Alle berichten van Thijn

Pieter van Ruijven – Mecenas van Vermeer

Boek “Vermeer and his Milieu – A Web of Social History”,
John Michael Montias, 1989,
Archief-studie naar het netwerk rond Johannes Vermeer in
het Delft van de 17e eeuw.

“Het licht van Vermeer
is nooit licht van elders,
dat ons verplaatst
naar een ander universum.
Het geeft ons het gevoel
– waarvoor woorden tekort schieten –
dat deze wereld de enige is”
Gilles Aillaud

Dankzij de baanbrekende archief-studie “Vermeer and his Milieu”
van John Michael Montias (1989) weten we dat Vermeer het
grootste – en beste – deel van zijn oeuvre schilderde voor één
private opdrachtgever: Pieter Claesz. van Ruijven, een van de meest
welgestelde burgers van Delft.


De beroemde Dissius-veiling uit 1696 blijkt via overerving afkomstig
uit de nalatenschap van deze van Ruijven, en bevat meesterwerken als
Het Gezicht op Delft, Het Melkmeisje, De Dame met Weegschaal, Het
Straatje, De Muziekles, Het Parelsnoer, etc.

De inventarislijst van de Dissius-veiling telt maar liefst 21 werken van
Vermeer. Alle in dit dit blogstukje afgebeelde werken behoorden tot de
Dissius-Collectie en daarmee van die van Pieter van Ruijven.

Intrigerend is item no. 5 op de lijst: “Daer een Seigneur zyn handen wast,
in een doorsiende Kamer, met beelden, konstig en raer van dito”,
dat de hoge prijs van 95 stuivers opbracht, méér dan De Muziekles !
Deze “Lost Vermeer” moet dus een van Vermeer’s topwerken geweest zijn,
maar moet helaas voor altijd als verloren beschouwd worden.

In de “Catalogus van Schilderijen” uit 1696 zijn deze inmiddels over de
gehele wereld verspreid geraakte werken van Vermeer terug te vinden :
Vrouw met Weegschaal, Het Melkmeisje, De Gitaarspeelster, De Muziekles,
Frick’s Dame met Dienstbode, Slapend Meisje, Het Glas Wijn uit
Braunschweig, Het Concert, De Soldaat en Lachend Meisje, De Kantkloster,
Het Gezicht op Delft, Het Straatje, Briefschrijfster in Geel, Het
Parelsnoer, De Clavecimbelspeelster uit Londen, Het Meisje met de Parel,
Portret van een Jonge Vrouw.

Het is nu bijna niet voor te stellen dat al deze meesterwerken zich
gewoon in één woonhuis bevonden. Als deze collectie zich vandaag de dag
in één museum zou bevinden, zou het een publiekstrekker van de
buitencategorie zijn, zoals het Van Gogh-museum in Amsterdam. De grote
Vermeer-tentoonstelling in 1996 in het Haagse Mauritshuis kwam hierbij
nog het dichtst in de buurt, met 23 Vermeers.

Vermeer had dus een mecenas. In de Gouden Eeuw kwam overigens zo’n
mecenaat-formule vaker voor: Gerard Dou, de Leidse fijnschilder, ontving
jaarlijks 500 gulden van zijn begunstiger Pieter Spierinx, op voorwaarde
dat hij de eerste keus had uit diens schilderijen. In de tweede helft van
de 17e eeuw was de vrije markt voor schilderijen langzaam aan het instorten,
met het Rampjaar 1672 als absoluut dieptepunt, en was het voor een schilder
ook gewoon een noodzaak om een persoonlijke begunstiger te vinden.

Men zou kunnen zeggen dat het mecenaat van Van Ruijven Vermeer de
bevoorrechte positie en de tijd heeft gegeven om zijn eigen visie en stijl
te ontwikkelen, daaraan trouw te blijven en die tot een absoluut hoogtepunt
te vervolmaken. Vermeer’s productie was niet meer dan één of twéé
schilderijen per jaar.

Het zou ook heel goed kunnen dat de kostbare Rückers-clavecimbels, Blaeu-
landkaarten en Hondius-globes in Vermeer’s schilderijen door van Ruijven
zijn ingebracht en dat van Ruijven medeverantwoordelijk is voor het exquise
smaakgevoel in Vermeer’s schilderijen. Het moet een “match made in heaven”
geweest zijn, gebaseerd op een innige vriendschap en artistieke verwantschap,
waarin ze elkaar, ieder met hun eigen anderssoortige kwaliteiten, perfect
aanvulden. Het is veelzeggend, dat Vermeer een jaar na de dood van van
Ruijven zelf overleden is, in 1675. Het beeld dat uit de archief-puzzelstukjes
bij mij opkomt, is dat we zonder Pieter van Ruijven geen meesterwerken van
Johannes Vermeer zouden kennen, net zoals Vincent van Gogh zonder zijn broer
Theo van Gogh nooit als schilder uit de verf zou zijn gekomen.

In de film “Girl with a Pearl Earring” uit 2003 wordt van Ruijven door acteur
Tom Wilkinson -in mijn ogen onterecht- neergezet als een roofzuchtige ouwe
geilaard. Pieter van Ruijven moet voor Vermeer beslist veel meer zijn geweest
dan louter een welkome geldschieter.

Vermeer’s oeuvre is uit één stuk. Na een paar vroege grootschalige, ambitieuze
Jeugdwerken in diverse stijlen, vindt hij zijn eigen onderwerp en stijl, gaat
op bescheidener formaat interieur- en figuurstukken schilderen en zal die stijl
voortaan trouw blijven. Je zou kunnen zeggen, dat Vermeer groot is geworden
door klein en trouw aan zichzelf te blijven.
Zijn oeuvre is als één mooie bloem, die in de knop gaat, tot volle bloei komt,
om tenslotte te verwelken.

Contemplatieve kunst als die van Vermeer kon het best gedijen in een
beschermde omgeving, waarin hij de tijd kon nemen om zijn schilderijen
langzaam te laten rijpen en ze uit te laten kristalliseren naar die
uitzonderlijk hoge kwaliteit en perfectie die Vermeer’s beste werk kenmerkt.
In die zin is Vermeer’s schilderkunst in mijn ogen bij uitstek “mecenaat-
kunst” te noemen.
Het is mijn stellige overtuiging, dat dit soort “langzame” kunst van zo’n
hoge kwaliteit juist ook vandaag de dag alleen in een private mecenaat-
formule met de juiste talenten-match tussen kunstenaar en mecenaat-partner
tot bloei kan komen.

Gerard ter Borch en Pieter de Hoogh – Invloed van tijdgenoten op Vermeer

Gezien in Museum Boijmans-Van Beuningen, Rotterdam in 2004:
tentoonstelling “Zinnen en Minnen – Schilders van het dagelijks leven in de
Zeventiende Eeuw”

“Bij Vermeer is het stil,
bijna geheimzinnig stil,
zoals een dove of slechthorende
de wereld ervaart:
in de stilte is er alleen nog het kijken”

Vermeer heeft Gerard ter Borch en Pieter de Hoogh persoonlijk gekend.
Gerard ter Borch was aanwezig bij het ondertekenen van een notariële akte,
twee dagen na Vermeer’s huwelijk met Catharina Bolnes, en Pieter de Hoogh
was lid van het Sint Lucas-gilde in Delft, waarvan Vermeer een paar keer
“hoofdman” was.

Wat hun beider invloed op het werk van Vermeer betreft, zou je kunnen zeggen
dat Vermeer het beste van ter Borch (een fenomenaal figuur-schilder) en De
Hoogh (het creëren van dieptewerking in een interieurstuk mbv perspectief) in
zijn eigen werk heeft verenigd. Kortom: het beste van twee werelden. Vermeer
was naast kunstschilder ook kunsthandelaar en was dus bekend met het werk
van zijn vakgenoten.

Ter Borch heeft sterke figuren, maar het was niet zijn forte om ze overtuigend
in een ruimte weer te geven. De Hoogh kon wel een overtuigende diepte-
werking in de ruimte construeren mbv perspectief, maar zijn figuren blijven
vaak wat stijf, onhandig en houterig.

Bij Vermeer valt alles samen in het klassieke ideaalbeeld, waar alle
genreschilders van het interieurstuk naar streefden. Vermeer was de juiste
man op de juiste plek op het juiste moment, aan het einde van het hoogtepunt
van de Hollandse schilderkunst van de 17e Eeuw. De top van pyramide, die
anderen vóór hem hadden opgebouwd.

In de vroege “Briefleester aan een Open Venster” uit Dresden lijkt Vermeer
het profiel van de jonge vrouw aan ter Borch te hebben ontleend.

In de “Staande Clavecimbelspeelster” uit Londen lijkt hij ter Borch’s
voorliefde voor het witte satijn in de rok van de vrouw te delen.
Ter Borch gold als de Meester van het Satijn.

Vermeer’s “Dame met Weegschaal” uit 1665 lijkt ontleend aan het voorbeeld
van de “Goudweegster” van Pieter de Hoogh uit 1658.

De “Liefdesbrief” van Vermeer uit het Rijksmuseum is als “Doorkijkje”
verwant aan de compositie van De Hoogh’s “Paar met Papegaai” uit 1675.

De wachtende man aan het raam bij De Hoogh doet denken aan de wachtende
dienstbode in de “Schrijvende Dame met Dienstbode” uit Dublin van Vermeer.

Het zou heel wel kunnen dat De Hoogh Vermeer inspireerde om zich meer
in het gebruik van perspectief en tegelvloeren te bekwamen, om meer
ruimtewerking in zijn interieur-schilderijen te krijgen. De tegelvloer in
Vermeer’s “Galante Aanbieding van een Glas Wijn” uit Braunschweig doet sterk
aan De Hoogh denken, maar oogt nog wat onzeker in de uitvoering.

Bij Pieter de Hoogh hou ik erg van de warme “Goudleer”-schilderijen uit zijn
Amsterdamse periode: “Interior with Figures” uit de Metropolitan Museum of Art
in New York en de “Goudweegster” uit de Gemäldegalerie in Berlijn.



Van ter Borch behoort de Briefschrijvende Dame uit het Haagse Mauritshuis
tot mijn favorieten, alsmede het Meisje voor de Spiegel in het Amsterdamse
Rijksmuseum en de Luitspelende Dame uit het Metropolitan in New york.



In de tentoonstelling “Zinnen en Minnen”, in 2004 in Museum Boijmans-
van Beuningen in Rotterdam, was mooi te zien hoe Vermeer een soort van
eindpunt/hoogtepunt vormt in de ontwikkelingslijn van zijn tijdgenoten
wat het interieur-genrestuk betreft. Het laat zich illustreren aan het
“geluid” dat de schilderijen van opeenvolgende meesters maken langs deze
tijdlijn. In het begin hoor je in de taveerne-taferelen van Adriaen van
Ostade als het ware het getier en gebral van de dronkelieden.
In de meer verfijnde interieurs als “Het Duet” van Frans van Mieris
klinken verderop meer gedempte clavecimbelmuziek en conversatie. Bij
Vermeer aangekomen is het net alsof het geluid ineens helemaal wegvalt:
bij Vermeer is het stil. Bijna geheimzinnig stil, zoals een dove of
slechthorende de wereld ervaart: in de stilte is er alleen nog het
kijken.

Lawrence Gowing, in zijn veelgeprezen monografie over Vermeer uit 1952,
verwoordt het aldus, wanneer hij over de Dentellière van Vermeer in het
Louvre spreekt:

“The achievement of Vermeer’s maturity
is complete.
It is not open to extension……
there is only one ‘Lacemaker’:
we cannot imagine another.
It is a complete and single definition.”
Lawrence Gowing

Een vergelijking tussen de kantklostertjes van Caspar Netscher en Vermeer
maakt meteen zichtbaar wat Gowing bedoelde.

Pieter Janssens Elinga is een wat minder bekende genreschilder, die zich
ook toelegde op perspectief-kijkkasten en geometrische vlakverdeling.
Zijn zonovergoten interieurs met zwart-wit tegelvloeren en dat voor hem
zo kenmerkende oranje-rood van de stoelbekleding zijn zijn “signature-
look”.


Perspectief-studie Vermeer – Jorgen Wadum

“Vermeer in Perspectief”, Jorgen Wadum in Vermeer-catalogus 1996.

“Je gaat het pas zien
als je het door hebt”
Johan Cruijff

Vermeer gebruikte de “Speld en Krijtsnoer” methode bij de constructie
van het centraalperspectief in zijn schilderijen. De Oude Egyptenaren
gebruikten al krijtsnoeren bij de opzet van de muurschilderingen
in de graven van de farao’s in de Vallei der Koningen.

In de 17e eeuw was het werk van Hans Vredeman de Vries het standaardwerk
aangaande het perspectief. Zijn prent “Laboratorium van de Alchemist” roept
voor mij associaties op met Vermeer’s atelier als laboratorium. Kunst en
Wetenschap waren in de 17e eeuw nog geen strikt gescheiden disciplines.

Met name Jorgen Wadum, de voormalige schilderijen-restaurator
van het Mauritshuis-museum in Den Haag, heeft zich bezig gehouden met
de methode waarmee Vermeer het centraalperspectief in zijn schil-
derijen construeerde.

De Deen K.G. Hulten (1949) had al eerder in een artikel ‘Zu Vermeers Atelierbild’
in het Konsthistorisk Tidskrift de interessante vondst gemeld, dat in het
schilderij “De Schilderconst” in Wenen precies op de plek van het verdwijnpunt
van de perspectieflijnen een speldegaatje in de verflaag en het linnen zit. Onder
de knop van de onderste roe van de landkaart.


Later heeft Jorgen Wadum in meerdere Vermeers zo’n speldegaatje gevonden,
waaronder het Melkmeisje, de Dublin-Vermeer, De Muziekles en de Staande
Clavecimbelspeelster in Londen en de Allegorie op het Geloof in New York.
Bij de “Lady Writing a Letter With her Maid” uit Dublin zit het gaatje zelfs
in het oog van de Briefschrijvende Dame !


Wadum heeft in een aanschouwelijke reconstructie laten zien hoe Vermeer zijn
perspectieflijnen trok met behulp van een krijtsnoer bevestigd aan een speld
in het Verdwijnpunt. Door het krijtsnoer op de juiste positie strak te trekken
en tegen het canvas terug te laten schieten, verkreeg hij op zijn doek in krijt
de perspectivische hulplijnen, die hij nodig had voor de glas in lood ramen en
de zwart-wit tegelvloeren. Deze krijtlijnen kon hij vervolgens met pen of
penseel overschilderen. Het speldegaatje is vrijwel het enige fysieke bewijs
van Vermeer’s werkwijze.



De tegelvloeren construeerde Vermeer met twee Vluchtpunten aan weerszijden
van het doek op de horizonlijn.

Vermeer’s gebruik van het centraalperspectief mag in hedendaagse ogen geen
“rocket science” zijn, in al zijn eenvoud blijkt het een uiterst effectief
hulpmiddel om de illusie van ruimte te creëren. Zonder het lijnenspel van de
vloertegels en glas-in-lood strips van de raamvensters heeft het schilderij
veel minder diepte en ruimtewerking en wordt het “platter”.

In de tegelvloeren van de vroege “Wijnglas-Vermeers” uit Braunschweig en
Berlijn is goed te zien, dat Vermeer hier het weergeven van het perspectief
nog niet helemaal onder de knie heeft. Met name aan de rechterzijde is de
tegelvloer “perspectivisch broddelwerk”.
Later zou Pieter Teding van Berkhout, een bezoeker aan Vermeer’s atelier,
het latere werk van Vermeer juist aanprijzen vanwege “het buitengewone en
wonderlijke perspectief”……

Meesterwerken zien er soms bedrieglijk eenvoudig en vanzelfsprekend uit,
omdat de meester steeds de juiste keuzes heeft gemaakt, die de werking
van het geheel versterken en de eenvoud in de ingewikkelde veelvoud zichtbaar
laat worden, als in een wiskundige formule. Perspectief als “doorzichtkunde”
in meerdere betekenissen.


Op YouTube is een mooie film te zien van Jaap Drupsteen, waarin hedendaagse
muziek, de architectuur van Jan Vredeman de Vries (uit de 17e eeuw), speciale
televisietechnieken en decors en kostuums tot één (sprookjesachtig) geheel
zijn verweven. Met muziek van het Willem Breuker Kollektief:

https://www.youtube.com/watch?v=7QHkmORnctI

Vermeer’s Camera Obscura en de Grot van Plato

Boek “Vermeer and Plato- Painting the Ideal” van Robert D. Huerta

“De zichtbare wereld is te vergelijken
met een gevangenis waarin wij wonen,
en het licht van het vuur,
dat daarbinnen schijnt,
met het zonlicht”
Plato

In de schilderijen van Vermeer herken ik een streven naar een
Platonisch Ideaal. Vermeer schildert niet louter de zichtbare
werkelijkheid zoals zij is, maar tevens een ideaalbeeld;
gezien vanuit het ideaal van het Goede, het Schone en het Ware.
De Ideeënleer van Plato laat zich heel goed rijmen met de visie
van Vermeer.

Een voorbeeld: Vermeer schildert in het “Meisje met de Parel” geen
gelijkend portret, maar een “tronie”,een klassiek ideaalbeeld, een archetype;
Frans van Mieris schildert puur naar de waarneming: een realistisch
portret van zijn eigen vrouw Cunera van der Cock, precies zoals ze is.

Ik zie ook een overeenkomst tussen het beeld van de Grot van Plato,
de Camera Obscura van Vermeer, en de grotschilderingen in Lascaux.

Het is heel goed mogelijk dat de prehistorische grotbewoners van Lascaux
het effect van de Camera Obscura al opgemerkt hebben en mogelijk ook al
gebruikt hebben bij hun grotschilderingen.

 

De gevangenen staren naar bewegende schaduwen op de wand van de
donkere Grot van Plato, zoals Vermeer in zijn Camera Obscura (Verduisterde
Kamer) keek naar het geprojecteerde lichtbeeld vanuit de Kamer van het Licht.
Beiden bevinden zich dus in een donkere ruimte met een uitgang/ingang naar
het Licht. Het “vuur” in de Grot van Plato is het equivalent van het
zon-daglicht in de Kamer van het Licht van Vermeer.

 

 

“Het laatste object
dat hij zal kunnen zien
is de zon”
Plato

Het wereldbeeld van Plato zag de wereld opgebouwd van Lagere tot Hogere
Sferen. Zo is ook de kunst van Vermeer Platonisch in zijn voortdurende
streven naar een steeds hogere graad van verfijning en volmaaktheid. Vermeers
werk beweegt zich van realisme/naturalisme naar abstractie/classicisme. Deze
Platonische benadering heeft de krachtigste en meest verheffende werking
bij een nederig en eenvoudig onderwerp als een “Meyd die Melk Uytgiet”,
een vroeg meesterwerk.

In zijn latere werk streeft Vermeer steeds meer naar een hogere abstractie,
naar de klassieke ideale vorm. Het is precies dit Platonische streven dat zijn
schilderkunst verheft boven zijn vooral op de waarneming berustende realisme
van zijn tijdgenoten als Pieter de Hoogh en Gerard Ter Borgh. Vermeer is dieper
doorgedrongen in Plato’s Wereld van de Ideeën, die eeuwig en tijdloos is.
Vermeer verbindt de Idee van Plato met de waarneming van de
werkelijkheid dmv licht. In elke Vermeer zit iets van de eeuwige
onzichtbare Ideeën van Plato, die achter de zichtbare tijdelijke en voorbij
gaande werkelijkheid liggen. In de ogen van Vermeer openbaren deze zich door
middel van het licht.

In feite is ook de benadering van de Engelse fotograaf Tom Hunter, om zijn
krakersvrienden uit de achterstandswijk Hackney in Londen in zijn foto’s
een “Vermeer”-uitstraling mee te geven, in wezen een Platonische benadering:
verheffing van “ordinary people” naar een hoger ideaalbeeld van schoonheid
en waardigheid. In “Woman Reading a Possession Order” is hij hierin bijzonder
goed geslaagd.


Een tussenfase naar de Wereld van de Ideeën is de Mathematica, die bij
Vermeer tot uiting komt in zijn perspectivische constructie van de ruimte
en de geometrische werking van zijn kenmerkende zwart-witte tegelvloeren,
zoals in het schema aangegeven is. “De Muziekles” is hiervan een mooi
voorbeeld.

Op Youtube staat een mooie video met scenes uit de Hopper-film “Shirley,
Visions of Reality” van Gustav Deutsch met een song van Melody Gardot –
Worrisome Heart. In deze film komt ook een scene voor waarin een vrouw
de scene van de Grot van Plato leest.

De beroemde passage van de Grot van Plato in zijn “Politeia” kun je
lezen via deze link:
passage Grot van Plato in “Politeia”

Vermeer – De Vroege Film en Kostuumtheater

“We choose to go to the moon
in this decade
and do the other things,
not because they are easy,
but because they are hard”
John F. Kennedy

Je kunt een schilderij als “Mistress and Maid” van Vermeer in de Frick
Collection in New York beschouwen als een vorm van verstild kostuumtheater,
gezien met een nieuw “oog”: de lens-camera (Camera Obscura).


Ook de met de hand ingekleurde stencil color film uit de prille begindagen
van de cinema heeft voor de liefhebbers nog steeds de opwinding van het
ontdekken van een nieuwe wereld door een nieuw medium: het bewegende
lichtbeeld waarin kostuumtheater “tot leven komt”. Net als de vroege
fotografie, zit de vroege film nog dicht tegen de schilderkunst aan.


Een mooi voorbeeld van deze stencil color films is “Le Voyage dans la
Lune” van Georges Méliès uit 1902; de verbeelding van een toekomstdroom.
Slechts 67 jaar later verwezenlijkte Neil Armstrong deze droom met zijn
“small step for a man, a giant leap for mankind”.


Wat mij ook aanspreekt, is dat filmmaker Georges Méliès, net als Vermeer,
bij het creëren van zijn beelden alles tegelijk was: regisseur, cameraman,
schilder, acteur, decorontwerper, lichtman, kostuumontwerper,
scenarioschrijver, visagist, lokatie-manager, art-director, production-
designer, etc. In alles is zijn “handschrift” zichtbaar.

In de familie-film “Hugo” brengt Martin Scorsese een ode aan Georges
Méliès. In de film is de verwondering en opwinding voelbaar als van een kind,
dat voor het eerst een nieuwe wereld ontdekt.

Bekijk op YouTube dit fragment met de film ”Le Voyage dans la Lune” (1902)
van Georges Méliès:

https://www.youtube.com/watch?v=-YCa59YAXbI