eeuw. De naam Vermeer was twee eeuwen lang
totaal vergeten, nu is hij een stralende internationale ster onder
de grote meesters. Net zoals Mendelsohn Johann Sebastian Bach heeft
“herontdekt”. Van vergetelheid naar wereldroem. Van een “nobody”
tot een halfgod.

De populairste Vermeers zijn niet de rijke dames in hun zijden
japonnen aan het clavecimbel, maar het Melkmeisje en het Meisje
met de Parel. Twee eenvoudige dienstmeiden, die in het licht van
Vermeer hoog boven zichzelf opgetild worden.

De hedendaagse fotograaf Tom Hunter doet hetzelfde met zijn foto’s
van zijn de door de brave burgerij verachte krakersvrienden. De
verheffing van het alledaagse tot Kunst met een grote K. In ieder
mens is een licht, dat zich opgetild voelt, wanneer het opgenomen
wordt in het licht zelf, zich gezien voelt. Daarin is Vermeer een
meester.

Groot geworden door klein te blijven.
Vermeer leefde in een klein wereldje. Voor Vermeer geen grote avon-
tuurlijke Italië-reis, zoals onder kunstenaars in die tijd gebrui-
kelijk was.


Als je op de Grote Markt van Delft staat, kun je bijna de gehele
leefomgeving van Vermeer zien: Links huis Mechelen (B) en daarachter
de Voldersgracht met zijn Geboortehuis (A) en het gebouw van het
Sint Lucas-schildersgilde (C) en rechts op de Oude Langendijk het
huis van zijn schoonmoeder Maria Thins (D), bij wie hij met zijn
hele gezin introk, en aan de Markt zelf de Nieuwe Kerk en het
stadhuis. Een straat verderop de Oude Kerk, waar hij begraven
ligt en een paar straten verder de plek waar hij het
Gezicht op Delft heeft geschilderd. Kortom: een echte huismus dus.

Aangrenzend aan het huis van Maria Thins, waar Vermeer bij inwoonde,
was de Schuilkerk van de Jezuieten. De Allegorie van het Geloof
was waarschijnlijk bedoeld voor deze schuilkerk en de Allegorie
van de Schilderkunst voor het toen nieuwe Lucas-schildersgilde-
gebouw.

Vermeer en fysieke erotiek: Vermeer is bij uitstek een vrouwen-
schilder. Hij kreeg met zijn vrouw Catharina maar liefst 15
kinderen, wat toch wijst op een sterk erotisch libido. Die erotiek
lijkt gesublimeerd te zijn in het licht van zijn schilderijen.
Het lijkt alsof de hand van Vermeer als een straal van licht is,
die alles met een zachte en intense tederheid bevoelt, streelt,
liefkoost bijna. Het is in zijn licht waarin Vermeer de liefde
bedrijft met zijn ogen. Hoe verfijnd delicaat en in zuiver licht
opgelost zijn schilderijen ook zijn, toch moet Vermeer ook een
heel fysieke man geweest zijn. Een wereldvreemde kamergeleerde
maakt geen 15 kinderen……

In Mozart’s opera Die Zauberflöte klinkt die speelse, kinderrijke
erotiek door in het duet tussen Papageno en Papagena, op YouTube:

In hoeverre vinden we het leven van Vermeer zelf terug in zijn
schilderijen, zoals bij Rembrandt zo duidelijk het geval is ? Ik
moet weer denken aan een scene in Milos Forman’s film Amadeus over
Mozart: na een knallende ruzie tussen zijn vader Leopold en
Wolgang’s vrouw Constanze, gaat hij naar zijn werkkamer, trekt de
deur achter zich dicht en is er ineens alleen nog maar stilte;
daarna begint er langzaam alleen nog maar muziek te klinken. Of
in een ontroerende scene met de puriteinse keizer Joseph, waarin
Mozart met passie zijn opera Die Entführung aus dem Serail ver-
dedigt, die zich in een Turks harem/bordeel afspeelt: “Forgive
me, majesty, I am but a vulgar man, but I assure you: my music
is not !” Dissociatie, alsof zijn muziek vanuit een andere
zone afkomstig is, een ander universum.

De Belgische surrealistische schilder Paul Delvaux schreef ooit:

“Ik zou een wonderbaarlijk schilderij willen maken,
waarin ik zou kunnen leven”.

De magie van Vermeer is dat zijn wereld lijkt op de onze, maar
tegelijk een totaal andere wereld is, waarin het leven stil,
licht, kleurrijk en doorzichtig is.

Het leven en werk van Vermeer werden dus sterk bepaald door de
spelingen van het lot, zoals bezongen door Bob Dylan in het
prachtige “Simple Twist of Fate” van het befaamde “Blood on the
Tracks”-album uit 1975, hier in een live-versie op YouTube: