Categorie archief: schilderijen

DE OASE VAN VERMEER EN MATISSE –  PARADIJS VAN  LICHT EN KLEUR

Henri Matisse, The Red Studio, 1911, Museum of Modern Art, New York.

Johannes Vermeer, The Art of Painting, 1666-68, Kunsthistorisches Museum, Wien.

Henri Matisse, The Dessert, Harmony in Red ( The Red Room), 1908, Hermitage Museum, St. Petersburg.

Johannes Vermeer, Het Melkmeisje, 1658, Rijksmuseum, Amsterdam.

In het kader van zijn zoektochten naar beroemde kunstschilders als Van Gogh, Picasso, Chagall, Gauguin en Kahlo, was onlangs van kunstschilder/acteur Jeroen Krabbé een prachtige en inspirerende televisie-serie te zien “Op zoek naar Matisse”. Met aanstekelijk enthousiasme bewondert Krabbé  Matisse vooral om zijn kleuren. Matisse is duidelijk zijn favoriete schilder, en hij toont als kunstschilder zelf  in zijn eigen schilderijen ook een sterk ontwikkeld gevoel voor kleur. Een eye-opener voor mij was dat Matisse in zijn schilderijen op zoek was naar eenzelfde levensvreugde  als Vermeer:

Hoewel hun schilderijen op het eerste oog zeer verschillend in stijl en techniek zijn, blijken er toch veel overeenkomsten te vinden tussen Johannes Vermeer en Henri Matisse. De vader van Vermeer was “Caffa-wever” van mooie zijden stoffen in Delft. De vader van Matisse kwam uit een familie van wevers van kleurrijke stoffen met decoratieve prints in Bohain. Beiden hadden als “vrouwenschilder” een voorliefde in het schilderen van mooie, jonge vrouwen. Beiden tonen zich meesters van de kleur. Beiden zochten in hun werk de troost van de schoonheid: “Luxe, Calme et Volupté”, in de woorden van Matisse. Van beiden straalt het werk een serene rust uit: “het leven is licht, kleurrijk en doorzichtig”. Beiden hebben een neiging tot escapisme: kunst en schoonheid om te ontsnappen aan de schaduwkanten van het leven.

Ook zijn er stilistische overeenkomsten tussen Vermeer en Matisse, zoals focus op huiselijke Interieurs, meesterschap over het licht. gevoeligheid voor kleur, harmonieuze composities, aandacht voor alledaagse leven,, een voorliefde voor abstracte patronen en eenvoud (abstrahering van vormen).

Henri Matisse, “Luxe, Calme et Volupté”, 1904, Musée d’Orsay, Paris

Johannes Vermeer, Gezicht op Delft, 1660-61, Mauritshuis, Den Haag

De ideale wereld volgens Matisse: Luxe, Calme et Volupté en Vermeer: Gezicht op Delft

VERMEER, MATISSE EN ESCAPISME IN DE KUNST

Alle verwijzingen naar de duistere kant van het leven zoals armoede, ziekte, depressie en dood zijn bewust weggelaten en afwezig in de schilderijen van Vermeer en Matisse. De schilderkunst fungeerde voor hen als een vorm van escapisme, een manier om te ontsnappen aan de onvermijdelijke schaduw-zijden van het leven en diep pijnlijke ervaringen in het menselijk bestaan. Zoals schrijvers, juist in de moeilijkste omstandigheden en traumatische ervaringen in hun eigen leven, de neiging hebben om voor zichzelf een geïdealiseerde, fictieve wereld te scheppen. Kunstenaars als Vermeer en Matisse schilderden kleurrijke taferelen van serene rust en verstilde contemplatie, het soort taferelen, die – zoals blijkt uit de overgeleverde archieven en brieven – in hun eigen dagelijkse leven in werkelijkheid niet bestaan hebben. Kunst en schoonheid als een vast baken van hoop en troost, een bron van positieve energie en levensvreugde.

Henri Matisse, Chapelle du Rosaire, Vence, 1947-1951

Johannes Vermeer, Mistress and Maid (detail), 1666, Frick Collection, New York

Henri Matisse, Chapelle du Rosaire, Vence,(detail glas-in-lood raam), 1947-1951

“J’ai commencé par le profane, et voici qu’ au soir de ma vie, tout naturellement je termine par le divin” – Henri Matisse.

Na een zware, levensreddende operatie in 1941, werd Matisse in Vence verzorgd door soeur Jacques Marie. Tussen haar en Matisse ontwikkelde zich een sterke emotionele en respectvolle band, waarin zij, toen nog Monique Bourgeois, tussen 1942 en 1943 ook nog als model voor Matisse poseerde. Later zou zij als non intreden bij de Dominicanessen in Vence. Zij vroeg Matisse of hij mee wilde werken aan de ramen en vormgeving van de Chapelle du Rosaire in Vence, die pal tegenover het toenmalige huis van Matisse staat. In de kapel zie en voel je een serene schoonheid, die voortkomt uit zijn hechte band met zijn model Monique Bourgeois, die later dus kloosternon Jacques Marie zou worden.

Eveneens aan het eind van zijn leven, in 1672, schilderde Vermeer zijn Allegorie van het Katholieke Geloof, waarin hij net als Matisse, zijn focus verlegt van het profane naar het religieuze. Waarschijnlijk was dit schilderij ook een opdracht, dit keer van de Jezuieten, voor hun schuilkerk in de Papenhoek in Delft, pal naast het huis van schoonmoeder Maria Thins, waar Vermeer met zijn vrouw en kinderen bij inwoonde. In de Vermeer-expositie in 2023 werd dit schilderij opgevoerd als de apotheose, het “altaarstuk”, van de tentoonstelling. Bij het grote publiek blijft het desondanks een van de minst geliefde Vermeers. Vermeer is en blijft, net als Matisse, toch een schilder van profane onderwerpen, maar wel in een zuivere, serene stijl, die soms  haast religieus aanvoelt. Van nature was Matisse geen diep-gelovig man. Veelzeggend was het antwoord van Matisse op de vraag van een journalist: “Gelooft u in God ? “, waarop hij antwoordde: “Ja…… als ik schilder”. Vermeer geeft in zijn schilderijen in wezen hetzelfde antwoord: in zijn profane meesterwerk De Schilderkunst in Wenen is meer te voelen van een  goddelijke schoonheid en aanwezigheid  dan in de toch meer ongeïnspireerd en doods aanvoelende Allegorie van het Geloof in New York. Het feit dat Vermeer zijn meesterstuk De Schilderkunst als enige nooit heeft willen verkopen, zegt genoeg over het feit dat zijn liefde voor de schilderkunst groter was dan zijn liefde voor de kerk. Zijn schilderij De Schilderkunst is overweldigend, dat geloof je als beschouwer meteen; zijn Allegorie op het Geloof….. is en blijft het voor velen toch “niet echt”.

De levens-motto’s van Matisse en Vermeer:

Matisse: “Luxe, Calme et Volupté” en “Le Bonheur de Vivre”

Vermeer: “Musica Letitiae Comes, Medicina Dolorum”

Henri Matisse, “Luxe, Calme et Volupté”, 1904, Musée d’Orsay, Paris

Een man nodigt zijn geliefde uit voor een reis met hem naar het paradijs. Het schilderij deelt met ons de droom van de dichter: de vlucht naar een denkbeeldig toevluchtsoord van vrede, harmonie en schoonheid.

Henri Matisse, Le Bonheur de Vivre, 1906, Barnes Foundation, Philadelphia

De kring van dansers in het midden van het schilderij werkte Matisse later uit tot zijn monumentale doek Les Danseuses, voor de Russische kunstverzamelaar/mecenas Sergej Sjtsjoekin, dat nu in de Hermitage in Sint Petersburg hangt.

Johannes Vermeer, The Music Lesson, 1662-65, Royal Collection, Picture Gallery, Buckingham Palace, London

Vermeer : Op het lid van het klavecimbel staat een Latijns aforisme “Musica Letitiae Comes, Medicina Dolorum” – “Muziek is de metgezel van de vreugde en het medicijn voor het verdriet”. In wezen koesteren Matisse en Vermeer hetzelfde levensmotto: heel eenvoudig en simpel gezegd: het “Always look at the bright side of life” van Monty Python. Schoonheid als troost. Een ideale wereld, zoals Plato die voor ogen stond. Een positief optimisme en idealisme waaraan je je als mens op kunt trekken in een wereld, die steeds meer vervalt tot decadentie, chaos en geweld. Een licht dat schijnt in de duisternis.

Ook in hun onderwerpkeuze zijn er veel overeenkomsten tussen Vermeer en Matisse: mooie, jonge meisjes in het licht bij een raam, het open raam, “where the light gets in”, muziek, een slapend meisje, een muziekles, het schilder atelier, kleurrijke stoffen, interieurs met schilderijen, mooie jurken, etc. Matisse is wel sensueler en nog kleurrijker dan Vermeer, en Matisse schilderde in tegenstelling van Vermeer ook naakten; zijn beroemde oriëntaalse Odalisques.  Maar in beiden zit een sensuele onderstroom. Ook zijn ze allebei schoolvoorbeelden van escapisme: “always look at the bright side of life”. Vermeer’s  oeuvre kent naast het oeuvre van Matisse in verhouding meer meesterwerken.  Bij Matisse is het niet allemaal goud wat er blinkt.

Het Atelier van de kunstschilder

Henri Matisse, The Red Studio, 1911, Museum of Modern Art, New York

Johannes Vermeer, The Art of Painting, 1666-68, Kunsthistorisches Museum, Wien

Het atelier was voor Vermeer en Matisse meer dan zomaar een werkplaats, het was hun eigen universum, hun chamber of imagination, hun hortus conclusus, een besloten toevluchtsoord, een schelp met een parel. Een pronkkamer van de kunst, waar de ziel zich kan laven aan schoonheid.

Vrouw met Hoed

Henri Matisse, Woman With a Hat, 1905, San Francisco Museum of Modern Art

Johannes Vermeer, Girl with a Red Hat, 1669, National Gallery of Art, Washington D.C.

Amélie Matisse, de vrouw van Matisse, was hoedenmaakster. Matisse schilderde dit beroemde portret van haar in de felle kleuren van het Fauvisme in 1905. Vermeer’s kleine paneeltje Girl with a Red Hat is een publiekslieveling. Bijna on-Hollands in haar sensualiteit. Het originele schilderij sprankelt van leven. Een foto of reproductie doet er geen recht aan. Dat geldt ook voor de schilderijen van Matisse. Alleen al de kleuren van een schilderij  slaan dood in een vaak kleine reproductie of foto ervan.

Het Dienstmeisje

Henri Matisse, The Dessert, Harmony in Red ( The Red Room), 1908, Hermitage Museum, St. Petersburg

Johannes Vermeer, Het Melkmeisje, 1658, Rijksmuseum, Amsterdam.

Ik heb een zwak voor jonge, mooie serveersters in café’s en restaurants of student-kassières in de supermarkt. Er schuilt een onweerstaanbare aantrekkingskracht in de combinatie van schoonheid en dienstbaarheid.

In de Amerikaanse sitcom-serie The Big Bang Theory draait alles om een groepje jonge briljante en hoogintelligente, net afgestudeerde wetenschappers/nerds in een appartementen-flat en hun mooie, jonge, blonde overbuurvrouw Penny, serveerster in de Cheesecake Factory, vergeefs dromend van een carrière als actrice. De nerds wanen zichzelf geniaal, maar in werkelijkheid zijn het kneuzen, die keer op keer, zij het wel steeds met ontzettend geestige zelfspot, falen. In mijn ogen is Penny the real genius. Op het eerste gezicht is zij “maar” een serveerster uit Nebraska of all places, en een loser, want ze zal nooit doorbreken als beroemde actrice. Maar juist zij heeft die sprankelende schoonheid en spontaniteit, die de hele serie tot leven brengt. Met alleen het clubje zelfverklaard “geniale” nerds zou de hele serie te saai blijven. Zij is juist een ode aan de vrouwelijkheid. Dienstbaarheid is niet hetzelfde als door mannen opgelegde onderdanigheid, als ze van binnenuit komt is ze juist van grote schoonheid en kracht. Dat is precies wat Vermeer in Het Melkmeisje zag en laat zien. Zij is geen door mannen “onderdrukte vrouw”, she is the real genius. Alleen dit soort schoonheid kan de wereld redden, om met Dostojevski te spreken.

Het Katholieke Geloof

Henri Matisse, Chapelle du Rosaire, Vence, 1947-1951

Johannes Vermeer, Allegory of Faith, 1672, Metropolitan Museum of Art, New York

Zowel Matisse als Vermeer schilderden voornamelijk profane onderwerpen met mooie, jonge vrouwen in mooie kostuums en interieurs, beiden eindigen hun carrière met een religieus geïnspireerd onderwerp. Matisse in zijn glas-in-lood ramen in de Chapelle du Rosaire in Vence, Vermeer in zijn Allegorie van het Katholieke Geloof, nu in het Metropolitan Museum of Art in New York.

Ik moet hierbij een beetje denken aan het boek “Embarrassment of Riches” van de Britse historicus Simon Schama. Een knagend onbewust schuldgevoel en schaamte over de materiële rijkdom en de hedonistische levenswijze van de profane wereld. Een echo van “Wee gij rijken, want wat u vertroost, hebt ge reeds ontvangen”. Van Oscar Wilde is het bekende aforisme: “There are only two tragedies in life: one is nót getting what you want, the other is getting what you want”. De menselijke conditie in één zin.

De Gitaarspeelster

Henri Matisse, Femme en Jaune et Bleu à la Guitare, 1939, Art Institute of Chicago

Johannes Vermeer, The Guitar Player, 1672, Kenwood House, London

Matisse heeft meerdere schilderijen gemaakt van een jonge vrouw met een gitaar. Deze “Femme en Jaune et Bleu à la Guitare” uit 1939 komt wat mij betreft in sfeer en stemming het dichtst bij de Gitaarspeelster van Vermeer in Kenwood. Matisse kon als geen ander een gevoel, een  sfeer, een stemming heel precies oproepen en weergeven, en stelde dat boven techniek en naturalistische, realistische weergave.  Vermeer heeft het allebei, wat mij betreft.  Zo’n schilderij van Matisse kan overkomen als een kindertekening: “Dat kan mijn kind van acht ook !”. Toch betwijfel ik of kinderen van acht werkelijk in staat zijn een Matisse te schilderen. Als dat zo was, dan zou Matisse al lang vergeten zijn.

Slapend Meisje

Henri Matisse, Portrait of Marguerite Sleeping, 1920, Private Collection

Johannes Vermeer, Girl Asleep at a Table, 1657, Metropolitan Museum of Art, New York

Het  meisje in “Portrait of Marguerite Sleeping” van Matisse  is in één woord “adorable“.  Marguerite is de dochter van Matisse, en dat zie en voel je. Een eenvoudig schilderijtje, maar vol tederheid en liefde. Heel raak getroffen.

Vermeer’s Slapend Meisje”in New York heeft een meer sombere ondertoon, heeft een suspense waar Hitchcock zich niet voor zou schamen. Kwa sfeer eigenlijk atypisch voor Vermeer, maar haar gezicht heeft wel die kenmerkende serene, geïdealiseerde trekken. De Slaap voert je naar een andere wereld. Een gedroomde wereld.

De Muziekles

Henri Matisse, The Music Lesson, 1917,  Barnes Foundation, Philadelphia

Johannes Vermeer, The Music Lesson, 1662-65, Royal Collection, Picture Gallery, Buckingham Palace, London

Net als Vermeer heeft Matisse veel schilderijen met Muziek als onderwerp. En zocht hij naar een “muzikale” manier van schilderen. Kleuren als muzieknoten. Muziekinstrumenten als de piano, de vleugel, de gitaar, de fluit en de viool komen allemaal langs in de wereld van Matisse. Matisse was zelf een verdienstelijk vioolspeler. Vermeer gaf vooral een Klavecimbel en Viola da Gamba weer. Als verwijzing naar een samenspel/duet tussen man en vrouw. Als solo-instrumenten koos hij voor de luit en een enkele keer voor de gitaar.

Gezicht op een ideale wereld volgens Matisse en Vermeer: Luxe, Calme et Volupté en het Gezicht op Delft

Henri Matisse, “Luxe, Calme et Volupté”, 1904, Musée d’Orsay, Paris

Johannes Vermeer, Gezicht op Delft, 1660-61, Mauritshuis, Den Haag

Luxe, Calme et Volupté. La Joie de Vivre.

Het paradijs van Matisse is als een toevluchtsoord en schoonheidsideaal voor de gewone burger. Misschien verhoudt Matisse zich wel tot Vermeer als Pop muziek tot Klassieke muziek. (Hoewel Matisse zeker niet tot de Amerikaanse Pop Art-kunststroming  gerekend kan worden) Pop muziek heeft eenvoudige songs, die bij iedereen recht het hart in gaan en je blij en gelukkig kunnen maken. Heel toegankelijk. “Three chords and the truth”. Klassieke muziek zit veel sterker in elkaar in vorm en structuur, maar is vaak ook zwaar op de hand, ernstiger, ingewikkelder, ontoegankelijker, somberder vaak. Muziek waar  je als luisteraar meer moeite voor moet doen.

Op het eerste gezicht roepen de schilderijen van Matisse een reactie op van “dat kan mijn kind van acht ook !”. Maar die schijn bedriegt. Een kind van acht schildert niet zo maar een Matisse. Er zit meer techniek, kunde en inzicht in een Matisse, dan je op het eerste gezicht zou zeggen.

TERUGKERENDE BEELDELEMENTEN BIJ VERMEER EN MATISSE

Vermeer en Matisse schilderen in hun huiselijke interieur taferelen steeds terugkerende beeldelementen, waarvan hier onder een aantal voorbeelden:

DECORATIEVE STOFFEN MET BLOEMMOTIEVEN EN ARABESKEN

Johannes Vermeer, Girl Asleep at a Table, 1657, Metropolitan Museum of Art, New York

Johannes Vermeer, The Art of Painting, 1666-68, Kunsthistorisches Museum, Wien

Johannes Vermeer, The Procuress, 1656, Staatliche Gemäldegalerie, Dresden

Henri Matisse, The Dessert, Harmony in Red ( The Red Room), 1908, Hermitage Museum, St. Petersburg

Henri Matisse, Still Life with Blue Tablecloth, 1909, Hermitage Museum, St. Petersburg

Henri Matisse, Still Life with Aubergines, 1911, Musée de Grenoble

Henri Matisse, Odalisque à la Culotte Rouge, 1921, Centre Pompidou, Paris

Henri Matisse, Odalisque à la Culotte Grise, 1927, Musée de l’Orangerie, Paris

Voorliefde voor rijk geornamenteerde, kleurige stoffen bij Vermeer en Matisse

Misschien wel de meest in het oog springende overeenkomst tussen Vermeer en Matisse is hun voorliefde voor kleurige, rijk geornamenteerde, decoratieve stoffen. Hoewel Matisse een moeizame relatie met zijn vader had, kreeg hij de liefde voor mooie stoffen en schilderen van huis uit mee. Zijn vader, zelf landbouwzaden-handelaar, kwam uit een familie van stoffenwevers, zijn moeder uit een familie van stoffenververs en zelf was ze porseleinschilder. Het was zijn moeder, die hem een schilderdoos gaf op z’n 21ste, waarover hij later zou zeggen: “Vanaf het moment waarop ik de doos met verfkleuren in mijn handen had, wist ik dat dit mijn leven was. Een soort van paradijs”. Zijn vrouw Amélie hield ook erg van kleurrijke stoffen met oriëntaalse patronen, een gedeelde liefde dus. Met oriëntaalse kunst kwam Matisse in aanraking door een tentoonstelling over Islamitische kunst in München, zijn reis naar Marokko en het Moorse Alhambra in Granada.

De vader van Vermeer was herbergier, kunsthandelaar en “Caffa-wever” van kleurige zijden tapijten en stoffen. Allemaal elementen die in de schilderijen van Vermeer terugkomen: het glas wijn, de “konstkamer”met schilderijen en landkaarten aan de muur, de mooie kleurrijke kostuums, tafelkleden, gordijnen en gobelins. Oosterse tapijten uit Turkije zijn terug te vinden in De Koppelaarster in Dresden en het Slapend Meisje in New York. Ook de hoofddoek van het Meisje met de Parel is duidelijk oosters. De Fransen gaven het schilderij lange tijd de titel “Jeune Fille au Turban”.

DE JONGE VROUW – DE ODALISQUE

André Derain, Madame Matisse en Kimono, 1905,  Metropolitan Museum of Art, New York

In Collioure in Zuid-Frankrijk schilderde Matisse samen met zijn Fauvisten-schildervriend André Derain, die dit mooie portret schilderde van Madame Matisse in kimono, Amélie, de vrouw van Matisse. In de geest van het Japonisme, waardoor ook de Nederlandse schilder/fotograaf George Hendrik Breitner zich liet inspireren in zijn Meisjes in Kimono schilderijen met zijn model Geesje Kwak.

Henri Matisse, Odalisque à la Culotte Rouge, 1921, Centre Pompidou, Paris

Henri Matisse, Odalisque, 1920-21, Stedelijk Museum, Amsterdam

Henri Matisse, Odalisque à la Culotte Grise, 1927, Musée de l’Orangerie, Paris

Matisse Odalisques

Henri Matisse, Seated Odalisque, 1928, San Francisco Museum of Modern Art

Henri Matisse, Decorative Figure with Ornamental Background, 1926, Centre Pompidou, Paris

Matisse onderging de artistieke invloeden van het Japonisme en de erotische sensualiteit van de oriëntaalse wereld door zijn reis naar Marokko en Oriëntaalse filmsets in Nice.

Matisse is misschien wel het meest bekend om zijn kleurrijke, sensuele Odalisques. De modellen hiervoor vond hij niet tijdens zijn reis naar Marokko, daar was en is het poseren van vrouwen als model voor een kunstenaar “not done”. De modellen voor zijn Odalisques vond hij bij figuranten op een filmset in Nice. Juist in zijn Odalisque-schilderijen komt zijn voorliefde voor kleurrijke, decoratieve stoffen met rijke ornament patronen en arabesken, uitbundig naar voren. Zijn kunstenaars-ideaal van “Luxe, Calme et Volupté” zie je helemaal terug in zijn Odalisques.

Hij is zijn hele leven neergesabeld door critici, die zijn werk afdeden als kinderlijk, oppervlakkig escapisme, louter decoratief, onbeholpen, te eenzijdig vanuit een mannelijke blik. Toch behoort hij nu tot de meeste geliefde kunstenaars van de twintigste eeuw. Als je niet met je hart naar Matisse en Vermeer kijkt, zie je hun schoonheid niet. “C’est par l’amour que l’on répond à de telles oeuvres d’amour” (Marcel Brion). De kunst van Vermeer en Matisse gaat over de liefde. Zonder liefde spreken schilderijen niet, blijven ze stom.

HET OPEN RAAM

Johannes Vermeer, Officer and Laughing Girl, 1657, Frick Collection, New York

Henri Matisse, Open Window Collioure, 1905, National Gallery of Art, Washington D.C.

Het raam als bron van licht in hun interieursschilderijen, speelt zowel bij Vermeer als bij Matisse een grote rol. Het zijn de “ogen” van een interieur, “the crack in everything, that’s where the light gets in”, waar Leonard Cohen over zingt. Bij Vermeer is het raam soms half open, maar meestal gesloten. Bij Matisse staat het raam  juist altijd wijd open, om het kleurrijke, stralende zuidelijke licht van Zuid-Frankrijk binnen te laten komen, waar Van Gogh zo van hield.

HET INTERIEUR

Henri Matisse, Woman Reading ( La Liseuse), 1895, Musée Matisse, Le Cateau-Cambrésis

Vilhelm Hammershoi, Interieur, Strandgade 30, 1908, Aarhus Kunstmuseum

Henri Matisse, The Red Studio, 1911, Museum of Modern Art, New York

Henri Matisse, The Dessert, Harmony in Red ( The Red Room), 1908, Hermitage Museum, St. Petersburg

Johannes Vermeer, The Music Lesson, 1662-65, Royal Collection, Picture Gallery, Buckingham Palace, London

Johannes Vermeer, Lady Standing at a Virginal, 1670-72, National Gallery, London

Johannes Vermeer, The Art of Painting, 1666-68, Kunsthistorisches Museum, Wien

Het donkere, vroege interieur schilderij La Liseuse uit 1895 van Matisse met zijn lezende vrouw Amélie in zwarte jurk doet nog denken aan een schilderij van de Deense schilder Vilhelm Hammershoi, de “Deense Vermeer”. Na ruim tien jaar schildert Matisse The Red Room en The Red Studio in een fel, vibrerend rood. Dit doet denken aan de explosie van kleur in de schilderijen van Van Gogh in zijn Zuid Franse periode in Arles na zijn vroegere, donkere en monochrome Brabantse periode. De ontdekking van de kleur en het zuidelijke licht. De ruimte van het interieur is “platgedrukt” in het platte vlak. Niet het ruimtelijk perspectief, maar de autonome, abstracte kleur rood eist hier de hoofdrol op.

Kleur is relatief. In een museumzaal met 17e eeuwse Hollandse genreschilders, springen de opvallend heldere kleuren van Vermeer meteen in het oog. Zou je de Vermeer-schilderijen echter tussen de Red Room en de Red Studio van Matisse hangen, dan ogen de kleuren van Vermeer juist weer heel ingetogen.

Wat in deze interieurs van Vermeer wel meteen opvalt is de bijna abstracte, heldere geometrische ordening en overtuigende ruimtelijke perspectiefwerking. Met name ook in de mate van abstrahering was Vermeer zijn tijd ver vooruit. De interieurs van Vermeer staan ook in deze tijd nog steeds aan de top van de schilderkunst door hun abstracte schoonheid van licht en kleur, waar ook Matisse op zijn eigen manier naar zocht.

STILLEVEN VOORWERPEN

Johannes Vermeer, The Music Lesson (detail), 1662-65, Royal Collection, Picture Gallery, Buckingham Palace, London

Johannes Vermeer, The Girl with a Wine Glass (A Lady and Two Gentlemen) (detail), 1659-60, Herzog Anton Ullrich Museum, Braunschweig

Henri Matisse, The Goldfish, 1912, Pushkin Museum, Moscow

Henri Matisse, Woman before a Fish Bowl, 1922, Art Institute, Chicago

Vermeer’s witte wijnkan en de kom met goudvissen van Matisse. Vermeer en Matisse hadden allebei een obsessie voor één stilleven-voorwerp: bij Vermeer is het de witte Delftse wijnkan, bij Matisse de kom met goudvissen, die steeds weer in hun werk terugkeren. Je voelt de obsederende schoonheid die deze stillevenvoorwerpen voor hen hadden als kunstenaar, maar waar die obsessie bij hen nou precies vandaan kwam, daar krijg je niet echt een vinger achter. Dat is het geheim van de dichter in de kunstenaar. Een gedicht moet je niet dood willen analyseren, maar gewoon ervaren. De bron van alle schoonheid blijft een mysterie. Dat is de charme van poëtisch realisme.

Het jonge meisje in het licht bij het raam dat naar een kom met goudvissen kijkt, zou overigens een mooi “Vermeer-onderwerp” kunnen zijn.

KLEUR

Johannes Vermeer, Mistress and Maid (detail), 1666, Frick Collection, New York

Henri Matisse, Chapelle du Rosaire, Vence,(detail glas-in-lood raam), 1947-1951

Het blauw-geel kleurenakkoord speelt bij Vermeer en Matisse als meesters van de kleur een grote rol. Het kleuren-akkoord blauw-geel vind je bij Vermeer in de Frick “Mistress and Maid” en Het Melkmeisje, bij Matisse in de glas-in-lood ramen van de Chapelle du Rosaire in Vence. Vermeer maakte overvloedig gebruik van het kostbare blauwe pigment Lapis Lazuli, Matisse was met zijn meester-glazeniers naarstig op zoek naar de juiste kleur blauw voor de glas-in-loodramen van de kapel in Vence.

Henri Matisse, Tekening en schilderij Blue Eyes van zijn model Lydia Délectorskaya, 1936, Baltimore Museum of Art.

De Russische Lydia Délectorskaya was de assistente, verzorgster en model van Matisse. Van deze spontane en trefzekere tekening maakte Matisse dit prachtige, dromerige  schilderij van haar.

 DE OUDE KUNSTENAAR DIE HET KIND IN ZICHZELF TERUGVINDT: DE KNIPSELS

Foto’s van Henri Matisse met schaar en papier bezig met zijn beroemde knipsels. Verzwakt door ziekte aan het eind van zijn leven was de oude Matisse niet meer in staat om te schilderen in zijn atelier. Juist toen kwam de ware kunstenaar in hem naar boven en stortte hij zich vanuit zijn bed of rolstoel op zijn knipsels met slechts een schaar en papier om mee te werken. Als een kind dat opnieuw spelen leert.

Kunstenaars kennen geen pensioen. Het gegeven van “de kunstenaar als oude man” kent vele iconische voorbeelden: de schilderijen van de oude, late Rembrandt behoren tot zijn mooiste, de wereldwijd uitverkochte concerten van de oude dichter/zanger Leonard Cohen omringd met mooie, jonge vrouwen, de Haarlemse schilder Kees Verweij maakte zijn mooiste schilderijen – de Atelierstukken –  toen hij 85 was, en hier dus de oude Matisse in zijn rolstoel met zijn vrolijk stemmende knipsels. De “Homo Ludens” kent geen leeftijd. Is diep van binnen altijd kind gebleven.

Henri Matisse, Blue Nudes (Souvenir de Biskra), 1952, Musée National d’Art Moderne de Paris

Henri Matisse, Polynesia, The Sky, 1946, Musée d’Art Moderne, Troyes

Henri Matisse, The Parakeet and the Mermaid, 1952-53, Stedelijk Museum, Amsterdam

In de expositie The Oasis of Matisse in het  Stedelijk Museum Amsterdam in 2015 was zijn knipsel-meesterwerk The Parakeet and the Mermaid te zien. Aan niets is te zien, dat dit het werk is van een oude man……

Henri Cartier-Bresson, Matisse in Vence, 1944, Magnum Photo

In zijn atelier in Nice in Zuid-Frankrijk hield Matisse veel vogelkooien en liet hij zijn vogels vrij rondvliegen. Deze meesterlijke foto is van de beroemde Franse fotograaf Henri Cartier-Bresson. De wereld van Matisse in één beeld gevangen.

Op YouTube is deze mooie video te zien over een sleutelwerk van Matisse: “Matisse, The Red Studio” in het MOMA in New York:

Op YouTube is deze video te zien van Kate Bush, “The Man with the Child in his Eyes”:

“Schilderen met een Lens” – Fotografe Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier en Schilderijen van Johannes Vermeer

Gezien op zaterdag 6 april 2024 in Museum Slager in ’s-Hertogenbosch: Fototentoonstelling “Fotografie met de Schildersziel” van fotografe Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier. Haar werk toont een duidelijke artistieke zielsverwantschap met de schilderijen van Johannes Vermeer, met eenzelfde voorliefde voor een meisje bij het raam in de schoonheid van natuurlijk daglicht, rust, harmonie, verstilling en ingetogen contemplatie. In de expositie is een keuze uit haar “At the Window”-serie te zien alsmede een aantal stillevens, aangevuld met interieurfoto’s van eeuwenoude huizen in zwart-wit.

Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier, “At the Window”, Huis Bartolotti in Amsterdam, 2022. Johannes Vermeer, “Brieflesendes Mädchen am Offenen Fenster”, Gemäldegalerie Dresden, 1658

“Schilderen met een lens”. Van Hövell fotografeert schilderachtige interieurs met haar Hasselblad-camera, Vermeer schilderde zijn interieurscènes met gebruik van een camera obscura.

Van Hövell probeert als fotografe met haar fotocamera de schilderachtige effecten van het licht te vangen op de lichtgevoelige plaat, Vermeer probeerde als kunstschilder de schilderachtige lichtbeelden in zijn camera obscura te vertalen in verf in een schilderij.

Fotografie of schilderkunst ?

Als Vermeer niet in de 17e eeuw, maar ná de uitvinding van de fotografie rond 1830, werkzaam was geweest, welk medium zou hij dan gekozen hebben: de fotografie of toch de schilderkunst ? Feit is dat Vermeer een unieke mixed media-techniek ontwikkelde, die zich laat typeren als “schilderen met een lens” of “schilderen met een camera”. Als een soort fotograaf avant la lettre, met zijn eigen oog en schilderdoek als “gevoelige plaat”. Zijn precieze werkwijze valt niet meer te achterhalen, maar dat hij bij het maken van zijn schilderijen gebruik maakte van optica, lenzen en spiegels, daarover zijn de meeste kenners het wel eens. De schilderkunst van Vermeer bevat het beste van twee werelden; de fotografie en de schilderkunst. De optische exactheid in  lichtweergave en detaillering van de fotografische camera en de krachtige beeldregie, compositie/perspectiefconstructie en eigen penseelstreek in verf van de kunstschilder. Lens en Oog. Camera en Kunstenaar.

Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier, “At the Window”, Teylers Museum, Haarlem, 2021. Johannes Vermeer, “La Dentellière”, 1669-70, Musée du Louvre, Parijs

Een andere overeenkomst tussen fotografe Van Hövell en de kunstschilder Vermeer is hun beider voorliefde voor de ingetogen, contemplatieve poses van hun modellen. Bij Vermeer is opvallend genoeg wel steeds sprake van een handeling, maar altijd in een sfeer van licht, concentratie en verstilling.

Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier: “At the Window”, Huis Barnaart Haarlem, 2022. “At the Window”, Huis Bartolotti in Amsterdam, 2022. “At the Window”, Huis van Brienen, Amsterdam, 2016

Het leadbeeld van de expositie is het fotowerk “At the Window”, Huis Bartolotti in Amsterdam, 2022. De eerste wand in de tentoonstelling toont deze drie van haar beste werken uit de serie “At the Window”, waarin de inspiratie van Vermeer duidelijk voelbaar is. Al is in bijna elke Vermeer de jonge vrouw het kloppende hart van de compositie, prominent in beeld en in het volle licht gezet.  Bij Van Hövell overheerst het interieur. En is de figuur klein in verhouding tot de monumentale, hoge ramen. Hoge ramen in stadspaleizen, landhuizen en buitenplaatsen geven een prachtige lichtinval waarbij het daglicht diep de kamer in kan stromen en de lichtbaan van hoog linksboven op de jonge vrouw valt. Hoge ramen geven een interieur de voorname, aristocratische allure van een stadspaleis, buitenplaats of landhuis. Hoge ramen laten het stralende natuurlijke daglicht van buiten een dialoog aangaan met de verstilde intimiteit van de binnenkamer en haar bewoners.

Een mooi voorbeeld van een Vermeer, waar de klasse en aristocratische allure doorheen straalt, is de “Lady Writing a Letter with her Maid” uit 1670 in de National Gallery in Dublin, mede door de hoge ramen in het interieur.

Fotografie en schilderkunst: “Jonge Vrouw bij het Raam” is het kerngegeven bij deze foto van Van Hövell en dit schilderij van Vermeer.  Beiden prachtige beelden. Bij nadere beschouwing valt het verschil tussen fotografie en schilderkunst op. Als kunstschilder kon Vermeer veel meer artistieke keuzes maken dan Van Hövell als fotograaf: keuze van formaat, vlakverdeling, vereenvoudiging van vormen, licht-donker contrast, compositie, verhouding groot-klein, kleuren-afstemming, abstrahering, weglaten van overbodige details, horizontale en verticale compositielijnen (bv. de “L”-vorm), beeld rijmen, etc. De fotograaf kan een mooie locatie kiezen, een mooi model met het juiste kostuum, wachten op het mooiste licht, een enscenering maken, maar daar houdt het voor de “zuivere” fotograaf, voor wie Photoshop “uit den boze” is, wel mee op.  Waar de fotografie ophoudt, gaat de schilder Vermeer verder. Als Vermeer in deze tijd zou leven en voor de fotografie gekozen zou hebben, zou hij in mijn ogen gekozen hebben voor een groot formaat-technische camera (10×12,5 cm formaat) en zeker gebruik hebben willen maken van de beeldbewerkingsmogelijkheden van Photoshop. Photoshop zou hem de mogelijkheid geven al die artistieke keuzes te maken, die hij ook als schilder kon maken. Fotografie of schilderkunst, uiteindelijk valt en staat alles met het licht en oog van de meester.

Dan blijft ook nog staan dat een canvas fotoprint als eindproduct, hoe goed ook, niet hetzelfde is als een olieverfschilderij. Licht doet heel andere dingen met olieverf dan met printerinkt. Olieverf heeft een rijkere materie en gelaagdheid, met een mooie variatie in meer transparante glacislagen en meer dekkende, licht reflecterende verflagen. Nog afgezien van de verfstreek, de factuur, het eigen handschrift van de kunstschilder. Er “gebeurt” veel meer in een goed olieverf-schilderij. Een andere uitstraling en energie. Een schilderij van Vermeer staat wel veel dichter bij de fotografie dan een schilderij van Van Gogh of Picasso.

Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier, “At the Window- Feeling Blue”, Tuinzaal Huis Bartolotti, Amsterdam, 2018

Een vrouw zit in gedachten verzonken met een boek op schoot voor het raam waarbij het binnenvallende licht haar gezicht streelt. Ze gaat een dialoog aan met de zonsinval en vormt zo een hulpmiddel om het natuurlijke licht in al zijn nuances en kleurschakeringen nóg beter tot zijn recht te laten komen. “Feeling Blue” is onderdeel van de fotoserie “At The Window”, een reeks die is ontstaan vanuit de fascinatie van fotografe Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier voor interieurs en lichtwerking, voor de verbinding tussen binnen en buiten en het vastleggen van pure zuiverheid van licht en vorm.

Dat deze door Van Hövell gefotografeerde scène meteen doet denken aan de brieflezende vrouwen van Johannes Vermeer ( 1632-1675) lijdt geen enkele twijfel. Ook van Hövell wacht tot de perfecte lichtinval zijn intrede doet in de ruimte. Het zachte pure licht, dat het satijnen krukje en de bijna porseleinen huid  van de vrouw doet oplichten, brengt spanning in de foto. Het wekt de indruk van een filmische scène waarvan we het begin en het einde niet kennen. Wie is zij en waarom dwalen haar gedachten af van haar boek dat ze subtiel met haar vinger openhoudt ?

Het verstilde, intieme tafereel maakt dat de kijker de vrouw als het ware betrapt. Dit effect wordt versterkt, doordat ze half op de rug is te zien. Ook de vrouwen die Vermeer schilderde en die mogelijk voor zijn camera obscura verschenen (nog niet bewezen, maar een aannemelijke, kunsthistorische theorie) verliezen zich in hun gedachten en dromen, waarbij ze even ontsnappen aan hun alledaagse handelingen.

(Tekst: Museum JAN, Amstelveen, 2023)

Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier, “At the Window”, Teylers Museum, Haarlem 2021

“Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier, At the Window”, Boerderij Hoogwoud, 2022

Het mooie aan een ingetogen, naar binnen gekeerde  pose als deze, is dat ze veel te raden over laat over wat er werkelijk aan gedachten en gevoelens in haar om gaat. Klassieke Italiaanse Madonna’s van Rafael of Leonardo hebben ook deze pose, als een vrouw, die alle geheimen van het mysterie in haar hart bewaart.

Naast haar interieurfoto’s maakt Van Hövell ook foto’s van zelf geënsceneerde stillevencomposities in haar fotoserie “Contemplation Still Life”. Als achtergrond verwijst een geschilderde wolkenlucht naar de schilderkunst. In haar stillevens laat van Hövell zich ook inspireren door de zeventiende eeuwse stillevenschilder Clara Peeters.

Clara Peeters, Stilleven met Kazen, Garnalen en Rivierkreeften, Privécollectie, Antwerpen, 1612-1621

Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier, “Contemplation, Still Life ”      2017

Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier, “Contemplation, Still Life ”, 2019

Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier, “Contemplation, Still Life #1 ” , 2017

Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier, “Contemplation, Still Life #4”,  2017

Teylers Museum, Haarlem, 2021. Teylers Museum in Haarlem is wat mij betreft een van de mooiste musea van Nederland. Wie van klassieke historische landhuizen houdt, is ook een liefhebber van Teylers Museum. Hier is de oorsprong van de verwondering en nieuwsgierigheid, die de aan de wieg staat van alle kunst en wetenschap, nog tastbaar en voelbaar.

Huis van Brienen, Amsterdam, 2012, zwart-wit serie

Tegenwoordig fotografeert Van Hövell met een een Hasselblad-camera met een digitale achterwand en in kleur. Haar vroegere werk was nog gemaakt met een analoge Hasselblad-camera met rolfilm en in zwart wit. Zoals deze foto’s  van een interieur in het Huis van Brienen in Amsterdam in 2012. Haar artistieke visie kenmerkt zich door fotografische verstilling en natuurlijk licht. Net als Vermeer zoekt zij in haar fotografie een pure zuiverheid van licht en vorm. Haar drijfveren zijn niet zozeer nostalgisch, als wel ingegeven door een diepdoorvoelde behoefte aan  stilte en rust.

Marie-Jeanne fotografeert met de analoge Hasselblad camera en werkt alleen met natuurlijk licht. Fotoshoppen of op een andere wijze van bewerken van de foto’s is voor haar uit den boze. De Hasselblad-6×6 middenformaat camera met Zeiss-lenzen is een begrip onder professionele analoge fotografen vanwege de superieure beeldkwaliteit. Dit was ook de camera die meeging op de maanreizen van de Apollo astronauten, waarmee iconische foto’s als “Earthrise” en “Man on the Moon” werden gemaakt. Wat haar onderwerp ook is, steeds is zij op zoek naar zuivere stilte en roept zij een sfeer op die de kijker historische sensaties bezorgt. Want schilderend met de lens creëert Van Hóvell fotografische beelden die het heden als vanzelfsprekend transformeren naar het verleden. De rode draad in de onderwerpen, waarop Van Hövell haar camera richt, is verstilling en ingetogenheid.

Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier, Zelfportret, 2022. Uiteraard met haar onafscheidelijke  Hasselblad-camera.

Marie-Jeanne zoekt zorgvuldig naar het juiste moment om haar onderwerp te vereeuwigen. Als een schilder niet tevreden is over een detail, kan hij dat met zijn penseel bijwerken of corrigeren. De lens is echter onverbiddelijk: die laat geen correcties toe, althans niet in het geval van  Van Hövell, voor wie fotoshoppen uit den boze is. Ze registreert een werkelijkheid die alleen zij kent en zichtbaar weet te maken. Ze fotografeerde aanvankelijk met de analoge Hasselblad camera en werkt alleen met natuurlijk licht. Haar foto’s van mensen, interieurs, landschappen en stadsgezichten zijn veelal in zwart-wit maar de laatste jaren ook in kleur. De interieurfoto’s met een menselijke figuur en haar stillevens doen denken aan bekende Nederlandse schilders als Johannes Vermeer.

Op YouTube is deze video te zien: een korte documentairefilm van Ferry Knijn – “The White Blouse: Marie-Jeanne van Hövell tot Westerflier” over haar fotoportretten-project, waarin ze meerdere modellen in een witte blouse fotografeert:







Expositie “Het Delft van Vermeer” in Museum Het Prinsenhof in Delft

Gezien op 1 mei 2023, de tentoonstelling “Het Delft van Vermeer” in Museum Het Prinsenhof in Delft.

De meeste echte Vermeer-liefhebbers hebben de 28 Vermeer-schilderijen in de blockbuster-expositie in het Rijksmuseum in 2023 vast al wel een keer eerder rustig kunnen bekijken in de grote musea in Europa en de Verenigde Staten. In een mooier licht, in een lege, rustige zaal met weinig publiek en niet allemaal tegelijk op één hoop. Dus in omstandigheden waarvoor ze ooit bedoeld zijn: voor verstilde, private en intieme contemplatie.

Enige voordeel van die massaal opgeklopte Vermeer-hype was wel, dat de Vermeer-liefhebber nu ook voor het eerst direct aan Vermeer gerelateerde archief- en museumstukken te zien kreeg, die voor het grote publiek doorgaans niet te bezichtigen zijn: bijzondere originele archiefstukken uit het Delfts archief met signaturen van Vermeer en originele schilderijen van andere meesters, die Vermeer en zijn schoonmoeder in eigen bezit hadden en die hij als “schilderij in het schilderij” heeft opgenomen in sommige van zijn interieurstukken .  Zoals tot twee keer toe De Koppelaarster van Dirck van Baburen uit 1622, nu in de collectie van het Museum of Fine Arts in Boston.

Dirck van Baburen, De Koppelaarster, 1622, Museum of Fine Arts, Boston Jacob Jordaens, Christus aan het Kruis, 1620, Museum Wallraf-Richartz, Keulen

Dit zijn twee originele schilderijen, die ooit tot de privé-collectie behoorden van Vermeer en die hij als “schilderij in het schilderij” heeft opgenomen in enkele van zijn interieurstukken. Vermeer hield zowel van bordeelscènes als van religieuze schilderijen, en had dus een heel brede smaak. Eros, kunst en religie, alle vormen van liefde komen in het op zichzelf in omvang toch bescheiden schilderijen-oeuvre van Vermeer op hun eigen manier aan bod. Als in een verloren paradijs, waarin het oordeel over goed en kwaad nog niet geboren was.

Deze twee schilderijen waren de topstukken in de tentoonstelling ‘Het Delft van Vermeer’,die van 10 februari tot en met 4 juni 2023 te zien was in Museum Prinsenhof Delft, tegelijk met de grote Vermeer-tentoonstelling in het Rijksmuseum.

Delft was in de 17de eeuw een broedplaats van talent, een plek waar belangrijke innovaties plaatsvonden. Hier groeide Johannes Vermeer (1632-1675) uit tot een schilder van wereldformaat. Voor het eerst stonden Vermeers leven, zijn netwerk en zijn relatie tot de stad Delft centraal in een tentoonstelling. Topstukken van Delftse tijdgenoten werden getoond naast Delfts aardewerk, Delftse tapijten, archivalia en egodocumenten. Hiermee werd een rijk beeld geschetst van het artistieke, intellectuele en sociale klimaat in Delft in de 17de eeuw. Tientallen archiefstukken zoals inventarissen en testamenten, maar ook prenten en kaarten, boden inzicht in Vermeer en de mensen om hem heen en schetsten een helder beeld van de stad in zijn tijd.

In de tentoonstelling kon de bezoeker nader kennismaken met personages uit Vermeers directe omgeving, zoals zijn schoonmoeder Maria Thins, zijn collega-schilder Leonard Bramer, de familienotaris Willem de Langue, de kunstverzamelaars Maria de Knuijt en haar man Pieter van Ruijven en meester-bakker Hendrick van Buyten, die ook kunst verzamelde. Vermeer was niet alleen een kunstschilder, maar ook een man van vlees en bloed: echtgenoot, schoonzoon, kunsthandelaar, vader van 15 kinderen en herbergier. De bezoeker kon zo dichter bij de man achter de mythe komen en ontdekken hoe Vermeer juist in Delft kon uitgroeien tot een van de meest geliefde kunstenaars ter wereld.

Mijn persoonlijke favoriet onder de “schilderij-in-het-schilderij”-werken in het oeuvre van Vermeer is de Koppelaarster van de Utrechtse Caravaggist Dirck van Baburen  uit 1622. Het was ook de favoriet van Vermeer zelf, want hij nam het als enige zelfs tot twee keer toe op in een eigen interieur-schilderij en gebruikte het als inspiratie voor zijn eigen Koppelaarster, nu in Dresden.  Door zijn grote vereenvoudigde kleurvlakken, krachtige compositie en het weglaten van overbodige details, die het beeld “verrommelen en verstrooien”, krijgt het schilderij van Van Baburen een krachtige focus en is het in één oogopslag “leesbaar”. De invloed van de Caravaggist Van Baburen op Vermeer is duidelijk aanwijsbaar, want hij paste diens beeldtaal op zijn eigen manier ook toe in de compositie en beeldtaal van zijn eigen schilderijen.

Eros in de kunst.

Hoewel Vermeer ’s visie in zijn rijpe werken voornamelijk gekenmerkt wordt door “de serene blik”, laat het steeds in zijn oeuvre terugkerende thema van De Koppelaarster – een bordeelscene – zien, dat zijn werk onderhuids gevoed werd door een sterke Eros. De Koppelaarster van Baburen was voor hem een soort “ikoon van de erotiek”. Erotiek als bron van levensvreugde en levensenergie. Zonder Eros zou alle kunst dood zijn, hoe spiritueel en sereen ze in het geval van Vermeer ook is. Augustinus zegt het mooi: ”Ubi Amor, Ibi Oculus”; vrij vertaald: “Pas waar liefde is, daar gaat het oog open”. Letterlijk: “Waar de liefde is, daar is het oog”. Het oog van Vermeer is één grote contemplatieve liefdesverklaring aan alles in zijn directe omgeving, waarvan hij hield, zijn mooie jonge vrouw, zijn Wunderkammer van schilderijen, landkaarten, boeken, gobelins, muziekinstrumenten, zijn straat en zijn eigen stad.

Vermeer had geen behoefte aan verre reizen: alles waar hij van hield vond hij in zijn directe omgeving in Delft. Vermeer was in mijn ogen de juiste man op de juiste plaats op het juiste moment in het juiste netwerk. He was just a Lucky Man. Hij zocht niet, hij vond alles wat hij nodig had voor zijn ogen gereed liggen.

Genade of eigen verdienste ?

De genade daalt neer, waar ze neerdaalt. Persoonlijk zie ik het werk van Vermeer meer als een Amazing Grace, eerder de vrucht van een contemplatief kunstenaarschap, dan de resultante van keihard werken, marktwerking, felle concurrentie en eigen verdienste, waar het neoliberalisme tegenwoordig zo de mond vol van heeft. Wel profiteerde hij indirect zeer zeker van de spectaculaire economische rijkdom en groei in de tijd, waarin het kapitalisme, met al zijn schaduwzijden, juist ook uitgevonden is. Denk aan de VOC…… Het licht kan niet zonder het donker.

Rembrandt en zeker Picasso behoren tot het soort kunstenaars, die het altijd en overal ter wereld wel gemaakt zouden hebben met al hun eigen overvloedig aanwezige talenten. Vermeer daarentegen werd juist op die ene plek in Delft ver boven zichzelf uitgetild tot aan de bovenste top van die onvoorstelbaar hoge golf van rijkdom in De Gouden Eeuw. Deze golf stuwde hem omhoog naar een niveau, waar hij op eigen kracht in een andere tijd nooit had kunnen komen. Daardoor kon hij zelfs floreren in de luwte van een relatief kleine provinciestad als Delft. In de bruisende wereldstad, die Amsterdam ook toen al was, had Vermeer als local hero en provinciaal met zijn contemplatieve, ingetogen natuur het zeker nooit gered.

Johannes Vermeer, De Koppelaarster, Gemäldegalerie Alte Meister, Dresden,1656.

Deze Vroege Vermeer werd geschilderd drie jaar na zijn huwelijk in 1653 met Catharina Bolnes. De Koppelaarster van Baburen hing als familie-erfstuk in het huis van zijn schoonmoeder Maria Thins aan de Oude Langendijk in Delft, bij wie Vermeer met zijn vrouw na zijn huwelijk ging inwonen. Het kan bijna niet anders dat de Koppelaarster van Baburen de inspiratiebron was voor Vermeer om “zijn eigen Koppelaarster” te schilderen, nu in de Gemäldegalerie Alte Meister in Dresden. De heldere rode en gele kleuren zijn van een stralend coloriet dat prachtig uitwaaiert over het oosterse tapijt. Opvallend detail is het kleine, oude vrouwtje met de priemende oogjes in het zwart, de koppelaarster in kwestie, die gekleed lijkt te gaan in het zwarte habijt van een kloosternon…….. De handen van het koppel spreken echter een duidelijke taal: dit is betaalde liefde. Liefde in ruil voor  geld.

De man links met de zwierige zwarte baret en jak met gesplitte mouwen staat als beschouwer aan de zijlijn en lijkt er met een glas wijn en citer in de hand zijn zegen aan te geven, zonder zelf actief deel te nemen aan wat er gebeurt. Vanwege de gelijkenis van dit kostuum met dat van de schilder in De Schilderkunst van Vermeer in Wenen, wordt deze figuur wel beschouwd als een zelfportret van Vermeer. Opvallend is dat hij zijn eigen gezicht bijna geheel in de schaduw weergegeven heeft. Bijna als een voyeur, die zelf eigenlijk niet echt gezien wil worden, alleen maar toe wil kijken. Als in de song-regel “I’m a Spy, in the House of Love” van The Doors. Opvallend in het gehele oeuvre van Vermeer is dat hij zich steeds onthoudt van elk expliciet moreel vooroordeel over goed of kwaad.  Hij laat de dingen zien, zoals ze zijn.  

Johannes Vermeer, Zittende Klavecimbelspeelster, 1670-72, National Gallery, London.

Het meesterwerk van Baburen komt tweemaal voor in het oeuvre van Vermeer: in de Zittende Klavecimbelspeelster in Londen en in het helaas nog steeds gestolen Concert in Boston. De Koppelaarster bevond zich destijds in de privé-collectie van Vermeer’s schoonmoeder Maria Thins. Dit schilderij was wat mij betreft het absolute topstuk in de tentoonstelling Vermeer’s Delft in Museum Het Prinsenhof. Het was een bruikleen uit de collectie van het Museum of Fine Arts in Boston. Met het verduisterde raam in de Zittende Klavecimbelspeelster en het schemerige licht lijkt Vermeer aan te geven dat het een avondscene betreft, waarbij de aanwezigheid van De Koppelaarster van Baburen op de achtergrond de meer erotische bedoelingen en verleidingskunsten van de klavecimbel-spelende dame lijkt te benadrukken. Als symbool van de aardse liefde.

Johannes Vermeer, Het Concert, 1664, Isabella Stewart Gardner Museum, Boston (gestolen).

De aanwezigheid van De Koppelaarster van Van Baburen op de achtergrond van dit serene tafereel van een musicerend gezelschap duidt er misschien op, dat hier meer aan de hand is dan louter een gezelschap dat samen mooie muziek maakt. Hier zou ook een “upper class” koppelaarster-scene verbeeld kunnen zijn. Waarbij de zingende vrouw rechts de koppelaarster is, die de luitspelende man probeert te koppelen aan de mooie jonge vrouw aan het klavecimbel.  Door bij hen door mooie muziek de juiste liefdes-snaren te laten beroeren. Zoals alleen muziek dat kan. Muziek is immers de kortste weg naar het hart.

Jacob Jordaens, Christus aan het Kruis, 1620, Museum Wallraf-Richartz in Keulen Johannes Vermeer, De Allegorie van het Geloof, 1670-74, Metropolitan Museum of Art, New York

Op Vermeer’s late werk, de Allegorie van het Geloof in New York, is dit grote schilderij Christus aan het Kruis van Jacob Jordaens  uit 1620 te zien, een bruikleen uit het museum Wallraf-Richartz in Keulen. Van dit schilderij bestaan overigens meerdere kopieën, onder andere in de Teirlinck Foundation in Antwerpen.  Vermeer liet in zijn eigen werk de “kruisafhaler”- figuur weg, om meer rust in zijn compositie te brengen. Opvallend detail hier is de treurende vrouw, precies in het midden van de compositie. Niets is toeval bij Vermeer. Hij schilderde dit schilderij rond het Rampjaar 1672, Holland werd toen van drie kanten tegelijk aangevallen, zijn kunsthandel dreigde failliet te gaan en zijn schulden stapelden zich op. De treurende figuur heeft iets van Rembrandt’s Jeremia die treurt om de verwoesting van Jeruzalem…… Ze lijkt iets te weerspiegelen van Vermeer’s eigen neerslachtige gemoedstoestand op dat moment: “Het is voorbij….”. Misschien ook wel iets van Simon Schama’s “Embarrassment of Riches”. “Wee, gij rijken, want wat u vertroost, hebt gij reeds ontvangen”. Vermeer’s Allegorie van het Geloof is overigens op z’n zachtst gezegd niet echt een publiekslieveling onder Vermeerliefhebbers, waarover hieronder meer.

Portret van de Jezuiet Roeland de Pottere en een prent van Abraham Rademaker van de schuilkerk van de Jezuieten, die pal naast het huis van de familie Vermeer gelegen was aan de Oude Langendijk in Delft. Het is niet ondenkbaar dat Vermeer de Allegorie van het Geloof geschilderd heeft in opdracht van de Jezuieten, gezien het formaat misschien zelfs wel bedoeld als altaarstuk in deze schuilkerk. Het is plausibel dat de Jezuieten als directe buren ook wel eens het atelier van Vermeer bezocht hebben en daar  zijn onbetwiste meesterwerk De Schilderkunst hebben zien hangen. Dat heeft hij altijd voor zichzelf in eigen bezit gehouden. De compositieschema’s van de Schilderkunst en de Allegorie van het Geloof vertonen ook daadwerkelijk duidelijke en niet te missen overeenkomsten.

Curator Gregor Weber poneert in zijn boek “Johannes Vermeer – Geloof, Licht en Reflectie” zelfs de stelling dat de Jezuiet Isaac van der Mye als directe buurman Vermeer in contact heeft gebracht met de Camera Obscura “als instrument om het goddelijke licht weer te geven”. Een idee dat zou kunnen zijn ingegeven door de Jezuiet Paul Begheyn uit Nijmegen, die ik me nog herinner uit mijn tijd bij Museum Het Valkhof.

Kunst en religie.

In mijn ogen was Vermeer in de eerste plaats een kunstenaar, met een onwrikbaar geloof in de schilderkunst. Daarin lag zijn hele hart en ziel. En hij hield van mooie vrouwen. Het kloppende hart van (bijna) elke Vermeer is een mooie jonge vrouw. Zijn “goddelijke openbaring”, zijn “mystieke visioen” is in mijn ogen De Schilderkunst in Wenen. Daarin ligt alles waar hij zelf echt in geloofde en te zeggen had als kunstenaar. Iedere kunstenaar en kunstliefhebber die ooit met eigen ogen de magie van het licht in de Schilderkunst in Wenen gezien heeft, zal de Allegorie van het Geloof in New York als een anticlimax ervaren. Een mislukt schilderij zelfs. De echte ziel, magie en lichtmystiek van Vermeer – op een enkel detail als de glazen bol na – ontbreekt hier volkomen. Er zit veel meer bezielde religieuze inspiratie in kleinere werken van Vermeer als Het Melkmeisje of de Dame met Weegschaal dan in dit grote schilderij.

Juist Vermeer’s meesterwerk De Schilderkunst uit Wenen ontbrak op de grote Vermeer-tentoonstelling in het Rijksmuseum in 2023.

In de laatste expositiezaal zaal ervan hing bijna als een altaarstuk de Allegorie van het Geloof, in de opzet dat juist dit schilderij de religieuze apotheose en absoluut hoogtepunt van de “Grootste Vermeer-expositie ooit” zou zijn met zijn 28 Vermeers.

Precies op die plek heb ik dit schilderij echter eerder als een teleurstellende domper ervaren. Als de ultieme apotheose had op die plek natuurlijk De Schilderkunst uit Wenen moeten hangen. Dan was het predikaat “Grootste” inderdaad werkelijk op zijn plaats geweest, als kwaliteit het criterium was geweest. Vermeer gaat immers niet over kwantiteit, maar over kwaliteit. Vermeer was geen religieuze monnik, hij was in de eerste plaats een kunstschilder, die van vrouwen hield, maar ook een zeldzaam intense gevoeligheid had voor het licht, dat door menigeen bijna als goddelijk wordt ervaren. Wie echter al te zeer op zoek gaat naar “de religieuze Vermeer”, komt vroeg of laat toch uit bij een nieuwe variant op zo’n zeperd als de Emmaüsgangers van Van Meegeren. De paradox met Vermeer is, dat er meer “religie” te vinden is in de bezielde lichtmystiek in zijn profane Schilderkunst in Wenen, dan in zijn duidelijk ongeïnspireerd en plichtmatig geschilderde “religieuze” Allegorie van het Geloof in New York. Met die al te bedachte, opgelegde en gekunstelde symboliek, letterlijk ontleend aan Cesare Ripa’s boek “Iconologia”. Het goddelijke licht onttrekt zich aan elke menselijke maakbaarheid. De genade daalt neer waar ze neerdaalt. Maar al te vaak juist daar, waar je het niet verwacht.

Op Vermeer’s Staande Klavecimbelspeelster in Londen is dit Landschap van de Delftse schilder Pieter Anthonisz van Groenewegen te zien. Het is door Vermeer als beeldcitaat weergegeven op het lid van het klavecimbel én in het landschapje in de gouden ornamentlijst. Het schilderij van Groenewegen werd door Vermeer wel naar eigen inzicht aangepast aan zijn compositie, zoals de kadrering en de toegevoegde blauwe lucht met wolken. Met name de gelijkenis met het landschap op het lid van de klavecimbel is treffend. Een mooie vondst van Vermeer-kenner Gregor Weber.

Naast de schilderijen van andere meesters, die Vermeer in zijn eigen schilderijen heeft verwerkt, bood deze expositie ook de unieke kans om originele handschriften en archiefstukken rond Vermeer te bekijken, die normaal gesproken altijd achter slot en grendel in het Stadsarchief Delft opgeborgen liggen en niet voor het gewone publiek te zien zijn. Een selectie van archivalia met originele handtekeningen van Vermeer zelf, zijn vrouw Catharina en zijn beroemde tijdgenoot Gerard Ter Borch. Een ooggetuigeverslag over een bezoek aan het atelier van Vermeer en vermeldingen van Vermeer in een boek over Delftse kunstenaars. Deze stukken geven een inkijkje in bepalende momenten in het leven van Vermeer en welke personen in zijn netwerk van invloed zijn geweest op zijn ontwikkeling als kunstenaar.

Grafologie en de originele handtekeningen van Vermeer in Delftse archiefstukken.

Grafologie of schriftpsychologie is de studie van het karakter door middel van het analyseren van het handschrift. Hoewel grafologie, handschriftkunde, door velen beschouwd wordt als een  “pseudo-wetenschap” of zelfs “Kwakzalver-wetenschap”, treft het mij toch hoe klein, eenvoudig  en bescheiden de handtekening van Vermeer is, naast die van zijn vrouw en al helemaal naast die van zijn illustere tijdgenoot de schilder Gerard Ter Borch. Maar wat zegt een handtekening of handschrift werkelijk over het karakter van de betreffende persoon en diens relatie met anderen uit zijn omgeving ?

Was Vermeer inderdaad een kleine, verlegen, teruggetrokken, bescheiden, ingetogen, introverte persoonlijkheid, met weinig ego, die vooral niet op wilde vallen ?  Was Catharina werkelijk een dominante vrouw, bij wie haar ietwat onderdanige man Johannes “onder de plak zat” ? En voelde Vermeer zichzelf als schilder echt zwaar de mindere naast Gerard Ter Borch ?

Ik moet in dit kader ook denken aan de handtekening van Albert Einstein, die ik ooit zag in het gastenboek van het Spinozahuis in Rijnsburg, waarbij het me opviel dat juist die handtekening de allerkleinste handtekening op de hele pagina was. De hand die deze handtekening zette, behoorde achteraf dus wel toe aan een van de allergrootste wetenschaps-genieën, die ooit geleefd hebben. Natuurlijk blijft grafologie steken in speculatie, zonder hard wetenschappelijk bewijs, maar toch zijn juist dit soort dingen wat mij betreft wel een fascinerend gegeven om verder over te mijmeren en te speculeren.

Vermeer en Einstein, hadden dus beiden een kleine bescheiden handtekening gemeen, maar heden ten dage worden ze ieder op hun eigen vakgebied alom beschouwd als een “peerless genius” uit de “Galerij der Groten”. Hun namen zijn inmiddels gemeengoed bij het grote publiek.  Alleen al de naam “Einstein” geldt als een vanzelfsprekend synoniem voor “genie” en zelfs een gangbaar zelfstandig naamwoord in het dagelijks taalgebruik.

Die paradox vind je ook terug in de kunstgeschiedenis: deze kent talloze voorbeelden van in hun eigen tijd gevierde en uiterst succesvolle en beroemde kunstenaars, die nu al lang en breed vergeten zijn, terwijl toenmalige “nobodies” uit dezelfde periode nu tot de eeuwige canon van de grote en alom geliefde meesters gerekend worden.

Vergetelheid of eeuwige roem worden bepaald door wonderlijke wendingen van het lot en de tijd.  “De genade daalt neer waar ze neerdaalt”, schreef de Franse romanschrijver Victor Hugo ooit. Ook Vermeer zelf is twee eeuwen lang vergeten geweest, voordat hij in de 19e eeuw herontdekt werd door de Fransman Thoré-Bürger. Van Gogh en Cézanne beschouwden zichzelf aan het eind van hun leven als een “mislukte kunstenaar”……  Maar wie kent nog, buiten enkele kunsthistorici-specialisten, de namen van een Bouguereau of Gerôme, ooit alom bejubelde en gevierde artiesten van de Académie Francaise ? Ondanks het feit dat ook zij fenomenale schilders waren.

De Delftse schilder Leonard Bramer (1596-1674). Op diens voorspraak kon Vermeer trouwen met zijn grote liefde Catharina Bolnes in 1653 in Schipluiden. Zijn schoonmoeder Maria Thins was aanvankelijk fel tegen het huwelijk, maar door bemiddeling van Vermeer’s oudere collega-kunstschilder Bramer besloot ze zich “niet langer ertegen te verzetten” (ze ging dus niet van harte akkoord !). Zonder Bramer was er dus niet de Vermeer geweest, die wij nu kennen. Juist door zijn huwelijk met de mooie jonge Catharina en zijn rijke schoonmoeder met haar mooie kunstcollectie, kwam Vermeer in de juiste omgeving en kringen, waarin hij als kunstenaar kon groeien en floreren. Bramer is ook wel eens geopperd als Vermeer’s  leermeester, maar zijn stijl lijkt in geen enkel opzicht op die van Vermeer. Dat lijkt dus erg onwaarschijnlijk. Gezien zijn persoonlijke bemoeienis zou het misschien wel  kunnen dat Bramer al in een eerder stadium als koppelaar de eerste ontmoeting tussen Johannes Vermeer en Catharina Bolnes gearrangeerd heeft, maar dat is natuurlijk puur romantiserende speculatie mijnerzijds……  Het zou wel verklaren, waarom het thema “Koppelaarster” zo’n groot thema is in het oeuvre van Vermeer.

Godfried Schalcken, Portret van Pieter Teding van Berckhout, 1674.

Bovenstaand handschrift is uit het originele dagboek van de rijke Haagse regentenzoon, kunstliefhebber en kunstverzamelaar Pieter Teding van Berckhout over zijn bezoek op vrijdag 21 juni 1669 aan het atelier van de “beroemde” schilder Vermeer, die hem persoonlijk meerdere van zijn werken liet zien. De bezoeker was vooral onder de indruk van de wonderlijke werking van het perspectief. Waarschijnlijk heeft hij toen Vermeer’s meesterwerk De Schilderkunst gezien, dat nu in Wenen hangt, en waarvan we weten dat Vermeer het tot aan zijn dood in eigen bezit heeft gehouden. Voor tijdgenoten moet dat schilderij inderdaad door de verbluffende werking van het perspectief veel indruk gemaakt hebben. Teding van Berckhout heeft Vermeer dus persoonlijk onder vier ogen ontmoet en uitgebreid met hem over zijn werk gesproken. Een tantaluskwelling voor menig hedendaags kunsthistoricus of liefhebber van Vermeer….

Soms vraag ik mezelf ook wel eens af, wat ik aan Vermeer zou willen vragen, als ik als Vermeerliefhebber  hem persoonlijk zou hebben kunnen ontmoeten. Helaas loopt zo’n ontmoeting tussen een bewonderaar en zijn idool echter al te vaak uit op een teleurstelling.

We houden allemaal van de schilderijen van Vincent Van Gogh, maar om de persoon in levende lijve zou menigeen er met grote boog omheen gelopen zijn.  En wat te denken van Caravaggio, die was ook bepaald geen lieverdje.

De betrekkelijkheid van de roem:

In het boek “Beschrijvinghe van de stad Delft” uit 1667 van Dirck van Bleijswijck  staat een vermelding van Vermeer in een gedicht van Arnold Bon over de schilder Carel Fabritius. Deze was op  tragische wijze omgekomen bij de grote kruitmagazijnontploffing in 1654, de ramp van de Delftse Donderslag. Deze passage wordt vaak aangehaald om aan te tonen dat Vermeer in zijn tijd wel degelijk faam genoot. Maar nader beschouwd valt deze passage toch als een onbeduidende voetnoot in het niet als je het hele originele boek kunt inzien. Direct na die ene korte strofe uit dat gedicht, volgt een uitgebreide lofzang met paginagrote afbeelding ernaast over de destijds internationaal beroemde portretschilder David Beck, die groot aanzien genoot tot aan de Europese vorstenhoven toe. Terwijl diens naam vandaag de dag al lang en breed is weggezonken als “de zoveelste portretschilder uit de 17e eeuw”, heeft Vermeer inmiddels langs een omweg met zijn unieke oeuvre definitief zijn plek verworven in het pantheon van de alom geliefde grote meesters van de schilderkunst. Love moves in mysterious ways…..

Egbert van der Poel, De Ontploffing van het Kruitmagazijn van de Staten van Holland, 14 oktober 1654, Museum Prinsenhof Delft.

Het grote trauma in het Delft ten tijde van Vermeer –  “De Delftse Donderslag”.

Een jaar na zijn huwelijk in 1653 vond er in Delft een ook voor Vermeer persoonlijk ongetwijfeld zeer ingrijpende traumatiserende gebeurtenis plaats: de grote ramp met de ontploffing van het kruitmagazijn in Delft, de Delftse Donderslag van 1654, die een groot deel van de stad verwoestte en veel slachtoffers eiste. Ook zijn collega-schilder Carel Fabritius kwam daarbij op tragische wijze om het leven. Misschien waren juist die traumatische ervaringen uit deze donkere periode wel de inspiratiebron voor zijn beroemde en meeslepende Gezicht op Delft uit 1660: de herrijzenis van zijn eigen geliefde stad in een stralend ochtendzonlicht uit die poel van verwoesting.  Van oorlog naar vrede, van duisternis naar licht, van dood naar leven. Welbeschouwd is elk Vermeer-schilderij in wezen een kamer van licht, gezien vanuit een donkere kamer van duisternis. Niet alleen fysiek door zijn gebruik van de Camera Obscura, maar ook in emotionele en spirituele zin. Het doet denken aan wat Tolstoi bedoelde in zijn beroemde openingszin in Anna Karenina: ‘Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.’ De unieke serene blik en het intense verlangen naar schoonheid, heelheid en harmonie van Vermeer vond zijn oorsprong in dat heftige jeugdtrauma van dood, gebrokenheid en verwoesting.  Een gelukkige zondagskunstenaar zal nooit een Vermeer schilderen. Die blijft steken in voorspelbare cliché’s en oppervlakkigheid. De diepe innerlijke behoefte aan de troostende werking van kunst en schoonheid ontbreekt bij hem.

Pieter de Hooch, Man die een Brief voorleest aan een Vrouw, 1670-74, Kremer Collectie.

Vermeer schilderde in Delft in een periode waarin de plaatselijke schilderkunst bloeide met als specialiteit het genrestuk. Vernieuwers in deze periode waren onder anderen Pieter de Hooch en Jan Steen. Johannes Vermeer kon voordeel halen uit hun artistieke ontwikkeling, zoals een nieuwe kijk op perspectief en licht.

Pieter de Hooch had van alle Delftse schilders wellicht de grootste invloed op de artistieke ontwikkeling van Vermeer. Met name op het gebied van de constructie van het perspectief,  om een overtuigende illusie van ruimte te creëren. Pieter de Hooch woonde en werkte in Delft tussen 1654 en 1660, precies tijdens de “coming of age”-periode van Vermeer als kunstenaar. Rond 1660 verhuisde De Hooch naar Amsterdam, waar voor hem veel meer en rijkere opdrachtgevers te vinden waren. Vermeer bleef noodgedwongen thuis in Delft, waar hij economisch afhankelijk was van zijn rijke schoonmoeder en zijn verplichtingen had jegens zijn vrouw en kroostrijke gezin. Maar in artistiek opzicht zou deze achterstand ten opzichte van De Hooch voor Vermeer gaandeweg uitgroeien tot een voorsprong in kwaliteit.

In 2019 was eveneens in Museum Prinsenhof in Delft nog een prachtige tentoonstelling te zien: “Pieter de Hooch, Uit de Schaduw van Vermeer”, met vele topwerken van De Hooch uit binnen- en buitenlandse musea.

Detail uit De Anatomische Les van Cornelis ’s-Gravesande, door de Delftse schilder Cornelis de Man uit 1681.

De man in het midden is de beroemde Delftse microscopist-wetenschapper Antoni van Leeuwenhoek. Van Leeuwenhoek geldt als de uitvinder van de microscoop en is nog altijd een grote naam in de geschiedenis van de wetenschap. Zijn faam reikte destijds tot de wetenschappelijke elite van de Royal Society in Londen, het toenmalige equivalent van het huidige Institute of Advanced Studies in Princeton in de VS.

Ook de wetenschap floreerde in het Delft van Vermeer. De “vader van de microscoop” Antoni van Leeuwenhoek was net als Vermeer geboren in Delft in 1632, (bovendien ook nog hetzelfde geboortejaar als dat van de beroemde filosoof Spinoza).

Sommigen zien in de Astronoom en de Geograaf van Vermeer de trekken van Van Leeuwenhoek, maar echt concreet bewijs daarvoor ontbreekt. Van Leeuwenhoek fungeerde wel als curator van de nalatenschap van Vermeer na zijn overlijden. Er zijn echter geen documenten overgeleverd dat Vermeer en Van Leeuwenhoek tijdens Vermeer’s leven intensief contact met elkaar hadden, bv. over lenzen slijpen en optica. Het schilderij achter de hemelglobe van Willem Blaeu is eveneens van de Delftse schilder Cornelis de Man, Drie Heren rond een Globe uit 1668.

Hoornblazende Bakker van de Delftse schilder Christiaan van Couwenbergh, 1650 Het Melkmeisje, Johannes Vermeer, 1659, Rijksmuseum, Amsterdam.

De bakker van Vermeer: Hendrick van Buyten.

De Franse kunstverzamelaar Balthasar De Monconys bracht op 11 augustus 1663 een bezoek aan het atelier van Vermeer, die op dat moment geen werk in huis had om te laten zien, en hem daarom doorverwees naar de bakker. Daar zag hij een schilderij met slechts één enkele figuur dat 600 livres had gekost, dat wat hem betreft een veel te hoge prijs was. Het betreffende schilderij zou heel wel het Melkmeisje geweest kunnen zijn, gezien de broden op de tafel, een onderwerp dat een bakker wel aangesproken zal hebben. De betreffende Delftse bakker was wellicht Hendrick van Buyten, aan wie Vermeer’s weduwe Catharina na zijn overlijden met twee schilderijen van Vermeer in 1676 een hoge openstaande rekening moest voldoen voor eerder geleverd brood.

Gerard Houckgeest, Kooromgang van de Nieuwe Kerk in Delft, met de graftombe van Willem de Zwijger. 1651, Mauritshuis, Den Haag.

Hendrick van Vliet, Interieur van de Nieuwe Kerk in Delft, 1670-75, Museum Prinsenhof Delft.

Vermeer heeft nooit een kerkinterieur geschilderd. Delft kende enkele zeer goede genreschilders van kerkinterieurs zoals deze Gerard Houckgeest en Hendrick van Vliet, die Vermeer in zijn functie als  hoofdman van het Sint Lucas-gilde in Delft zeker gekend zal hebben. Licht dat strijkt langs een witgepleisterde muur en het gebruik van een “Trompe l’oeil”- voorhang-gordijn zou een mogelijke inspiratiebron van deze kerkinterieurschilders voor Vermeer geweest  kunnen zijn.

Ook de kunstnijverheid floreerde in Delft in de tijd van Vermeer.

Witte tinglazuuraardewerk wijnkan, die op verschillende schilderijen van Vermeer terugkeert, zoals hier in dit detail van Vermeer’s Slapend Meisje uit 1656-57, Metropolitan Museum of Art in New York.

Dit soort “tapyten stoelen” komen ook voor in de inventaris van Vermeer na zijn dood, en ook in Het Parelsnoer van Vermeer in Berlijn is een exemplaar ervan te zien. Vermeer bezat ook een groot tapijt met florale en blad-motieven, te zien als voorhang in De Schilderkunst en de Liefdesbrief. De vader van Vermeer was naast herbergier en kunsthandelaar ook “Caffawever”. Mogelijk komt daar de voorliefde van Vermeer vandaan voor mooie tapijten, stoffen en zijden kostuums. Deze stoel is afkomstig uit het atelier van Maximiliaan van der Gucht uit 1662.

Delfts blauwe tinglazuur aardewerken plaque uit 1658, met bijbelse voorstelling  “De Profeet van Juda door een leeuw gedood”.

Tijdens de tentoonstelling Vermeer’s Delft in Museum Prinsenhof in 2023 was een mooie digitale slide show presentatie te zien van Vermeer’s schilderijen in de context van het Delftse milieu waarin hij leefde en werkte.

Op YouTube is deze video te zien met de song “Sugar Man” van Sixto Rodriguez, een Amerikaanse muzikant uit Detroit, Michigan, hier tijdens een concert in Zuid-Afrika in 1998.

Hoewel de song ooit in de ban gedaan is, vanwege de connotatie met drugs in de lyrics, bevat de tekst wel een mooie, briljante zin, die bij mij is blijven hangen als een associatie met Vermeer:

Het Universum in een Hollandse Huiskamer – De Astronoom van Vermeer en het Planetarium van Eise Eisinga

In september 2023 is het Eise Eisinga Planetarium in Franeker door Unesco uitgeroepen tot werelderfgoed. Het eeuwenoude planetarium is het oudst werkende ter wereld en een populaire trekpleister. De Friese wolfabrikant en zakenman Eise Eisinga bouwde het planetarium geheel zelfstandig van 1774 tot 1781 aan het plafond van zijn eigen woonkamer in Franeker. Het universum in een Hollandse huiskamer. Als Vermeer-liefhebber zie ik meteen een parallel met de Astronoom van Vermeer uit 1668 in het Louvre in Parijs, die bij het raamlicht in zijn studeerkamer een hemelglobe van de sterrenhemel bestudeert. De menselijke maat tegenover de oneindige grootsheid van het heelal.

De Astronoom van Vermeer uit 1668 is een van mijn favoriete Vermeers, omdat ik er mijn eigen persoonlijke fascinatie voor de sterrenhemel in herken, die teruggaat tot mijn vroegste jeugd. Ik spiegel mezelf in het woord van Plato: “Astronomy compels the soul to look upward, and leads us from this world to another”.

Het is overigens een van de topwerken die ontbraken op de grote Vermeer-tentoonstelling in het Rijksmuseum in Amsterdam in 2023.

De prachtige hemelglobe met sterrenbeelden van Jodocus Hondius uit 1600 is een waar kunst-werk op zichzelf. Kunst en Wetenschap gingen in de Gouden eeuw hand in hand.

Wat mij fascineert in het Planetarium van Eise Eisinga in Franeker en in de schilderijen van Johannes Vermeer van Delft is dat zij beiden in de bescheiden setting van één woonkamer in hun eigen huis min of meer in hun ééntje een levenswerk hebben gecreëerd, dat vandaag de dag wereldwijd als wereld cultureel erfgoed wordt beschouwd. Het universum in een kleine Hollandse binnenkamer. De kamergeleerde als ontdekkingsreiziger van het universum, met het vermogen tot een innerlijke reis vanuit de verbeeldingskracht van de geest.

Kunst en reizen.

Elke zichzelf respecterende kunstschilder in de Gouden Eeuw moest minstens éénmaal in zijn leven een grote Italië-reis ondernomen hebben. Een opvallend feit echter is dat de Grote Drie, Vermeer, Rembrandt en Hals, juist nooit zo’n grote reis ondernomen hebben. Zij bleven thuis. Hun artistieke reis ondernamen ze in de weidse wereld van hun eigen verbeelding in hun eigen atelier. De Haarlemse schilder Kees Verwey zei het het ooit zo: “Ik vind mijn Himalaya in mijn eigen schatkamer” (zo beschouwde hij zelf zijn atelier aan het Spaarne in Haarlem). Vermeer spant de kroon: hij is zelf bijna nooit zijn geboortestad Delft uit geweest. De grote ontdekkingsreiziger van het licht was in wezen een honkvaste huismus. Eise Eisinga past wat mij betreft in hetzelfde rijtje.

Dat vind ik het mooie van de Hollandse Gouden Eeuw: Leeuwenhoek, Huygens, Spinoza, Vermeer, al hun grote ontdekkingen en innovaties vonden plaats in de beslotenheid van een kleine Hollandse binnenkamer. Een tijdperk waarin alles nog een menselijke maat had. Het grootse in een intieme setting. Eenvoud als kenmerk van het ware.

Een planetarium in een Hollandse woonkamer

Het Koninklijk Planetarium Eise Eisinga  is een planetarium dat werd gebouwd door de Friese wolkammer Eise Eisinga in zijn eigen huis tussen 1774 en 1781. Aangedreven door een slingeruurwerk geeft het astronomisch uurwerk sinds de voltooiing in 1781 de actuele positie van de planeten aan via de plafondwijzerplaat en is hiermee het oudste werkende planetarium ter wereld. Eisinga  construeerde een planetarium – een mechanisch schaalmodel van ons zonnestelsel – tegen het plafond van zijn eigen woonkamer. Een indrukwekkend systeem van tandwielen en gewichten stelde hem in staat de bewegingen van de hemellichamen te reproduceren, inclusief de zon, de maan en alle destijds bekende planeten. Eisinga’s berekeningen waren zo ongelooflijk accuraat, dat ze ook heden ten dage nog correct blijken te zijn.

Toen zich in 1774 een conjunctie van de maan en de planeten Mercurius, Venus, Mars en Jupiter zou voordoen, gaf dominee Eelko Alta uit Bozum een boekje uit, waarin hij voorspelde dat deze hemellichamen op 8 mei 1774 op elkaar zouden botsen. De aarde zou hierdoor uit haar baan worden geslingerd en zou in de zon verbranden. Door deze voorspelling ontstond onrust in Friesland.

Om te laten zien dat er geen botsing zou ontstaan, besloot Eisinga in het plafond van de woonkamer van zijn huis uit 1768 een werkend schaalmodel van het zonnestelsel te bouwen. Een op de zolder boven de bedstee en het azuurblauwe plafond aangebracht raderwerk regelt met een regulateur de omlooptijden van de toen bekende planeten: Mercurius, Venus, de aarde, Mars, Jupiter en Saturnus om de zon.. De planeten hangen als bollen in de kamer waarbij ze aan de zonzijde goudkleurig beschilderd zijn. De aarde is voorzien van een cirkelende maan. Daarnaast is het planetarium voorzien van een planisfeer en wijzerplaten voor onder meer de schijngestalten van de maan, zonsopkomst en ondergang, de weekdag en het jaartal.

Eisinga dacht aanvankelijk de constructie in zes maanden te kunnen klaren, maar pas in 1781 was het planetarium voltooid. De hoogleraar Jean Henri van Swinden die hem bezocht, was zeer lovend over Eisinga’s prestatie. Nog in het jaar van voltooiing werd de planeet Uranus ontdekt. Voor deze buitenplaneet was in het planetarium van Eisinga echter geen plaats meer.

Eisinga publiceerde in 1784 een “Nauwkeurige Beschrijving en Afteekeningen van de uitwendige vertooning en de inwendige zamenstelling van het gansche Planetarium”. Koning Willem I bezichtigde het planetarium in 1818 en kocht het in 1825 aan voor de Nederlandse staat.

Portretschilderij van Eise Eisinga uit 1827, geschilderd door de kunstschilder Willem Bartel van der Kooi.

Willem Bartel van der Kooi heeft Eise Eisinga vereeuwigd in een zogenaamd kniestuk. De sterrenkundige is tot de knieën afgebeeld, zittend aan de tafel in zijn eigen huiskamer en met zijn hoofd en lichaam naar rechts gewend. Het vertrek waarin hij zit is nu bekend als de planetariumkamer in museum Planetarium Eise Eisinga. Op het plafond is een natuurgetrouwe afbeelding van het planetenstelsel te zien, in de stand van de hemellichamen op 10 april 1827, het jaar waarin het schilderij voltooid is. Op de tafel waaraan Eisinga zit, ligt een door de sterrenkundige vervaardigde tekening van de grote zonne-eclips van 7 september 1820. Op de achtergrond staat rechts een ander door Eisinga vervaardigd planetarium dat hij nog eens op een grote schaal had willen uitvoeren, maar daar is het nooit meer van gekomen.

Via een klein trapje kun je op de zolder van het Eise Eisinga planetarium het raderwerk zien, dat de banen van de planeten om de zon op het plafond van het planetarium ook na 250 jaar nog steeds in beweging zet en houdt. De schoonheid van mathematisch/geometrische ordening en precisie. Het zonnestelsel als het tijdloze en feilloze raderwerk van een groots kosmologisch uurwerk.

Details van het plafond van het planetarium: de planeet Saturnus met de prachtige ringen in het sterrenbeeld Aquarius (Waterman) in de maand februari en de maanstanden-wijzer. Goed is hier te zien hoe de zonverlichte zijde van de planeet met goudverf is weergegeven. Na ruim 225 jaar is dit het oudst werkende planetarium ter wereld waar nog steeds de actuele stand van de planeten af te lezen is.

Het Koninklijke Eise Eisinga Planetarium is het oudste, nog altijd werkende, mechanische model van het zonnestelsel ter wereld. Het model laat op ieder moment van de dag de stand zien van de aarde, de maan en de vijf andere toen bekende planeten (Mercurius, Venus, Mars, Jupiter en Saturnus) ten opzichte van de zon. Wolfabrikant Eise Eisinga bedacht en bouwde het mechanisme op een ingenieuze manier in het plafond en de bedkastwand van zijn woonkamer. Hierdoor was hij in staat een groot model te bouwen, waarbij de hemellichamen goed zichtbaar boven de bezoekers hingen. De vindingrijkheid van Eisinga en de gedetailleerde instructies voor het onderhoud die hij naliet, droegen eraan bij dat het mechanisme nog altijd werkt.

In 1859 werd het planetarium door de Nederlandse staat geschonken aan de stad Franeker. De stad Franeker stelde het open als museum. Het woonhuis met planetarium is sinds 1967 een rijksmonument en staat in de Top 100 van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg uit 1990. Eise Eisinga is vanwege zijn planetarium opgenomen in de Canon van Nederland en de Canon van Friesland.

Het planetarium is op 19 september 2023  tijdens de 45e sessie van de Commissie voor het Werelderfgoed in Riyad, toegevoegd aan de UNESCO werelderfgoedlijst.Het is een van de weinige werelderfgoedlocaties die met wetenschap te maken heeft. Replica’s van het mechaniek en de wijzerplaten zijn gebouwd in het Achterhoeks Planetarium en Planetarium Zuylenburgh.  De actuele stand van de plafondwijzerplaat is ook terug te vinden op de website van het planetarium.

De hemelglobe met sterrenbeelden van Jodocus Hondius uit 1600 wordt door Vermeer afgebeeld in zijn schilderij De Astronoom uit 1668 in de collectie van het Louvre in Parijs. (in 1983 verworven uit de privé-collectie van de rijke bankiersfamilie de Rothschild). Het is een pendant van De Geograaf van Vermeer in het Städel Museum in Frankfurt.

Het schilderij toont een man die een hemelglobe van Jodocus Hondius uit 1600 bestudeert. Op de werktafel ligt de Institutiones Astronomicae et Geographicae van Adriaan Metius (1621) opengeslagen op Boek III. Metius adviseert de onderzoeker in dat hoofdstuk om behalve op mechanische instrumenten en kennis van geometrie ook op inspiratie door God te vertrouwen. Aan de muur hangt een schilderij dat de vondst van Mozes afbeeldt. Deze profeet stond symbool voor de kennis van astronomie en geografie doordat hij alle kennis van het oude Egypte had verworven en het Joodse volk uit Egypte leidde.

Mogelijk is de afgebeelde man in De Geograaf en De Astronoom van Vermeer Antoni van Leeuwenhoek, stad- en leeftijdgenoot van Vermeer. Twintig jaar later portretteerde de Delftse schilder Jan Verkolje deze wetenschapper in een vergelijkbare pose als in De Geograaf. De gelaatstrekken komen eveneens deels overeen. Sluitend bewijs voor deze aanname is echter niet te geven.

Vermeer leefde in een tijd van grote ontdekkingsreizen. Een echo daarvan is terug te vinden in de prachtige landkaarten aan de muur in zijn intieme interieurs.

Directeur/conservator Adrie Warmenhoven van het Koninklijk Eise Eisinga Planetarium in Franeker. De kunst van een goede pers-foto: één foto, waarin het hele verhaal verteld wordt. Net zoals Vermeer dat kon: het vermogen alles te kunnen zeggen in één helder leesbaar beeld.

Overigens heeft Nederland altijd grote astronomen voortgebracht: van Christiaan Huygens tot Jacobus Kapteyn, Willem de Sitter, Kees de Jager, Gerard Kuiper, Jan Hendrik Oort tot Ewine van Dishoeck en de “Duitse Nederlander” Heino Falcke, de man achter de eerste foto van een zwart gat. Maar ook nobelprijswinnaars in de theoretische natuurkunde als Hendrick Lorentz, Heike Kamerlingh Onnes en Gerard ’t Hooft. Einstein beschouwde Lorentz als zijn vaderlijke mentor en zocht hem vaak op in Leiden.

Albert Einstein in het raamlicht in zijn studeerkamer in het Institute of Advanced Studies in Princeton.

Het blijft een fascinerend gegeven dat hij in zijn studeerkamer met zijn Relativiteitstheorie de wetten van het universum ontrafelde, lang voor deze empirisch aangetoond konden worden.

Nog steeds bewijzen nieuwe waarnemingen met de nieuwste hi tech-meetinstrumenten de juistheid van zijn theorieën en klinkt steeds weer de mantra: “Einstein had gelijk – alweer !”. Zo werd het fenomeen “Zwaartekrachtlenzen” in het heelal al vroeg door  Einstein voorspeld, en pas veel later door de krachtige ruimte-telescopen van deze tijd als Hubble en Webb daadwerkelijk waargenomen. Een fenomeen waarin lichtstralen door de kromming van de ruimte-tijd als gevolg van de zwaartekracht worden afgebogen. Een kamergeleerde als ontdekkingsreiziger van de geest in het universum.

Een alledaags feitje uit het leven van Einstein: hij sliep tien uur per dag en maakte dagelijks een  wandeling van drie kilometer in het park rond Princeton. Alsof hij zijn geniale gedachte-experimenten allemaal uit zijn dromen haalde…… Onwillekeurig moet ik hierbij denken aan een mooi bijbel-vers:

“Het is voor u tevergeefs, dat gij vroeg opstaat, laat opblijft, het brood der smarten eet – Hij geeft het immers zijn beminde in de slaap”. (Psalm 127:2)

Deze video over het Planetarium van Eise Eisinga in Franeker is op YouTube te zien: “Het Koninklijk Eise Eisinga Planetarium verwondert”, Prins Bernhard Cultuur Fonds.

Wetenschapsjournalist Govert Schilling legt uit waarom het Planetarium van Eise Eisinga zo bijzonder is: