Alle berichten van Thijn

Het Melkmeisje van Vermeer in Amsterdam en Van Meegerens Laatste Avondmaal in Deventer – “In de Schaduw van de Grote Tovenaar”

Gezien op woensdag 4 mei 2022 gezien in de Hermitage Amsterdam: Het Melk-
meisje van Vermeer uit 1658, een focustentoonstelling rond één meesterwerk,
en op woensdag 25 mei 2022 in Museum de Waag in Deventer: Het laatste
Avondmaal uit 1941, een van de fake Vermeers door de Deventerse meester-
vervalser Han van Meegeren.

“Velen zijn geroepen,
slechts weinigen uitverkoren”
Ludwig Goldscheider

Alles klopt in het Melkmeisje van Johannes Vermeer, dat gelukkig ook nog eens
in zeer goede conditie verkeert. Het stralende licht, haar concentratie, de
sprekende kleuren, de strakke compositie, tot aan de juiste imperfecties toe,
als de spijkergaatjes in de muur, het gebroken glaasje in het raam, de oude
broodkorsten. Paradoxaal genoeg zijn het juist deze onvolmaaktheden, die het
leven in het schilderij brengen. En de perspectivische dieptewerking, waar-
door het oog van de beschouwer als het ware in het schilderij naar binnen
gezogen wordt. Picasso zei het al: “I’d give the whole of Italian painting
for Vermeer of Delft”. Met zuiver picturale middelen verleent Vermeer aan
een eenvoudige dienstmeid tijdens haar dagelijkse werk een bijna aristocra-
tische allure en monumentale schoonheid. Vermeer schilderde het toen de Gou-
den Eeuw haar hoogste bloei beleefde in een periode van vrede en ongekende
welvaart.

Als je het schilderij Het Laatste Avondmaal van Han van Meegeren in Museum
De Waag in Deventer ziet als een échte van Meegeren, en dus niet als een
Vermeer-vervalsing, is het nog niet eens zo’n slecht schilderij. De compo-
sitie, de vlakverdeling, de dieptewerking, de mise en scene is sterk. Toch
is het niet bepaald een schilderij waar je blij van wordt. Het heeft een
sinistere, naargeestige, bijna lugubere uitstraling, die je een heel ander
gevoel geeft dan het Melkmeisje van Vermeer. Van Meegeren schilderde in
tijden van oorlog en oorlogsdreiging. En dat is te zien. De sfeer is grauw,
dreigend, duister, een grafstemming. De dood is voelbaar aanwezig, geheel in
lijn met het onderwerp van Het Laatste Avondmaal.

Op woensdag 4 mei heb ik in de Hermitage Amsterdam het Melkmeisje van Ver-
meer in haar eentje kunnen bewonderen. Je hoeft hier geen kenner te zijn, om
te zien dat Vermeer “the real deal” is. Hoe langer je kijkt, hoe meer Vermeer
straalt en leeft. Vanwege de Russische oorlog in Oekraine, is het samenwer-
kingsverband met het beroemde Hermitage-museum in Sint Petersburg op
pauze gezet. De Hermitage Amsterdam organiseert in plaats daarvan een serie
focustentoonstellingen rond één meesterwerk. Is er een mooier en passender
symbool voor échte vrede in tijden van oorlog dan het Melkmeisje van
Vermeer?

“Een Meyd die Melk uytgiet, uytnemende goet” door Van der Meer van Delft, is
de omschrijving van dit schilderij in de Dissius veilinglijst in 1696.
Destijds verkocht voor 175 gulden. Het feit dat dit schilderij van zo’n rela-
tief klein formaat zo’n hoge prijs opbracht en het veel grotere Gezicht op
Delft voor een slechts iets hoger bedrag van 200 gulden van de hand ging,
getuigt van het feit dat ook tijdgenoten het reeds als een onbetwist meester-
werk beschouwden. Het Melkmeisje van Vermeer is zo’n schilderij waar je
steeds weer naar terugkeert, waar je nooit op uitgekeken raakt en dat je
elke keer ook weer iets nieuws laat ontdekken, wat je eerder nog niet opge-
vallen was.

De Deventerse Waag is een laatgotisch waaggebouw uit 1531 op de Brink in de
binnenstad van Deventer. Het is het oudste waaggebouw in Nederland dat als
zodanig werd gebouwd. Sinds 1915 is het in gebruik als museum. Vanaf 2015
draagt het de naam Museum De Waag.
Deventer is tevens de stad waar Gerard Ter Borch, een tijdgenoot van Vermeer
een groot deel van zijn leven woonde en werkte. Ook is de stad Deventer ver-
bonden aan Etty Hillesum, een jonge Joodse vrouw, die een beroemd oorlogs-
dagboek “Het Verstoorde Leven” schreef in dezelfde jaren waarin Han Van Mee-
geren zijn Vermeervervalsingen schilderde. In foto’s van Etty Hillesum voel
ik meer de echte ziel, mystiek en contemplatie van Vermeer, dan in de schil-
derijen van Van Meegeren.

Sinds 2016 hangt Het Laatste Avondmaal van Han van Meegeren uit 1941 op zaal
met topstukken in Museum De Waag in Deventer, een van zijn beruchte Vermeer
vervalsingen. De eerste associatie die ik bij het zien van dit groot formaat
schilderij kreeg was: “een verzameling dodenmaskers”. Die schokkende asso-
ciatie werd nog versterkt door het echte gipsen dodenmasker van Van Meegeren
zelf, in een vitrine ernaast. Waar de stilte van Vermeer vol is van spran-
kelend licht, kleur en leven, heerst hier letterlijk een deprimerende,
grauwe en doodse stilte, wat in die tijd als “mystiek en religieus” werd
ervaren. Onder de schijnbare serene rust en harmonie lijken dreigende schim-
men en demonen voelbaar aanwezig te zijn, creepy, als je er met hedendaagse
ogen naar kijkt. Het schilderij werd in 2016 aan het Museum De waag in De-
venter geschonken door de erven van Paul en Betty Schoemaker.

Is er dan niets goeds aan dit schilderij ? In schildertechnisch opzicht zeker
wel, de monumentale compositie, de vlakverdeling, de focus in de beeldregie,
de lichtval, het rood-geel-blauw kleurakkoord, de zachte `Schmelz`-contouren,
de stilte, de rust. Het heeft zeker zijn merites als een “échte Van Meegeren”,
maar blijft lichtjaren verwijderd van een echte Vermeer. Het lijkt erop dat
Van Meegeren de ambitie had om Het laatste Avondmaal van Leonardo da Vinci
in Milaan na te volgen, maar dan in de door hemzelf verzonnen en ontwikkelde
vroege stijl en sfumato-techniek van Vermeer.
Laten we wel niet vergeten, dat we nu met alle schilderijencollecties ter we-
reld onder één muisklik, gemakkelijk praten hebben. Van Meegeren mikte des-
tijds op onbekende vroege Vermeers met zijn vervalsingen. Wie nu als vol-
strekte leek Vermeers Diana in het Mauritshuis ziet, of de Christus in het
Huis van Martha en Maria in Edinburgh, zal ook niet meteen denken: “kijk,
dát is nou echt een typische originele Vermeer”. Van Meegeren richtte zich
als vervalser met name op nog onbekende “religieuze Vermeers”, waarvan hij
wist dat de katholieke experts van zijn tijd daar wanhopig naar op zoek
waren, en het zich eigen maken van de “Schmelz”-schildertechniek met die
zachte contouren van Vermeer. Daarnaast ontwikkelde hij een procédé van ba-
keliet waardoor zijn verflaag niet kon oplossen in alcohol, net als een kei-
hard geworden verflaag van een zeventiende eeuws schilderij en het imiteren
van ouderdomscraquelé door het schilderij te bakken in een oven. Hij wist
precies wat de experts graag wilden zien in een “nieuwe Vermeer”. Hij wist
alle experts, museumdirecteuren en rijke kunstverzamelaars te bespelen met
de hele psychologische trukendoos van een illusionist en gewiekste koopman.
Als kunstenaar zal hij never nooit zo’n alom geliefde schilder zijn als
Vermeer, maar – het moet gezegd – als vervalser was hij ronduit geniaal.

Stlleven met een grote zeventiende eeuwse roemer/noppenglas en Berkemeier
wijnglazen, en tinnen borden in het schilderij Het Laatste Avondmaal uit
1941 door Van Meegeren.
Van Meegeren probeerde in zijn Vermeer-vervalsingen zo veel mogelijk die
email-achtige “Schmelz”- schildertechniek van Vermeer te benaderen, dat sfu-
mato met die zachte contouren. Er ligt een zekere zachte floers over zijn
schilderijen, net als bij Vermeer. Het is een subtiel visueel effect, dat
in reproducties, zowel in drukwerk als digitaal helaas grotendeels verloren
gaat, maar juist cruciaal is voor het creëren van een “mystieke” sfeer in
een schilderij. Net als het beroemde “sfumato” van Leonardo da Vinci.
Daarom hanteer ik voor mezelf altijd de stelregel: als je een schilderij
echt goed wilt kunnen beoordelen, moet je altijd het origineel voor je
kunnen zien. Ik ken geen hedendaagse schilder, ook niet de beste fotorea-
listen, die de “Schmelz”-schildertechniek van Vermeer echt in de vingers
hebben. Zelfs een groot kunstenaar als Gerhard Richter, beroemd om zijn
photo-paintings techniek, verzuchtte ooit: “I cannot paint like Vermeer”.

De verlichte figuur links lijkt wel een spookachtige schim uit een horrorfilm,
net als zijn eigen gipsen dodenmasker (rechts), afgenomen na zijn overlijden
in 1947. Vermeer zou nooit zo’n enge griezel hebben kunnen schilderen. Er
staan ook allemaal mannen op het schilderij; Vermeer had duidelijk een voor-
liefde voor jonge vrouwen. Nooit zulke vierkante Mussolini-achtige “sterke
mannen”-koppen, waar de fascisten met hun “doodscultus” destijds zo van hiel-
den. Een vervalsing draagt altijd de onopzettelijke sporen in zich van de
heersende mode en smaak uit de tijd van de vervalser zelf, en ontmaskert zich
mettertijd eigenlijk vanzelf. In het geval van Van Meegeren is het die zware,
sombere, doodse, dreigende sfeer van de vooroorlogse jaren ’30 en het opko-
mende fascisme.

De apostel Johannes aan de linkerhand van de centrale Christusfiguur lijkt
eveneens een dodenmasker, ontleend aan Vermeer’s beroemde Meisje met de
Parel uit het Mauritshuis in Den Haag. Vermeer lijkt zo eenvoudig, tot je
het werk van iemand ziet, die hem na probeert te doen. Dat is vandaag de dag
overigens nog steeds zo, Google Images staat er vol mee. Zelfs een echt
goede handgeschilderde kopie waarin die bijzondere blik echt goed getroffen
wordt is een zeldzaamheid.
Vermeer schildert in vage contouren, maar binnen die vaagheid is hij uiterst
precies en trefzeker. En juist daar gaan alle kopiisten en navolgers letter-
lijk de mist in. Één verkeerde verftoets op de verkeerde plek, en de hele
magie is weg. De glanzende, open ogen van Vermeer’s meisje kijken je echt
aan en degene die naar haar kijkt, voelt zich ook echt gezien. De doodse
ogen van de apostel Johannes van Van Meegeren zijn hol en leeg, staren in
een oneindig niets en kijken dwars door je heen. Al het bloed lijkt wegge-
trokken uit deze dodenmaskers. Als dit religie is, is het eerder een teken
van iets wat nooit echt tot leven is gekomen. Een in de kiem gesmoorde ziel.

Van Meegeren werd lang door velen gezien als die dekselse schavuit, die ge-
wiekste meestervervalser, die toch maar mooi “die verdomde nazi’s belazerd had
door zijn vervalsingen voor veel geld als echte Vermeers aan die massamoor-
denaars en kunstrovers te verpatsen”.
Wie echter dit schilderij uit 1941 goed bekijkt, weet wel beter. Van de twaalf
apostelen is Judas duidelijk afgebeeld als de slechterik, de verrader, met een
donkere huidtint en de karikaturale trekken waarmee joden in nazi-spotprenten
werden afgebeeld. Zijn rode mantel vormt een bewuste kleurecho met de rode
bloed-wijn in de kelk van Christus: “Zijn bloed kome over ons en onze kinde-
ren”. Hoe antisemitisch wil je het hebben ? De joden als de `Jezus-moorde-
naars”. Van Meegeren geloofde zelf wel degelijk in wat hij schilderde, toen
hij dit schilderij maakte. En nazi-kopstukken als Hermann Goering waren maar
wat dol op dit soort door het gif van jodenhaat doordrenkte schilderijen,
kochten het voor grof geld en Van Meegeren werd er schathemeltje rijk mee.
Het is precies dit valse religie-gif, dat aan de wieg stond van de Holocaust,
de Shoah, de massamoord op zes miljoen joden.

Dezelfde karikaturen van de “slechte joden” en een superieure, dus uiteraard
arische Christus zien we terug in deze Christus en de Overspelige Vrouw van
Van Meegeren , de Vermeer-vervalsing, die Rijksmaarschalk Hermann Goering
als een echte Vermeer voor 1.650.000 gulden via een stroman kocht van Van
Meegeren. Het thema van het verdraaien van de waarheid met valse, toxische
beelden is vandaag de dag nog steeds griezelig actueel met de discussie
rond fake news en deep fake imaging ten behoeve van propaganda. Digitale
technieken zijn zo goed geworden, dat de leugen op het eerste gezicht
overtuigend als “feit” en “waarheid” kan worden gepresenteerd. Zeker voor
kijkers die alleen maar hun eigen vooroordelen bevestigd willen zien.

En wat te denken van deze persoonlijke opdracht, die Van Meegeren eigenhan-
dig schreef in een boekuitgave van zijn tekeningen, die na de oorlog werd
teruggevonden in de persoonlijke bibliotheek van niemand minder dan de
Führer zelf, Adolf Hitler. Zelfs Vermeer’s beroemde en absolute meester-
werk, De Schilderkunst in Wenen, hing ooit boven het bureau van Adolf
Hitler in zijn persoonlijke werkkamer…….
Van Meegeren werd geboren in hetzelfde jaar als Adolf Hitler: 1889. Beiden
waren min of minder gemankeerde kunstschilders, koesterden een diepe
weerzin tegen moderne, in hun ogen “entartete” kunst en werden gedreven door
een allesoverheersend diep gevoel van vernedering, jaloezie en rancune.
Vermeer is de patroonheilige van de heimelijke droom van alle kunstenaars,
die in hun leven nooit de erkenning krijgen waarop ze hopen. Vermeer was
tweehonderd jaar vergeten, pas veel later herontdekt, nu wereldwijd bewon-
derd als geniaal kunstenaar en opgenomen in het pantheon der allergrootste
schilders.
Diep in hun hart dromen alle schilders net zo goed te kunnen schilderen als
Vermeer. Ook grote schilders, die wel veel succes hebben. Picasso zei ooit:
“Ik ruil de hele Italiaanse schilderkunst zo in voor die van Vermeer van
Delft”.

In zijn eigen werk was Van Meegeren nog het meest succesvol als portretschil-
der, zoals dit trefzekere portret van Maurits Houck, oud-directeur van Museum
De Waag in Deventer, te zien naast Het Laatste Avondmaal in het museum. Een
vakman was hij zeker, maar vakmanschap alleen maakt nog geen groot kunstenaar.


Briefschrijvende Vrouw, Gerard Ter Borch, 1655, Mauritshuis, Den Haag
Galante Conversatie, Gerard Ter Borch, 1654, Rijksmuseum, Amsterdam
Gerard Ter Borch is de mooiste schilder, die Deventer ooit heeft voortge-
bracht. Uit een document in 1653 blijkt dat Gerard Ter Borch uit Deventer en
Johannes Vermeer voor een notaris in Delft gezamenlijk een akte ondertekend
hebben, slechts twee dagen na het huwelijk van Vermeer. Ter Borch was op dat
moment al een succesvol en gevierd schilder, Vermeer was nog niet eens als
lid geaccepteerd door het Delftse Sint Lucas-gilde. Er is dus zwart op wit
bewijs dat deze groten van de Hollandse genreschilderkunst uit de Gouden
Eeuw elkaar persoonlijk hebben ontmoet. Maar of ze verder intensief contact
met elkaar onderhouden hebben is niet bekend. Ter Borch was vooral een mees-
ter van elegante figuren en stofuitdrukking. Zijn weergave van glanzend
satijn en zijde stoffen was ongeëvenaard. Zijn zus Gesina was zijn favo-
riete model. Zijn vader was ook kunstschilder en gaf zijn liefde voor de
schilderkunst door aan zijn zoon.

De sfeer in deze intieme foto van Etty Hillesum doet me altijd aan Vermeer
denken: een jonge joodse vrouw in een hoek van een kamer mooi in het licht
bij het raam, hier met uitzicht op het Museumplein in Amsterdam. Aan de tafel
waaraan ze haar later beroemd geworden oorlogsdagboeken schreef, temidden
van de boeken van haar lievelingschrijvers. In het gezelschap van de Duitse
dichter Rainer Maria Rilke en de Russische meester van de psychologische
roman Fjodor Dostojevski. Aan de muur een portretfoto van haar geliefde
Julius Spier. Op 7 september 1943 werd zij met haar hele familie op trans-
port gesteld naar het concentratiekamp Auschwitz, waar zij op 30 november
1943 om het leven kwam. In 1981 werden haar dagboeken van 1941-1943
postuum in boekvorm uitgegeven onder de titel “Het Verstoorde Leven” en
bleken meteen een wereldwijd succes. In Deventer bestaat nog steeds het
Etty Hillesum Centrum in een voormalige synagoge aan de Roggestraat 3.

Ik herken in Etty Hillesum tijdens de Corona-lockdown het alleen zijn, maar
niet eenzaam voelen, en het kunnen verkeren in het gezelschap van onsterfe-
lijken: de schilderijen van Johannes Vermeer en de songs van Bob Dylan, zoals
zij dat kon in de gedichten van Rilke en de romans van Dostojevski. De mys-
tieke kracht van zielsverwantschap, waar een teruggetrokken levenswijze zich
heel goed voor leent.

De interieur-foto van Etty Hillesum doet me kwa licht melancholische sfeer
denken aan deze drie schilderijen van Vermeer van een jonge vrouw alleen in
haar kamer: Briefschrijvende Vrouw in Geel in Washington, en de Luitspeel-
ster en Slapend Meisje aan een Tafel, beiden in New York, Een wereld van
verborgen gevoelens en verlangens in steeds dezelfde hoek van een kamer,
dicht bij het raam waar het licht mooi is.

Deze portretfoto’s laten een mooie jonge Joodse vrouw zien, met een een rijk
innerlijk leven. Ogen als gesloten en open vensters van de ziel. Uit de
foto’s, die er van haar zijn, kun je opmaken dat ze zich graag liet fotogra-
feren. Als model zouden Vermeer-achtige poses van innerlijke contemplatie en
concentratie heel goed bij haar passen.

“Men zou een pleister
op vele wonden willen zijn”
Etty Hillesum

“De roos
kent geen waarom.
Ze bloeit”
Angelus Silezius

Het is maar zeer weinig kunstenaars gegeven als een roos schijnbaar als van-
zelf open te bloeien tot een uitzonderlijke, volmaakte schoonheid.
Vermeer heeft het. Mozart heeft het. Cruijff heeft het.
De roos komt in de knop, bloeit in volle schoonheid open om tenslotte weer te
verwelken. En het ziet er allemaal bedrieglijk natuurlijk, eenvoudig en van-
zelfsprekend uit. Alsof het allemaal vanzelf gaat, ze er niet eens hard voor
hoeven te werken. Wat de Italianen “sprezzatura” noemen, de schijn van
moeiteloosheid.

“Ik ben niets.
Ik weet niets.
Ik kan niets”

Een psychologisch portret van een vervalser: waar nam de kunstenaar Van Mee-
geren zijn fatale afslag naar het kunstvervalserschap ?
Menig kunstenaarsziel wordt al in de kiem gesmoord, in de knop geknakt.
De tragiek van Van Meegeren is dat hij in zijn jeugd een vreselijke dictato-
riale vader had, die hem vanuit zijn dominante machtspositie steeds weer dwong
dezelfde strafregels over te schrijven: “Ik ben niets. Ik weet niets. Ik kan
niets”. Je zult maar zo’n vader hebben ! Als je een jong hondje alleen maar
slaat, krijg je later een lelijke, valse hond die iedereen wil bijten. In dat
karma bleef van Meegeren zijn hele leven gevangen. Als kunstenaar heeft hij
zich nooit onder het juk en druk van zijn vader uit kunnen bevrijden. Als
vervalser had hij slechts één doel: wraak op zijn vader. Zijn succes als
vervalser was tegelijk zijn nederlaag als kunstenaar.

“Wat ik eigenlijk zo fascinerend vind bij Van Meegeren, dat hij in zijn jeugd
door zijn vader zo zeer vernederd en gekwetst is geweest, dat die vreselijke
ervaring eigenlijk bepalend is geweest voor de rest van zijn hele leven”
Sis van Rossem.

Sis van Rossem over de psyche van Han van Meegeren in Deventer
(vanaf 17:08 – 21:48):
Sis van Rossem over vader-trauma Van Meegeren

Van Meegeren besloot tegen de wil van zijn vader toch zijn eigen hart te vol-
gen en voor een carrière als kunstenaar te gaan, maar door het vernietigende
oordeel van de kunstcritici, die zijn eigen werk als kunstenaar volkomen af-
kraakten, werd de kwetsuur, die zijn vader al diep in zijn ziel had geprent,
weer opnieuw opengereten. De wraak van de kunstvervalser van Meegeren op
zijn kunstcritici was in wezen ook de wraak van de zoon op zijn vader en
bleek uiterst geraffineerd, zeer ter zake kundig en vernietigend. De repu-
taties van alle grote Vermeer-experts van zijn tijd gingen eraan en werden
– door zijn vervalsingen als echte Vermeers te verklaren en De Emmausgangers
zelfs als hét absolute meesterwerk van Vermeer – in een grote verwoestende
knal volledig opgeblazen. De schokgolf van het Van Meegeren-schandaal is
tot de dag van vandaag nog duidelijk voelbaar. De hele kunstwereld ging op
de schop.
Dé Vermeer-expert of dé Vermeer-kenner bestaat vandaag de dag niet meer,
hoe kleurrijk figuren als Bredius en Hannema destijds ook waren. Sinds de
Van Meegeren-affaire is de hele benadering in het kunsthistorisch onderzoek
als een blad omgeslagen. Alles draait nu in hoofdzaak om “harde” materiaal-
technische en wetenschappelijke onderzoeksprojecten in teamwork. “We won’t
get fooled again” is wat de klok slaat. “Dat zal ons nooit meer overkomen”.
Maar is dat wel zo ?

Want aan dat materiaaltechnisch en wetenschappelijk onderzoek kleven ook pre-
tenties, waar de nodige vraagtekens bij te plaatsen zijn. Alsof daarmee alle
vervalsingen uit de kunst- en museumcollecties weggezuiverd kunnen worden.
Het is een publiek geheim dat minstens een derde van alle schilderijen, die
in de huidige kunsthandel circuleren, vervalsingen zijn. Aan degelijk schil-
derijen-onderzoek zijn hoge kosten verbonden, en dat is alleen betaalbaar
voor schilderijen in het absolute top-segment van de kunsthandel. Alle ver-
valsingen in het segment daaronder glippen moeiteloos door de mazen van het
systeem.
In de huidige trend van het Vermeer-onderzoek ligt de focus op het onderzoe-
ken van alle échte Vermeers met de modernste digitale hi-tech-scanners, het
detecteren van alle latere overschilderingen én deze liefst te verwijderen.
Net zo lang scannen en schrapen, tot de “enige, echte Vermeer” overblijft.
Zoals met de geruchtmakende restauratie van het Brieflesendes Mädchen am
Offenen Fenster in Dresden is gebeurd, waar een volgens onderzoekers “later
overschilderd” Cupidoschilderij weer is “blootgelegd”. Daarvan werd tot
dan toe door kenners altijd aangenomen dat Vermeer de Cupido zelf weer
heeft overschilderd om een rustigere compositie te verkrijgen. Maar loopt
deze “scan en scalpel”-aanpak van het moderne Vermeer-onderzoek op haar
beurt ook niet het risico te ver doorgevoerd te worden ? Er zijn nog meer
Vermeers met aantoonbare overschilderingen. Gaan we die ook allemaal zo
aanpakken, om langs die weg de `nieuwe Vermeers` te krijgen, waar de media
zo graag van smullen ? Die eeuwige jacht op een “nieuwe Vermeer” leidde
destijds ook naar De Emmausgangers van….. Van Meegeren. En wat als latere,
nóg betere technieken aantonen dat de overschildering toch eigenhandig van
Vermeer zelf blijkt te zijn ? Zijn “wetenschappelijke feiten” per definitie
echte en beyond reasonable doubt bewezen feiten ?

Wetenschap en Religie.

`Religion without science is blind,
Science without religion is lame`
Albert Einstein

Bij De Emmausgangers van Van Meegeren is het duidelijk aangetoond:
“Religion without science is blind”.
Maar `Science without religion is lame`, is wat mij betreft ook een
terechte waarschuwing van Einstein.

Het idee dat alleen wetenschap, scanners en digitale hi-tech ons dichter bij
de echte Vermeer zouden brengen, vind ik ook getuigen van grenzeloze zelfover-
schatting van wetenschappers en techneuten. Dat we straks met spectaculaire
digitale mogelijkheden of zelfs Artificial Intelligence wel even een echte
Vermeer kunnen gaan reconstrueren of creëren.
Zou de Briefleserin in Dresden ooit een hedendaagse canard als de “Emmaus-
gangers” kunnen blijken te zijn, maar dan van geheel andere aard ? En wat
is dan erger: een valse Vermeer à la van Meegeren of een verminkte échte
Vermeer in Dresden ? Ik word altijd huiverig als in de media in ronkende
publiciteitsbeluste persberichten gesproken wordt over een “nieuwe
Vermeer” of “een geheel nieuwe kijk op Vermeer”. Met vervalsingen kan ik
leven, die vallen in het geval van Vermeer vroeg of laat toch wel door de
mand. Maar met dat idee van “terugrestaureren” van een échte Vermeer, naar
“de staat waarin het schilderij het atelier van de meester heeft verla-
ten”, heb ik grote moeite. Zeker als er een scalpel aan te pas komt, en de
ingreep niet-reversibel is, zoals in Dresden het geval is.

“Religion without science is blind” deed kenners ooit geloven dat de Emmaus-
gangers-Vermeervervalsing van Van Meegeren het absolute meesterwerk van
Vermeer zou zijn.
“Science without religion”, zoals het project “Girl in the Spotlight” in het
Mauritshuis, brengt zeker interessante wetenschappelijke feiten aan het
licht, maar brengen die kleine wetenschappelijke feiten en details ons nou
echt zo veel dichter bij de echte Vermeer ? Bij de innerlijke ervaring, die
maakt dat mensen over de hele wereld zo van Vermeer houden ?
“Oog of Chemie?” Het een kan niet zonder het ander. Anders wordt de ene
soort vergissing slechts vervangen door een ander soort vergissing. Kunst
is meer dan wetenschap en techniek, meer dan louter een verzameling van
via hi-tech verkregen feiten.

Binnen alle verstilling is het Melkmeisje van Vermeer vol sprankeling, licht,
kleur en leven. Het Laatste Avondmaal is een echte Van Meegeren, maar er
hangt de schaduw van de dood overheen. Een schilderij van een aangekondigde
dood, net als Het Laatste Avondmaal zelf. Een verlichte ziel versus ziels-
verduistering.
Er zit wat mij betreft meer religie in Vermeers eenvoudige alledaagse Melk-
meisje, dan in het religieuze theaterstuk van Van Meegeren. Dat is de paradox.
Vermeer vond God in het alledaagse, Van Meegeren sloot een pact met de duivel.
Het kwaad zoekt precies dezelfde plek op, waar mensen God en schoonheid zoe-
ken. Religie haalt het beste, maar ook het slechtste in mensen naar boven.
Vermeer en Van Meegeren zijn twee kanten van dezelfde medaille.
In elke monografie over Vermeer kom je onvermijdelijk een hoofdstuk over
van Meegeren tegen.
Vermeer blijft moeiteloos overeind zonder Van Meegeren. Zonder Vermeer
zouden we echter nooit van Van Meegeren gehoord hebben en was hij nu een
volkomen vergeten kunstschilder. Het is het spannende en sensationele
verhaal van Irving Wallace “The Man Who Swindled Goering” dat blijft hangen
bij het grote publiek, niet de schoonheid van Van Meegerens eigen schil-
derijen, noch zijn Vermeer-vervalsingen.

Misschien had Carl Jung gelijk: “Only the paradox comes anywhere near to
comprehending the fullness of life.”. Dat er na Vermeer vanzelf een Van Mee-
geren moest komen. Dat licht en schaduw, goed en kwaad, zijn en niet-zijn,
echt en onecht beiden deel uitmaken van dezelfde paradox, die het echte
leven is. En dat het ergens ook goed is, dat van Meegeren die vaak
stuitend pretentieuze arrogantie van kunstkenners onderuit heeft gehaald.
Die zich gedroegen alsof ze de hogepriesters van de kunst waren, maar
die achteraf dus met veel trompetgeschal wel een compleet valse Vermeer
als hét meesterwerk van Vermeer binnenhaalden. Bob Dylan zingt het
precies goed: “And the princess and the prince discuss, what is real
and what is not. It doesn’t matter inside the Gates of Eden”…..

Er zijn meerdere speelfilms over Van Meegeren gemaakt, zoals “Een Echte
Vermeer” (2016) en “The Last Vermeer” (2019), goede films, maar in mijn
ogen geen echte topfilms. Ik zou wel eens een speelfilm over Vermeer en
Van Meegeren willen zien met een briljant scenario als het meesterwerk
“Amadeus” van Milos Forman uit 1984 over Mozart en zijn jaloerse tegen-
strever Salieri. In deze film klopt alles. Het originele idee stamt al
uit 1830 uit een poëtisch drama van de Russische schrijver/dichter
Poesjkin – “Mozart en Salieri”. Het genie van Vermeer laten zien door
de ogen van Van Meegeren. Scenes waarin Van Meegeren spreekt over de
schoonheid van Vermeer. En dat de schilderijen van Vermeer dan net zo
goed en mooi in beeld worden gebracht als de muziek van Mozart klinkt
in de film “Amadeus”.

Zoals in deze scene uit Amadeus op YouTube:
“I was staring through the cage of those meticulous ink strokes at
an absolute beauty….”

Of deze scene:
“On the page it looked… nothing, the beginning is simple,
almost common….”

Het 17e Eeuwse Stadsgezicht – Van Goyen’s Gezicht op Rhenen en Vermeer’s Gezicht op Delft

Jan van Goyen (1596-1656) is beroemd om zijn vele stadsgezichten van een Hol-
landse stad aan een rivier – Dordrecht, Arnhem, Nijmegen, Rhenen. Alleen al
van Rhenen schilderde Van Goyen maar liefst 28 verschillende versies. Johan-
nes Vermeer (1632-1675) schilderde slechts één stadsgezicht, maar wel een
wereldberoemd meesterwerk van uitzonderlijke kwaliteit – het Gezicht op Delft
in het Mauritshuis in Den Haag. In het Stadsmuseum Rhenen is momenteel het
fraaie Gezicht op Rhenen uit 1649 van Jan van Goyen te bewonderen, uit een
Berlijnse privé-collectie, dat het museum middels een grote inzamelingsactie
met steun van oa. de Vereniging Rembrandt binnenkort hoopt te verwerven.

“Denkend aan Holland
zie ik breede rivieren
traag door oneindig
laagland gaan….”
H. Marsman

Gezicht op Rhenen, Jan van Goyen, 1649, Foto’s: Thijn van de Ven

Jan van Goyen, die in één een adem genoemd wordt met meesters als Rem-
brandt, Cuyp en Van Ruisdael, laat Rhenen in volle glorie zien. Van over de
Rijn kijk je naar de stad tot voorbij de Grebbeberg. Je ziet de stuwwal,
stadsmuren, molens, torens, het imposante Koningshuis en de hoge Cuneratoren.
Rhenen gold als een lieveling van Nederlandse topschilders uit de zeventiende
eeuw. Rhenen was de eerste blikvanger op de reizen die kunstenaars maakten
langs de Rijn. Op zoek naar inspiratie verlieten ze de steden waar ze hun
atelier hadden, zoals Leiden, Amsterdam, Den Haag en Dordrecht.

Gezicht op Delft, Johannes Vermeer, 1660, Foto’s: Mauritshuis, Den Haag

Van Goyen (1596-1656) leefde en werkte een generatie eerder dan Johannes Ver-
meer (1632-1675).
Bij een vergelijking van zijn Gezicht op Rhenen uit 1649 en Vermeer’s Gezicht
op Delft uit 1660 vallen een aantal verschillen op, die in mijn ogen toe te
schrijven zijn aan de “optische revolutie”, die zich tijdens Vermeer’s leven
in Delft voltrok. Van Goyen werkte aan de hand van tijdens zijn reizen ge-
maakte tekeningen en schetsen, die hij in zijn thuis-atelier in Den Haag
later uitwerkte in schilderijen, als een “atelierstuk”. Bij Vermeer krijg je
eerder een “plein air” gevoel dat hij vanuit een raam in zijn schildersate-
lier de stad Delft voor zich zag liggen en dat direct als een grote “kleuren-
foto” weergaf in een schilderij. Wat als eerste opvalt is het grote verschil
in kleur: bij Van Goyen is een groot deel van de tonale monochrome onder-
schildering in bruinige aardkleuren nog goed zichtbaar, typerend voor de
vroege Hollandse school. Bij Vermeer zijn de heldere, verzadigde kleuren van
een bijna Italiaanse intensiteit, als in de Venetiaanse vedutes van Canaletto
en Guardi of de Franse Impressionisten. Een stukje Holland in kleur, gezien
met bijna Italiaanse en toch oer-hollandse schildersogen. Van Goyen schilder-
de een door hemzelf in zijn atelier “bedacht” licht.
Vermeer schildert een volkomen overtuigend, natuurlijk daglicht; “gezien”
licht, zoals hij het voor zich zag in de dagelijkse zichtbare wereld.

Wat Vermeer’s Gezicht op Delft en Van Goyen’s Gezicht op Rhenen gemeen
hebben is de lage horizon. Tweederde van het schilderij is een Hollandse
wolkenlucht, wat een gevoel van ruimte en monumentaliteit geeft.

Van Goyen en Vermeer zijn te beschouwen als tegenpolen.
Van Goyen was een onverzadigbaar reiziger, hij reisde langs een groot aantal
Hollandse steden en dorpen en maakte er vele schetsen voor zijn stadsgezich-
ten.
Vermeer was honkvast en verbleef zijn hele leven in zijn thuisstad Delft.
Van hem is geen enkele schets bewaard gebleven.
Van Goyen was ook uitzonderlijk productief, van zijn hand zijn maar liefst
1200 schilderijen (!) bewaard gebleven.
Vermeer maakte slechts weinig schilderijen. Er zijn er 35 bewaard gebleven,
zijn totale productie zal hooguit 45 werken geteld hebben. Vermeer maakte de
artistieke keuze voor topkwaliteit boven kwantiteit.
Er valt echter veel meer geld te verdienen met veel en toch zeer goede schil-
derijen als bij Van Goyen, dan met een klein aantal absolute meesterwerken,
ondanks de hoge prijzen, die Vermeer voor zijn schilderijen kreeg. Vermeer
was de betere kunstenaar, Van Goyen de betere zakenman.

Van Goyen schilderde voor de open en vrije commerciële markt en had een
feilloos gevoel voor schilderijen waar veel vraag naar was en dus veel geld
mee te verdienen viel, en daarnaast zat hij ook in de bloeiende handel in
huizen en tulpenbollen (tijdens de tulpenmanie). Hij had vooral een goed
commerciëel “verdienmodel”.
Vermeer daarentegen genoot als kunstschilder een privaat mecenaat van een
rijke mecenas Pieter van Ruijven en een rijke schoonmoeder Maria Thins.
Hierdoor kon hij zich in zijn schilderkunst meer in de luwte door een
zuiver artistiek geweten laten leiden en kwaliteit laten prevaleren boven
kwantiteit/productiviteit.
Vermeer deed bijna twee jaar over dat éne Gezicht op Delft, waar Van Goyen
twintig tot dertig stadsgezichten per jaar schilderde. Het is die concen-
tratie van Vermeer, het vermogen om alles wat hij in zich had in één abso-
luut meesterwerk te leggen, dat zijn schilderijen met kop en schouders
boven zijn tijdgenoten uit doet stijgen.

Vanaf 1630, gedurende zijn rijpe periode, woonde Van Goyen in Den Haag,
vlakbij het Delft van Vermeer. Toen Van Goyen in 1656 op 60-jarige leeftijd
stierf, maakte Vermeer net zijn eerste schilderijen. In 1632, Vermeer’s ge-
boortejaar, was Van Goyen al 38 jaar; er zijn geen documenten gevonden waar
uit blijkt dat Vermeer en Van Goyen elkaar ooit ontmoet hebben. Bovenstaand
portret van Van Goyen is wel geschilderd door Gerard Ter Borch, van wie we
uit een document weten dat hij ook Vermeer persoonlijk heeft ontmoet.

Bij Van Goyen is de rivier vol levendige activiteit, overal zijn schippers en
vissers in de weer op of aan het water.
Bij Vermeer staan op de voorgrond enkele passagiers bij een trekschuit wat
met elkaar te praten, maar voor het overige heerst er een volkomen rust en
stilte, zonder bedrijvigheid en lawaai. Actie versus Contemplatie.
Van Goyen’s exquise en fragiele schilderstijl in zijn zeegezichten, rivier-
scenes en stadsgezichten was er de oorzaak van dat hij – net als Vermeer –
tot 200 jaar na zijn dood in de vergetelheid was geraakt, in een periode
waarin men de voorkeur gaf aan volledig en precies tot in detail uitgewerkte
schilderijen. Vandaag de dag is het tij gekeerd: juist zijn open luchten en
luchtig maar trefzeker gesuggereerde bomen en gebouwen worden door con-
noisseurs zeer op waarde geschat. Van Goyen is ook zo’n schilder met een
heel eigen licht en een eigen stijl, die je direct herkent.

Van Goyen schildert losjes en schetsmatig, zoals te zien in het detail van de
Cunera-kerktoren van Rhenen en het grote zeventiende eeuwse Koningshuis, dat
helaas in de 19e eeuw is afgebroken. Vermeer schildert meer “fotografisch”.
Bij Van Goyen zie je tekenachtige lijnen, die je bij Vermeer nooit aan zult
treffen. Bij Vermeer lost de werkelijkheid op in intense licht- en kleurvlak-
ken. Opvallend zijn de vervaagde contouren, zoals de contour van de boom
naast de toren van de Nieuwe Kerk in Delft. Dit soort contour-vervaging doet
sterk denken aan het beeld dat je ziet in een camera obscura met een primi-
tieve lens. Van Goyen schilderde puur met het blote oog, wat de Engelse
schilder David Hockney “eyeballing” noemt. Vermeer schildert effecten, die
je niet met het blote oog precies zo kunt zien, maar wel met misschien wel
de grootste uitvinding in de Gouden Eeuw: de lens. De tijd van de microscoop
van Van Leeuwenhoek, de telescoop van Huygens en de camera obscura,
waarvan ik ben geneigd te zeggen, dat Vermeer er gebruik van maakte.

Rond 1616 was Van Goyen gedurende één jaar in Haarlem in de leer bij de schil-
der Esaias van de Velde, wiens invloed beslissend was voor de rest van Van
Goyen’s leven en werk. Esaias van de Velde lijkt een verbindende schakel te
zijn tussen Van Goyen en Vermeer. Het Gezicht op Zierikzee van Van Goyen’s
leermeester Esaias van de Velde uit 1618 heeft eenzelfde compositie als Ver-
meer’s Gezicht op Delft uit 1660, met name de gebogen vorm van de oever op
de voorgrond en die van de rivier, alsmede het silhouet van de gebouwen van
een stad tegen een hoge, lichtere wolkenhemel. Als Vermeer zich inderdaad
direct door dit werk heeft laten beïnvloeden, moet hij als kunsthandelaar
ook bekend zijn geweest met de stadsgezichten van Van Goyen.

Elke meester heeft zijn eigen licht: Bij Van Goyen is dat een diffuus, bijna
monochroom, grijzig licht, zoals in zijn Gezicht op Nijmegen met de Valkhof-
burcht, Museum Het Valkhof, Nijmegen.
Helaas is de imposante Valkhofburcht in Nijmegen begin 19e eeuw afgebroken
en zal ze, ondanks plaatselijke herbouwplannen, waarschijnlijk nooit meer in
haar oude luister te zien zijn.
Het licht van Vermeer is helder, sprankelend, koel, kleurrijk daglicht, als
gezien door een fotocamera. Zoals in zijn beroemde Gezicht op Delft. Het is
zo levensecht, dat het oogt alsof je door een raam naar buiten kijkt over
de stad.

De Cunera-toren van Rhenen en de voorgevel van het Stadsmuseum Rhenen,
gevestigd in het voormalige raadhuis.

Directeur Maike Woldring voor het ‘Gezicht op Rhenen’ van Jan van Goyen
© Ulrike Nagel / RTV Utrecht.
Drijvende kracht achter het Stadsmuseum Rhenen is mijn oud Valkhof-collega
Maike Woldring. Momenteel heeft het museum het Gezicht op Rhenen van Jan
van Goyen in bruikleen uit een Berlijnse privé-collectie en is het tot 30
december 2022 in een bijzondere presentatie te zien. Het museum zet alles
op alles om mede met steun van de Vereniging Rembrandt 350.000 euro bij
elkaar te krijgen voor de aankoop van het topstuk.
Als het zover is, dan moet het schilderij een sleutelstuk worden in een
nieuw onderdeel van een vaste tentoonstelling. Met een centrale plek voor
Rhenen en de verhalen over de kunstenaars die in de 17e eeuw langs de Rijn
onderweg waren op zoek naar inspiratie. Onderweg naar Duitsland en Italië
bleek Rhenen keer op keer een blikvanger voor de schilders, alleen al Jan
van Goyen schilderde Rhenen 28 keer.

YouTube Video: Barnes Takeout: Art Talk on Jan van Goyen’s The Square Watch-Tower:

YouTube – Dutch Cities by Jan van Goyen:

“Melkmeisje” Vermeer en “Masters of War” Bob Dylan in Tijden van Oorlog en Vrede

In tijden van Corona en de dreiging van een nieuwe wereldoorlog na de Rus-
sische inval in Oekraïne lijken “Het Melkmeisje” van Johannes Vermeer en de
protestsong “Masters of War” van Bob Dylan steeds indringender en actueler
tot ons te spreken.

Vermeer

Zolang die vrouw uit het Rijksmuseum
in geschilderde stilte en concentratie
uit een kan in een schaal
dag in, dag uit melk giet,
verdient de Wereld
geen einde van de wereld.

Wislawa Szymborska

In 1963 schreef Bob Dylan het sublieme en tijdloze “Masters of War”, de ul-
tieme protestsong tegen oorlog. In 1658 schilderde Johannes Vermeer zijn
sublieme en tijdloze Melkmeisje, een stille kracht, doortrokken van liefde
en vrede. “Oorlog en Vrede” in een schilderij en een protestlied.

“De schoonheid
zal de wereld redden”
Fjodor Dostojevski
uit “De Idioot”

Op YouTube is Bob Dylan’s sublieme en tijdloze “Masters of War” te be-
luisteren. Nu helaas actueler dan ooit:

Vermeer – Kunst en Religie in een Verborgen Schuilkerk

Hoewel de schilderijen van Vermeer veelal alledaagse scenes uitbeelden, zijn
deze doortrokken van een bijna sacrale sereniteit en stilte, die zijn tafe-
relen de zeggenskracht geeft van een heilig ritueel. Ergens op een ongrijp-
bare maar voelbare manier lijken in Vermeer’s schilderijen kunst en religie
samen te komen. Welke invloed had religie op leven en kunst van Vermeer in
het spanningsveld tussen protestantisme en katholicisme in de Hollandse
Gouden Eeuw ?

“Whatever you are doing,
that what makes you
feel the most alive….
that is where God is….”
Ignatius van Loyola

Er zijn maar drie expliciet religieuze schilderijen van Vermeer bewaard geble-
ven. De Allegorie van het Geloof – een late Vermeer, de Dame met Weegschaal
met het Laatste Oordeel, en Christus in het Huis van Martha en Maria – een
vroege Vermeer.
Veel Vermeerliefhebbers ervaren bij het zien van een Vermeer een geheimzin-
nige sereniteit en stilte, die religieuze gevoelens kan oproepen in een alle-
daags tafereel. Alsof ze oog in oog staan met een mysterie geschilderd in
licht. Was Vermeer een soort schilderende mysticus/kluizenaar met een alziend
oog ?
“Als God zou schilderen, dan schilderde hij als Vermeer: louter licht”.
Was Vermeer misschien geïnspireerd door de lichtsymboliek in de proloog van
het evangelie van zijn naamgenoot Johannes ?:

“Er trad een mens op, een gezondene van God,
zijn naam was Johannes,
Deze kwam tot getuigenis om te getuigen van het Licht,
opdat allen door hem tot geloof zouden komen.
Niet hij was het Licht, maar hij moest getuigen van het Licht.”

In zijn beste momenten benadert de schilderhand van Vermeer een adembe-
nemende, bijna bovenaardse perfectie. En dan is er ook nog die schuilkerk
van de Jezuieten bijna naast zijn deur aan de Oude Langendijk in Delft en
een andere schuilkerk in Schipluiden, waar hij trouwde met zijn geliefde
Catharina Bolnes. Is het religieuze van Vermeer toch vooral een projectie
onzerzijds “in the eye of the beholder” of was Vermeer in werkelijkheid
een kunstenaar met een diepgevoelde innerlijke hang naar mystiek ? We
weten het niet.

Pal naast het huis van Vermeer aan de Oude Langendijk in het overwegend pro-
testantse Delft stond een woonhuis dat toebehoorde aan de katholieke orde van
de Jezuieten met een schuilkerk, waar Vermeer als katholiek ter kerke ging.
Om te kunnen trouwen met de liefde van zijn leven, Catharina Bolnes, een
rijke patriciërsdochter, bekeerde Vermeer zich als protestant tot het katho-
licisme, onder druk van de aanvankelijke weigering van zijn schoonmoeder Ma-
ria Thins om toestemming te geven voor het huwelijk. Het huwelijk werd in
1653 voltrokken in de katholieke schuilkerk Hodenpijl in Schipluiden, in de
buurt van Gouda. Buiten de schilderijen van Vermeer hebben we geen geschre-
ven brieven of teksten van hem, waaruit zijn innerlijke zieleroerselen direct
zijn af te leiden. Was zijn bekering een zuiver religieuze overgave aan God,
of veeleer ingegeven door opportunisme en pragmatisme, met het oog op de
materiële voordelen van een huwelijk met een rijke vrouw ? We weten het niet.
Misschien wist hij het zelf niet eens. Of misschien was het wel allebei. De
paradox is bij Vermeer nooit ver weg.

Het schilderij De Kruisiging van Jacob Jordaens uit 1623 is op de achtergrond
te zien in de Allegorie van het Geloof van Vermeer. Dit schilderij of een ko-
pie ervan bevond zich in de collectie van Vermeer’s schoonmoeder Maria Thins.
Werden de religieuze onderwerpen in Vermeer’s oeuvre vooral ingegeven door
zijn diepreligieuze katholieke schoonmoeder Maria Thins ? En was zij het
vooral die nauwe contacten onderhield met de Jezuieten in hun schuilkerk? En
zouden we in de vrouw in de Allegorie van het Geloof misschien wel zijn domi-
nante religieuze schoonmoeder kunnen zien ?

Vermeer zelf heeft van één schilderij nooit afstand kunnen doen: de Allegorie
van de Schilderkunst. Het komt mij voor dat Vermeer nog meer geloofde in de
schilderkunst zelf, dan in zijn katholieke geloof. Schilderkunst was zijn
ware geloof. “Show, don’t tell” zou zijn devies kunnen zijn. “Waarover men
niet spreken kan, moet men zwijgen”, zou hij de filosoof Wittgenstein kunnen
nazeggen. Of: “waar geen woorden zijn, daar moet men schilderen”. Voor Ver-
meer was dit schilderij zijn ultieme geloofsbelijdenis: God openbaart zich
voor Vermeer in het licht. Hier geen spoor van religieuze symbolen, en toch
geloof je alles. En de Allegorie van het Geloof met al zijn letterlijke reli-
gieuze symboliek blijft toch leeg, overtuigt niet echt. Berust op de misvat-
ting dat God alleen in een kerk te vinden zou zijn of bij een priester. Wat
mij betreft is in goede kunst vaak meer religie te vinden dan in de religie
zelf. Ik ervaar iets diepers in grote kunstenaars, zoals in De Schilderkunst
van Vermeer of het Dubbelconcert van Bach, dan in een preek van een dominee
of pastoor. Het is het verschil tussen “het” kunnen laten zien/voelen/horen
en het spreken over iets, waarover men niet spreken kan.
Ludwig Wittgenstein: “What can be shown, cannot be said”. En: “Don’t think,
but look !”.

De symbolen in Vermeers Allegorie van het Geloof zijn rechtstreeks en letter-
lijk ontleend aan het boek van Dirck Pietersz. Pers, “Cesare Ripa’s Icono-
logia of Uytbeeldinghen des Verstants” uit 1644.

Fede. Geloof.
“’t Gelove, wort oock door een Vrouwe afgebeelt, die sittende en seer aen-
dachtigh siende, een Kelck in de rechter hand hout, rustende met haer slin-
cker op een Boeck, dat op eenen vasten hoecksteen staet, te weten Christo,
hebbende de Werreld onder haere voeten.
Zy is in Hemels blaeu gekleet met een carmosyne opperkleet. Onder den hoeck-
steen leyt een Slange verplettert, en de Dood met sijne pijlen verbroocken.
Hier by leyt een Appel, waer door de Sonde is veroorsaeckt.
Zy is met Lauwerblaeden gekroont, tot een teycken, dat wy door ’t Gelove
overwinnen. Achter haer hanght een Doorne Kroon aen een spijcker. ’t Welck
alles door sich selven klaer is, als hebbende weynigh verklaeringe van noode.
In ’t verschiet wort Abraham mede gestelt, alwaer hy sijnen Soone wilde
offeren”.
Vermeer’s Allegorie van het Geloof wordt wel beschouwd als een opdracht voor
de schuilkerk van de Jezuieten in Delft. Schuilkerken waren een soort “huis-
kamer-kerken” in gewone woonhuizen. Zobeschouwd lijkt dit werk een schuil-
kerk op zichzelf, gesitueerd in een voor ons zo vertrouwd, steeds weer
terugkerend Vermeer-interieur.

De beroemde schuilkerk Ons Lieve Heer op Solder aan de Oudezijds Voorburg-
wal in Amsterdam. Gebouwd in de jaren 1660, precies in de tijd van Vermeer.

Schuilkerk Ons Lieve Heer op Solder in Amsterdam, “Doop van Christus in de
Jordaan door Johannes de Doper”, altaarschildering van Jacob de Wit (1695-
1754). Schuilkerken hadden vaak meerdere wisselaltaarstukken met een eenzelf-
de vorm en formaat. Het verborgen karakter van een schuilkerk lijkt te reso-
neren met het bijbelwoord in Mattheus 6:6:

“….wanneer gij bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader
in het verborgene…..”

Katholieke schuilkerk (Ons Lieve Heer op Solder) en protestantse kerk
(Catherijnekerk Utrecht, Pieter Saenredam).
Het private karakter van een schuilkerk ligt geheel in lijn met de intieme
huiselijke sfeer in Vermeer’s interieurschilderijen, afgeschermd van het open-
bare leven in grootse kerken en kathedralen. Evenals het feit dat Vermeer het
grootste en beste deel van zijn oeuvre schilderde voor één private mecenas:
Pieter van Ruijven.
Het is goed voorstelbaar dat schilderijen als de Allegorie van het Geloof
en Martha en Maria geschilderd zijn voor de schuilkerk van de Jezuïeten.
De Martha en Maria zou een altaarstuk kunnen zijn.
Het oeuvre van Vermeer oogt als een Gesamtkunstwerk uit één stuk, als een
monolytisch oeuvre, het resultaat van één groot project, een soort “Schuil-
kerk van Schoonheid”, een “Hermitage” voor een particuliere schilderijen-
collectie van een vermogende kunstverzamelaar. Een parallel universum van
sereniteit en licht.
In twee direct naast elkaar gelegen huizen bevond zich op de eerste verdie-
ping in het ene huis het schilderatelier van Vermeer en op de eerste verdie-
ping van het andere huis een katholieke schuilkerk van de Jezuieten, in de
kleine hechte katholieke gemeenschap in de Papenhoek in Delft. Een concretere
materiële link tussen kunst en religie in de naaste omgeving van Vermeer is
nauwelijks denkbaar. Pieter van Ruijven, zijn belangrijkste opdrachtgever,
was overigens een Remonstrant, dus van protestantse komaf.
Er is iets voor te zeggen dat Vermeer in zijn schilderijen het beste van twee
religies wist te verenigen: een protestantse soberheid, eenvoud en een katho-
lieke, barokke beeldenrijkdom.

Jezuieten Kerk aan de Oude Langendijk
Abraham Rademaker c.1670, Gemeentearchief, Delft
De katholieke Vermeer ging ter kerke in de schuilkerk van de Jezuieten, di-
rect naast het huis van zijn schoonmoeder Maria Thins aan de Oude Langendijk
in Delft, bij wie hij met zijn vrouw en kinderen inwoonde en het meerendeel
van zijn meesterwerken schilderde. De intieme ruimte van een kleine schuil-
kerk past helemaal bij de sfeer in de verstilde interieurschilderijen van
Vermeer.

“Waar twee of drie
in Mijn naam bijeen zijn,
daar ben ik in hun midden”
Mattheus 18:20.

De kleinschalige intimiteit sprak Vermeer aan. Het doet me denken aan de
sfeer in het Joods Leerhuis in een villa in Berg en Dal, dat ik jarenlang
bezocht.
Zijn figuren zijn meestal alleen of met z’n tweeën. Het is al gauw “Three is
a crowd” bij Vermeer…..
Geloof lijkt voor Vermeer een persoonlijk, intiem gebeuren te zijn. Zijn Mar-
tha en Maria kan gezien worden als een spiritueel statement ten gunste van
een beschouwelijke levenswijze, zowel in de kunst als in het geloof. Luiste-
ren. Kijken. Daar gaat het om. Een ode aan het contemplatieve leven.
Ook een niet bewaard gebleven religieus Vermeer-schilderij Bezoek aan het
Graf van Van der Meer, in de inventaris van Johannes de Renialme uit 1657 zou
een vroege Vermeer kunnen zijn, die hij schilderde voor een schuilkerk. Het
zou hier kunnen gaan om een Drie Vrouwen aan het Graf: na de begrafenis van
Christus gaan drie vrouwen samen naar het graf om zijn lichaam te zalven. Bij
het graf aangekomen zien ze dat de steen weg is en een engel vertelt hen dat
Christus is herrezen.
Vooral de vroege Vermeer legde zich toe op het schilderen van religieuze on-
derwerpen. Daarna legde hij zich onder invloed van Gerard Ter Borch en Pieter
de Hooch toe op zijn elegante interieurscenes, waarmee hij zo beroemd gewor-
den is. Maar in zijn betoverend mooie licht lijkt nog iets van zijn religieu-
ze inspiratie na te gloeien. Alsof God zich in de alledaagse taferelen van
Vermeer heeft teruggetrokken in het licht zelf.

De achterzijde van de huidige Maria-van-Jessekerk aan de Oude Langendijk in
Delft staat op de plek waar pater Makeblijde sinds ca 1620 over drie naast
elkaar gelegen panden beschikte. Het meest rechtse dubbele pand diende als
woonhuis, in het linkse richtte hij een schooltje plus internaat voor katho-
lieke meisjes in. In het tussenliggende pand woonde de hoofdonderwijzeres
van de school. Over de gezamenlijke zolders heen lag de schuilkerk. Dit
kleine stukje van de stad stond bekend als de Papenhoek, omdat de huiseige-
naren bekende katholieken waren. Vanaf 1621 kreeg Makeblijde er een pater
bij, Roeland de Pottere. Hij zou er tot 1662 verblijven.
In het buurhuis op de hoek met de Molenpoort – nog juist half zichtbaar –
woonde en werkte vanaf 1653 tot aan zijn dood in 1672 de schilder Jan Ver-
meer. Zijn jongste zoon noemde hij Ignatius, naar de stichter van de Jezuie-
tenorde Ignatius van Loyola. De Papenhoek bestond uit slechts 15 huizen; het
kan bijna niet anders dan dat dat kleine aantal katholieken elkaar trof in de
schuilkerk van de Jezuieten, en dat Vermeer nauwe banden had met de Jezuie-
ten. De Jezuieten waren een sterk intellectueel georiënteerde katholieke
orde. Vermeers Allegorie van het Geloof is ook de uitdrukking van een intel-
lectueel geconstrueerd concept, in de geest van de Jezuieten, dus mogelijk
in opdracht van de Jezuieten geschilderd. Hoewel de schilderstijl ontegen-
zeggelijk Vermeer is, geeft het schilderij het gevoel dat Vermeer niet zo
vrij was in zijn artistieke keuzes als in zijn kwa compositie verwante
Allegorie van de Schilderkonst, zijn absolute meesterwerk. Men neemt aan
dat hij zich door toenemende schulden en geldzorgen tot het aannemen van
deze opdracht gedwongen zag, in de economische malaise ontstaan na het
Rampjaar 1672. De opdrachtgevers waren kennelijk zeer onder de indruk van
de Allegorie van de Schilderkunst, die bij Vermeer in huis hing, en be-
stelden een Allegorie met eenzelfde compositie, maar dan met een expliciet
religieus onderwerp: Het Geloof.

Een tweede schuilkerk, die in verband wordt gebracht met Vermeer, is de
schuilkerk Hodenpijl in Schipluiden.
In 1657 woonde er in of bij de schuur- of schuilkerk van Hodenpijl de jezuïe-
tenpriester Johannes Verwey. De protestantse overheid tolereerde de uitoefe-
ning van het katholieke geloof in ruil voor jaarlijkse betalingen. In de
schuurkerk van Hodenpijl trouwden regelmatig ook bewoners uit Delft. Het be-
roemdste huwelijk betreft de schilder Johannes Vermeer met de katholieke
Catharina Bolnes in 1653.

Van zijn genre-interieurstukken zijn de Dame met Weegschaal en Het Melkmeisje
misschien wel het het meest religieus geïnspireerd. De Dame met Weegschaal
verwijst naar het ritueel van het wegen van de ziel in het licht van het
Laatste Oordeel, dat in het achtergrondschilderij te zien is. De eenvoudige
handeling van het uitschenken van de melk door een dienstmeid voelt aan
als een sacraal ritueel.
“Wat je ook doet……..dat is waar God is” . Iets alledaags als het uitgieten
van melk in een kom als een vorm van dienstbaarheid in het licht van God.
Het oog van Vermeer als het Alziende Oog van God. In het licht van Vermeer
wordt alles mooi.

“En God sprak
Er zij licht !
En het werd licht.
En God zag dat
het licht goed was”
Genesis

Zelfs Vermeer’s publiekslieveling Het Meisje met de Parel zou religieus geïn-
spireerd kunnen zijn:
Mattheus 13:44-46 gaat over de verborgen parel in een akker, en een koopman
die alles verkocht wat hij bezat om de akker met de verborgen parel te kunnen
kopen, als metafoor voor het Rijk der Hemelen. De afhangende hoofddoek lijkt
op een opzijgeschoven gordijn om te verborgen parel te onthullen.
Hoeveel invloed had religie nu werkelijk op Vermeer en zijn werk ? Over deze
kwestie worden verhitte discussies gevoerd. Feit is wel dat de als protestant
gedoopte Vermeer zich bekeerde tot het katholicisme, om te kunnen trouwen
met zijn katholieke vrouw Catharina. Dat de zus van zijn schoonmoeder Maria
Thins non was in een klooster in Leuven en de eerste zoon van Vermeer, Jo-
hannes, later priester zou worden. Werd Vermeer’s bekering louter door reli-
gieuze motieven ingegeven, of was het hem meer te doen om een “rijke vrouw
te trouwen”? Schoonmoeder Maria Thins was gescheiden, rijk en vermogend, en
katholiek religieus. Wat wel naar voren komt uit documenten, is dat Maria
Thins zich aanvankelijk hevig verzette tegen het huwelijk, maar na bemid-
deling van een bevriende kunstenaar Leonard Bramer alsnog toestemming gaf.
Geen van de kinderen van Vermeer kreeg een naam uit Vermeer’s eigen fami-
lie, wat erop lijkt te wijzen dat Vermeer na zijn huwelijk afstand geno-
men heeft van zijn eigen familie.

In een oeuvre van slechts vijfendertig schilderijen beweegt Vermeer zich
tussen uitersten: van een bordeelscene tot aan een religieus tafereel. Via
de Utrechtse Caravaggisten Van Baburen, Honthorst en Terbrugghen stond
Vermeer hier nog onder invloed van de Italiaanse schilder Caravaggio, die
werkte in sterke licht-donker contrasten en sterk contrasterende onderwer-
pen. Bijbelscenes en bordeelscènes. Toch is zelfs in zijn Koppelaarster al
die serene blik van Vermeer zichtbaar en voelbaar, die zo typerend is voor
zijn schilderkunst.

Maria Thins, Vermeer’s schoonmoeder, had zowel De Koppelaarster van Van
Baburen als De Kruisiging van Jacob Jordaens in haar huis hangen. Beide
schilderijen zijn in de achtergrond van enkele Vermeer-schilderijen terug
te zien.

Schuilkerk De Hoop in Amsterdam. In Nederland zijn nog steeds diverse schuil
kerken bewaard gebleven in Amsterdam, Alkmaar, Haarlem, Leiden, Utrecht,
Hoorn, Zutphen.
Via deze link is een lijst te vinden van nog bestaande schuilkerken:
Lijst van nog bestaande schuilkerken

Schuilkerk Op Het Altaar in Amsterdam

Kunst of religie. Een Cupido-schilderij of een lege muur. Katholicisme of
Protestantisme.
Ook bij de recente geruchtmakende – en wat mij betreft niet onomstreden –
restauratie van het beroemde Brieflesendes Mädchen am Offenen Fenster in
Dresden lijkt het thema Kunst en Religie, Protestantisme en Katholicisme een
rol van betekenis te spelen.
De lege muur-versie van de Briefleserin ademt een protestantse soberheid
en eenvoud.
De Cupido-versie van de Briefleserin laat eerder een katholieke, barokke
beeldenrijkdom zien.
Als de Cupido niet door Vermeer zelf maar door een latere hand is over-
schilderd, dan is de latere overschildering volgens een meer protestantse
smaak. Een kleinschalige protestantse “beeldenstorm” in een katholiek
schilderij.
Het is heel goed voor te stellen dat Vermeer zelf als kunstenaar in zijn
artistieke keuzes voortdurend een innerlijke spanning voelde tussen de
protestantse en katholieke invloed in zijn eigen leven. Tussen de beeld-
loosheid van het Protestantisme en de beeldenrijkdom van het Katholicisme.
Tussen een lege muur of een Cupido-schilderij. Tussen leegte en vorm.

Persoonlijk blijf ik de voorkeur geven aan de “protestantse” versie van
de Briefleserin met de lege muur. Het Cupido-schilderij is naar mijn smaak
in alle opzichten “too much”. Voltaire schreef ooit: “…humour when ex-
plained is no longer humour.” Het laat niets meer te raden over, het mys-
terie is verdwenen. Het is een grap vertellen en beginnen met de clou weg
te geven. “A German joke is no laughing matter”, merkte Mark Twain al
ooit fijntjes op…..

Deze video over “Amsterdam Ons Lieve Heer op Solder: Kunst in een
schuilkerk” is te zien op YouTube:

Ook deze video met een fotoserie van de schuilkerk Ons Lieve Heer op
Solder is op YouTube te bekijken: