Alle berichten van Thijn

Film “Ida” – Vermeer in Polen

“Ida” – film van Poolse regisseur Pawel Pawlikowski uit 2013 over een
jonge non in Polen, die een duister familiegeheim ontdekt vlak voordat
ze haar geloften aflegt.

“De charme van Vermeer
is even onmiskenbaar
als ongrijpbaar” –
Craig Raine


Vermeer in Polen

De film “Ida” van de Poolse regisseur Pawel Pawlikowksi bestaat uit
statische, in fotografisch zwart-wit geschoten beelden met prachtig
Vermeer-zijlicht, met veel close ups, vaak met een bijzondere kadrering
waarbij de personages aan de onderkant soms bijna uit beeld vallen.

De film speelt zich af in Polen 1962. Anna staat op het punt om haar
geloften af te leggen bij de kloosterschool waar ze ooit werd
opgenomen als wees. Maar alles verandert als blijkt dat ze nog familie
heeft: Wanda, de zus van haar moeder. Voordat ze officieel tot het
klooster kan toe treden als non, gaat ze samen met Wanda op zoektocht
naar haar verleden. Anna komt erachter dat ze van Joodse afkomst is
en dat haar echte naam Ida luidt. Ze wordt geconfronteerd met de
grimmige waarheid over haar familie en hun ontberingen tijdens de
Nazi-bezetting van Polen. Ida staat voor een moeilijke beslissing:
teruggaan naar het klooster of een nieuwe weg inslaan?

Ida is een stil, introvert en gesloten personage, maar daarin schuilt
nu juist haar fascinerende aantrekkingskracht. Ondanks het ongrijpbare
van de titelfiguur weet Pawlikowski toch ontroering en emotie op te
roepen. Ook de vrouwen van Vermeer zijn ongrijpbaar in hun verstilde
uitstraling en toch weten ze je ergens diep te raken.

Vermeer laat zich in deze film voelen in het prachtige raam-zijlicht
en de verstilde sereniteit van de beelden. De actrice Agata
Trzebuchowska, die de jonge non in de film speelt, werd uit een café
in Warschau geplukt, toen nog zonder enige acteerervaring. Haar
serene uitstraling komt heel naturel over.
Treffend is een dialoog-zin van de jongeman in het café:
“You’ve no idea of the effect you have, do you ?“.
Zelfvergeten schoonheid.

De meeste mensen zullen Vermeer associëren met zuiverheid in de
liefde, terwijl de betaalde liefde toch ook haar plek heeft in
het oeuvre van Vermeer: Ook in de film ‘Ida” klinkt het thema van
de “De Engel en de Hoer” door in de personages van Ida en Wanda.

Vermeer schilderde zelf een Koppelaarster (een vroeg werk uit 1656)
en in Het Concert uit Boston en de Zittende Clavecimbelspeelster
in Londen is op de achtergrond De Koppelaarster van de Utrechtse
caravaggist Dirck van Baburen te zien.

Zowel Vermeer als Pawlikowski oordelen niet. Het is in de liefde
een universeel thema: de warme, lichamelijke liefde en de koele,
geestelijke liefde.

Het thema is mooi verbeeld in “La Veilleuse” van Georges de la Tour
en “Vrouw met Waterkan” van Vermeer, allebei verstilde meesterwerken
in een andere stijl en in een ander licht.

Naast Vermeer voel je in sommige film-stills ook de invloed van
Edward Hopper, bv. “Automat” uit 1927.

Ook vandaag nog worden studenten op filmacademies aan de hand van
het lichtgebruik van grote schilders als Vermeer, Hopper en
Rembrandt onderwezen in het gebruik van licht in de mise-en-scene
op een filmset. Met name Hopper zie je veel “voorbij komen” in
films van Wim Wenders of een TV-serie als Mad Men. Vermeer vind je
terug in een film als “Witness”, die speelt in een Amish-gemeenschap
in Pennsylvania.

Via deze link zie je cinematografische voorbeelden van ensceneringen
en uitlichtingen door studenten van de Nederlandse filmacademie in
de stijl van Hopper en Vermeer:

Studenten Filmacademie

In de verstilde interieurs van Vermeer en Hopper komt het licht altijd
van buiten: de lichtbron is koel daglicht of zonlicht, dat van buiten
door een raam naar binnen valt en een binnenkamerscene verlicht:
“Raamlicht-scenes”, waarin de hoofdfiguur altijd aangelicht wordt door
een raam als hoofdlicht. Bij Vermeer dringt het licht door tot in de
diepste schaduwen, waardoor alles meer licht en kleur krijgt.

Voor mij persoonlijk is raamlicht het mooiste licht dat er is. Het
verbindt de intimiteit in de beschermde omgeving van een binnenkamer
met het heldere, levendige daglicht van de natuur buiten. Een mooi
voorbeeld is Vermeer’s Vrouw met Waterkan in het Metropolitan Museum
in New York. Haar schoonheid ligt in de eindeloze subtiele gradaties,
waarin het licht zich over de figuren en voorwerpen in de kamer
verspreidt, en voelt als licht, dat in de ruimte van de eigen ziel
schijnt.

De trailer van de film ‘Ida” is te zien op YouTube:

Vermeer in Tijden van Oorlog

“Alles van waarde
is weerloos”
Lucebert


Vermeer maakte tijdens zijn – naar huidige maatstaven – relatief korte leven
(1632-1675, 43 jaar) meerdere oorlogen mee in het Holland van de Gouden
Eeuw.
Van 1618 tot 1648: laatste deel van de Tachtigjarige Oorlog met Spanje voor
een eigen, onafhankelijke republiek.
Van 1652-1654; van 1665-1667; van 1672-1674: drie oorlogen met Engeland.
1672: “Rampjaar”: bijna gelijktijdig drie oorlogen met Frankrijk, Engeland,
Münster en Keulen.

Bij de Gouden Eeuw denken we het liefst aan de delicate, lieflijke,
elegante, verstilde schoonheid en rijkdom in de schilderijen van Vermeer
en zijn tijdgenoten. Zoals de Dentellière in het Louvre in Parijs.

Maar de lijken van de gebroeders De Witt, als varkens in een slachthuis
ondersteboven aan een ladder opgehangen, gelyncht tijdens een volksoproer;
ook dát is “onze Gouden Eeuw”, vol oorlogen en gruwelijke wreedheden.
Spinoza noemde de daders “Ultimi Barbarorum”.

De Brits-Joodse historicus Simon Schama schreef over dat dubbele gevoel
over de Gouden Eeuw een briljant boek: “Overvloed en Onbehagen”
(“Embarrassment of Riches”).

Vermeer heeft zelf de verschrikkingen van de ontploffing van het Kruyt-
huys in 1654 meegemaakt, waarbij honderden burgers omkwamen of voor het
leven verminkt werden. Arnold Bon wijdde een strofe aan Vermeer, die
“als een feniks herrees” uit de as van die verwoesting, in een gedicht
over deze ramp, waarin ook de vermaarde schilder Fabritius omkwam.
Dit gedicht werd gepubliceerd in het boek “Beschryving der Stadt Delft”
van Dirck van Bleyswijck uit 1667.

Soo doov’ dan desen Phenix t’onzer schade
In ’t midden en in ’t beste van zyn swier,
Maar weer gelukkig rees’ er uyt zyn vier
VERMEER, die meesterlyck betrad zyn pade.

Deze “Delftse Donderslag” moet een zwaar traumatische ervaring geweest
zijn voor Vermeer, die Fabritius zeker persoonlijk gekend moet hebben.
Je zou Vermeer’s schilderkunst inderdaad kunnen zien als een feniks
van schoonheid, die herrijst uit het vuur van deze verwoesting. Alles
wat ons confronteert met de verschrikkingen van oorlog, geweld, vermin-
king en dood, is geheel uit zijn schilderijen verbannen. Vermeer is
een kunstenaar, die de troost van de schoonheid wil bieden, juist ook
voor zichzelf: licht, liefde en stilte.

Er zit een onderhuidse intensiteit in zijn serene en verstilde beelden,
die je doet voelen dat zijn ogen ook de absolute tegenpool ervan hebben
gezien.
De oorlogen in het Rampjaar 1672 zouden Vermeer aan de rand van de
afgrond brengen door de erop volgende zware economische crisis en
uiteindelijk mede tot zijn dood leiden.


Gestolen Vermeers

Ook zijn Vermeer-schilderijen verscheidene malen “slachtoffer” geweest van
diefstal.
De Liefdesbrief werd uit een tentoonstelling over Hollandse Meesters
in Brussel gestolen door Tijl van Limburg in 1971 en zo zwaar beschadigd
teruggevonden, dat een langdurige en moeizame restauratie noodzakelijk
was.
De Dublin-Vermeer werd in 1974 zelfs twee keer door de IRA en criminelen
voor losgeld ontvreemd, maar toch weer vrij gekregen, zonder grote schade
aan het schilderij.
Ook de Gitaarspeelster uit Kenwood House werd in 1974 gestolen en weer
in goede staat teruggevonden.

Triest dieptepunt is de diefstal van Het Concert uit het Isabella Stewart
Gardner Museum in Boston door criminelen in 1990. Inmiddels ruim 25 jaar
geleden, waarbij het schilderij met een mes uit zijn lijst werd gesneden.
Tot op de dag van vandaag is het schilderij nog steeds spoorloos en is het
nog maar zeer de vraag of het nog ooit in gave toestand tevoorschijn zal
komen, ook al is een dergelijk beroemd schilderij in principe onverkoopbaar.
“Alles van waarde is weerloos”, dichtte Lucebert. “Tegen de domheid strijdt
zelfs God vergeefs”, schreef Schiller.
Het museum heeft de lege lijsten van de gestolen schilderijen op zaal laten
hangen als stille getuigen van deze brute kunstroof.

Vermeer en Hitler.

Hitler was als “gemankeerde kunstschilder” een bewonderaar van Vermeer.
“De Schilderconst” hing jarenlang boven Hitler’s bureau in zijn hoofdkwar-
tier in Berchtesgaden. Na de oorlog wisten de “Monuments Men” van de
geallieerden oa. de “Schilderconst” en de “Astronoom” van Vermeer, samen
met vele andere beroemde kunstschatten, uit de zoutmijn van Altaussee in
Duitsland uit handen van de Nazi’s te redden. In 2014 verscheen er een
Hollywood-film over deze Monuments Men, geregisseerd door George Clooney.

Dit slot-citaat in het Vermeer-boek uit 1940 van de Britse schrijver
Thomas Bodkin laat iets voelen van de intense inwerking van troost,
die uit kan gaan van de schoonheid in Vermeer’s schilderijen, juist
wanneer men zich geconfronteerd ziet met de verschrikkingen van de
Tweede Wereldoorlog:

“Above all, we praise Vermeer for his power to bring us into intimate
contact with his own placid and lovely disposition. He calls us gently
outside the stress and vexations of commonplace existence to share a
quiet joy in visual beauty. He brings us, under his mantle, into a world
withdrawn from trouble, where peace and light, those two great gifts of
God which wise men always long for, may be found without limit”
Birmingham, october 1940.

Een gevoel dat treffend wordt verbeeld door deze beroemde foto van
Richard Peter in de troostende figuur “Allegorie van de Goedheid”
van beeldhouwer August Streitmüller, uitkijkend vanaf de Rathausturm
over het verwoeste Dresden, na het meedogenloze oorlogsbombardement
met brandbommen in 1945, een van de meest controversiële acties van
de gealliëerden tijdens WO II.

“Alleen schoonheid
kan de wereld redden”
Fjodor Dostojewski

De trailer van de film “Monuments Men” is hier te zien op You Tube:

“Reis door mijn Kamer” – De Maistre en Vermeer

Boek “Voyage autour de ma Chambre”, Xavier de Maistre, 1794.

“Tout le malheur des hommes
vient d’une seule chose,
qui est de ne savoir pas
demeurer en repos,
dans une chambre.”
Blaise Pascal

“Voyage autour de ma Chambre”

Toen Xavier de Maistre (1763-1852) na een verboden duel zes weken
huisarrest kreeg, nam hij die gelegenheid te baat om een reis door
zijn kamer te maken.
Zijn bevindingen legde hij elke dag vast in een afwisselend en
boeiend “reisverslag” van tweeënveertig hoofdstukken.

Na de beschrijving van de vele voordelen van zijn manier van reizen
maakt de jonge graaf de lezer op onderhoudende wijze deelgenoot van
vreugdevolle én melancholieke herinneringen, gevoelens en fantasieën
die bij hem worden opgeroepen door voorwerpen die hij op zijn weg
tegenkomt: een portret, een brief, een verdroogde roos, zijn bed.
Ook meer filosofisch getinte onderwerpen passeren de revue, zoals de
Maistres geestige uiteenzetting dat de mens een tweeledig wezen is,
bestaande uit een geest en een beest. In zijn leunstoel voor de open
haard mijmert hij over vrijheid, de liefde, de teloorgang van jeugd-
illusies en vriendschappen, en de vooruitgang van de wetenschap.

Evenzo zou Vermeer’s oeuvre van interieurstukken opgevat kunnen
worden als een “Reis door mijn Kamer” en kunnen zelfs diens enige
twee buitentaferelen – Gezicht op Delft en Het Straatje – als een
“Uitzicht vanuit mijn Raam” beschouwd worden. Het “reisdoel” van
Vermeer bevond zich bijna uitsluitend binnen in zijn atelier:
steeds keren dezelfde vertrouwde elementen in zijn kamer terug:
de bolpoottafel, de stoelen met leeuwenkopjes, het gele jakje met
hermelijn, de landkaarten, de tegelvloer, het glas-in-loodraam
links, etc. Een brief, een weegschaal, een globe, een kan melk
krijgen krijgen in deze “Reis door mijn Kamer” van Vermeer een
intense uitstraling en zeggenskracht, waarin levenloze dingen
bijna tot levende personages worden.

Waar de meeste kunstschilders van zijn generatie toch minstens één
grote Italië-reis maakten, maakte Vermeer zijn artistieke reis in
steeds dezelfde hoek van zijn Delftse atelier, thuis. Opvallend
overigens is, dat juist de “Grote Drie” van de Hollandse schilderkunst
uit de Gouden Eeuw nooit een grote buitenlandse reis hebben ondernomen:
Rembrandt bleef in Amsterdam, Hals in Haarlem en Vermeer in Delft.
De hele wereld kwam echter naar hen toe in dat gouden tijdperk, via de
schepen van de machtige zeevloot van de Republiek, die over alle
wereldzeeën uitzeilden. Vermeer kende de verre landen uitsluitend via
de landkaarten van Blaeu en Visscher in zijn eigen binnenkamer.

Was het verblijf van De Maistre in zijn binnenkamer gedwongen vanwege
zijn huisarrest, Vermeer had een groot gezin van 11 kinderen als
“handenbindertjes”.
Reizen was een kostbare luxe, die Vermeer zich eenvoudig niet kon
veroorloven. Het is verbazingwekkend hoe Vermeer tot zo’n intense
verstilling in zijn schilderijen kon komen – in wat toch een overvolle
omgeving van drukte en lawaai geweest moet zijn.

Ook andere meesters als Rembrandt, Gerard Dou en Vermeer’s Delftse
stadgenoot Cornelis de Man wijden schilderijen aan geleerden in hun
binnenkamer.

De beroemde Rembrandt-ets “Dr. Faustus” doet een beetje denken aan
Vermeer’s “Geograaf” uit Frankfurt.

Ook voel ik wel verwantschap met de schrijver Redmond O’Hanlon die
bij voorkeur in zijn studeerkamer tussen zijn boeken de grote
ontdekkingsreizigers uit de 18e en 19e eeuw als Cook, Burton,
Livingstone en Speke achterna reist, met dit verschil:
om vervolgens daadwerkelijk die reizen na te gaan maken met een
koffer vol boeken.

Of Boudewijn Büch, die leefde in twee biotopen: zijn huisbibliotheek
met zijn verzameling boeken en curiosa in een Amsterdams grachtenpand
en op reis naar de meest ver weg gelegen eilanden als Tristan da Cunha,
waar hij al sinds zijn jeugd van droomde. De grote held voor Büch was
de Duitse schrijver Johann Wolfgang von Goethe.
“Goethe is van mij” was zijn lijfspreuk…….

Het paradoxale is dat mijn eigen voorliefde voor Vermeer juist
ontstaan is tijdens een periode van vele buitenlandse omzwervingen.
De ene tegenpool trekt kennelijk vanzelf de andere aan.
Na mijn “Reiselust” leid ik momenteel een meer teruggetrokken bestaan
in mijn atelier en binnenkamer, temidden van boeken en schilderijen,
in de wereld van Vermeer……

De “Dublin Vermeer” – Mystiek daglicht

Te zien in de Halle Napoleon, Musée du Louvre, Parijs, van 22 februari tot
22 mei 2017: expositie “Vermeer et les maîtres de la peinture de genre”.

“Vermeer est un mystère
en plein lumière”
René Huyghe

In de Vermeer-expositie in de Halle Napoleon van het Louvre in Parijs,
met 12 Vermeer-schilderijen, hangt een “best kept secret” van Vermeer uit
Dublin. Iedereen kent het Gezicht op Delft, Het Melkmeisje en Het Meisje
met de Parel – Vermeer’s samenvatting van de hollandse ziel in drie
schilderijen. Een trip naar Dublin is als reisdoel voor het grote publiek
wat minder voor de hand liggend dan bv. Parijs of Amsterdam.

Toch is het schilderij “Lady Writing a Letter with her Maid” in de National
Gallery of Ireland in Dublin in mijn ogen een van de allermooiste Vermeers.
Toen ik dit schilderij voor het eerst zag op de grote Vermeer-expositie in
het Haagse Mauritshuis in 1996 – met 23 Vermeers ! – viel ik er als een
blok voor. Het heeft een aristocratische klasse.

Op het eerste gezicht lijkt het bijna onaf, als een “onvoltooide Vermeer”,
waaraan de laatste details nooit zijn toegevoegd en uitgewerkt,
tot je er achter komt dat dat minimalisme juist de kracht is van het
schilderij; er staat geen penseelstreek te veel of te weinig op. De hele
compositie is opgebouwd om met een minimum aan middelen de
briefschrijvende dame aan de tafel rechts als een fonkelend juweel
te laten oplichten. Terwijl haar dienstbode wacht bij het raam met dat
prachtige blauwe glas-in-lood medaillon.

“Het licht is het zuiverste wat er is”

Zijn de vrouwen van Vermeer in hedendaagse ogen mooi of knap ? Misschien
houden we tegenwoordig meer van Marilyn Monroe of Brigitte Bardot,
en voor hun verleidelijke schoonheid ben ik zelf ook niet ongevoelig,
gebiedt de eerlijkheid te erkennen…….. De vrouwen van Vermeer zijn
niet zo zeer mooi van zichzelf, maar ze wórden mooi door de manier
waarop ze gezien zijn en waarop Vermeer ze in het mooiste licht in zijn
schilderij zet: “als een parel”. Want dat is de visuele metafoor, die de
“dichter” Vermeer aan zijn vrouwen meegeeft: “Ze is als een parel”.


Vermeer schilderde de Dublin-Briefschrijfster als een vrouw “uit licht
geschapen”. Het is het licht van Vermeer, dat haar mooi maakt, het oog
van Vermeer dat haar schoonheid zag en in dat heldere licht wist te
vangen. Als licht uit licht, “lumen de lumine”. Als in het vers van de
poëtische proloog uit het evangelie van Vermeer’s naamgenoot Johannes,
waarin het licht de leidende metafoor is: “Door het Licht is alles
geworden van wat geworden is”. Hetzelfde wonder voltrekt zich in de
schilderijen van Johannes Vermeer.

In mijn ogen is het licht van Vermeer gewoon helder hollands daglicht,
door hem met hollandse nuchterheid en nauwgezetheid gezien en weergegeven,
maar ook een “mystiek licht”, waarin Vermeer zichzelf laat verdwijnen,
zodat het licht de wereld kan verlichten. Als je Vermeer zoekt, zul je
hem alleen vinden door te kijken naar zijn licht.

Dat is de magie van de “Dublin-Vermeer”: de hele compositie van het
schilderij is opgebouwd om de Briefschrijvende Dame te laten fonkelen
in het licht. Het licht is het zuiverste wat er is. ”Laat mij verdwijnen,
opdat alles tot louter licht kan worden”; zo zou het mystieke licht-credo
van Vermeer verwoord kunnen worden.

“Vermeer is Licht”, schreef de Brits-Joodse historicus Simon Schama ooit.
Het is het licht, dat het eenvoudige, alledaagse gegeven dat Vermeer
schildert, een tijdloze en bijna mystieke schoonheid verleent en waarop
al zijn streven en kunnen als kunstenaar was gericht.

Het licht is iets eeuwigs: sinds sterren in het universum zijn gaan
stralen, sinds de oerknal, is er licht. Of, zo je wilt, sinds het woord
uit het Genesis-scheppingsverhaal: “Er zij licht, en er was licht”.
Het licht, dat tegelijk schepping en scheppende kracht is. Zoals
Vermeer’s exacte leeftijdsgenoot Spinoza het zou zeggen: de Natura
Naturata en de Natura Naturans.

Dat maakt in mijn ogen het licht van Vermeer in al zijn schijnbare
alledaagsheid óók een mystiek licht. Of zoals de Franse schrijver
René Huyghe het treffend verwoordde: “Un mystère en plein lumière”……..
Een mysterie in het volle daglicht.

Een van de curatoren van de 2017-Vermeer-expositie in het Louvre in
Parijs is Adriaan Waiboer, die in deze YouTube-video aan de hand van
mooie beelden spreekt over Vermeer’s “Lady Writing a Letter with her
Maid” in de National Gallery of Ireland, Dublin:

Camera Obscura Studies (1)

Camera Obscura studies – in de voetstappen van Vermeer.

“Je continue donc mes études”
Paul Cézanne

In deze serie “Camera Obscura Studies” wil ik in de voetstappen van Vermeer
proberen te treden en gefotografeerde en later misschien ook geschilderde
versies laten zien van zelfgemaakte Camera Obscura-beelden.
Deze serie zal “doornummeren” en op gezette tijden in mijn blog
terugkeren.

De camera obscura is de voorloper van de moderne fotocamera,
vóór de uitvinding van chemische lichtgevoelige emulsies en
fixeermiddelen, en is grofweg in te delen in drie typen:

Het Kamer-model:
een kamer wordt geheel verduisterd met alleen een klein gaatje/lensgat
om het licht van buiten binnen te laten, waarbij een afbeelding van de
verlichte buitenwereld op de tegenoverliggende muur in de kamer wordt
geprojecteerd.

Het Tent-model:
Bovenop een geheel verduisterde tent is een lens + omkeerspiegel
gemonteerd, die het lichtbeeld van buiten op een horizontaal tafelblad
projecteert.

Het Tafel-model:
De voorloper van de fotocamera: een draagbare houten ‘doos’ met
een lens en een matglas, met of zonder een omkeerspiegel om het beeld
rechtop te zetten.

De kleine Vermeer-schilderijen “Meisje met Rode Hoed” en “Meisje met
Fluit” in de National Gallery in Washington zijn de enige Vermeers op
paneel, en lijken directe transscripties te zijn van een Camera Obscura-
lichtbeeld.

In bovenstaande digitale reconstructie van mijn hand heb ik geprobeerd om
de afzonderlijke stappen in de lagenopbouw van het “Meisje met Rode Roed”
van monochrome imprimatura via glacerende kleurlagen tot hooglichten te
ontrafelen en weer zichtbaar te maken.

Een moment van pure schilder-magie zijn de finale hooglichten in het gezicht,
in een paar seconden aangebracht, die ineens scherpte, sprankeling en
leven in het schilderij brengen.
Het oogt zo eenvoudig, maar het moet in één keer goed en
precies op de goede plek. “In one go”, zoals de Amerikanen het zeggen.
Zo’n meesterhand is slechts zeer weinigen gegeven. Één misser, en je kunt
weer helemaal opnieuw beginnen.

Vermeer bouwde het schilderij eerst in kleurvlakken met zachte contouren
op, om vervolgens in de eindfase met loodwit-hoogsels het licht en
scherpte in het schilderij te brengen. Zijn vermogen om licht in verf
te vertalen is ongeëvenaard.

Zijn witten zijn nooit “krijterig”, maar hebben altijd een kleurnuance
in zich. Zoals het turquoise hooglicht in het oog en het rozige hoogsel
op de lippen van het “Meisje met de Rode Hoed”.

Het magie van het lichtbeeld in een camera obscura komt het mooist
naar voren bij zonlicht, omdat de camera obscura een sterke lichtbron
nodig heeft. Wie ooit in een camera obscura gekeken heeft, ziet meteen
dat het “Meisje met de Rode Hoed” in een bundel helder zonlicht gezeten
moet hebben. Die fonkelende hooglichten, die in de zacht gloeiende
kleuren lijken te zwemmen in het vloeiende licht in een matglas zijn
typerend voor een zonlicht-tafereel gezien in een camera obscura.

Ook de broden van het Melkmeisje zouden in zonlicht door een camera
obscura gezien kunnen zijn. Bovenstaande detailafbeelding is van de
broden in het originele schilderij van Vermeer.
Met daaronder een eigen digitale opname van broden in zonlicht op het
matglasbeeld van mijn eigen Camera Obscura. Met de kenmerkende
lichtlovertjes waar de lens net out of focus is. Wat in de vergelijking
met Vermeer’s schilderij opvalt, is dat Vermeer ook verf-stippeltjes
in de blauwe doek schildert, waar hij ze niet gezien kan hebben, maar
die het schilderij wel meer tot een schilderkunstige eenheid
smeden. In een camera obscura lijkt alles op te lossen in één zelfde
substantie: “licht”.

Zijn grotere formaten zal Vermeer niet direct naar het projectiebeeld
in de camera obscura geschilderd hebben, daar is het camerabeeld te
lichtzwak voor. Maar hij was zeker gegrepen door de betoverende
schoonheid van de optische lichteffecten in de camera obscura.
Een schilder met een fenomenaal “eidetisch geheugen” zou die effecten
ook buiten de camera in verf op doek kunnen weergeven. Bij de late
Vermeer heb je het gevoel dat die optische lichtvisie zo in zijn
systeem en vingers zat, dat hij ook zónder camera en mét al zijn
opgedane schilder-ervaring in het vertalen van licht in verf, een
overtuigende lichtval in een interieur kon schilderen.


Met spiegels heb je niet het probleem van lichtverlies, zoals dat
met een Camera Obscura het geval is. Meerdere Vermeer-onderzoekers
hebben al eens de mogelijkheid geopperd dat Vermeer met een dubbele
spiegel werkte.
Het schemerige lichtbeeld van de “Vrouw met Weegschaal” kan Vermeer
onmogelijk in een lichtzwakke Camera Obscura gezien hebben, maar juist
wel in een spiegel. En spiegels in een zwarte ebbenhouten lijst kom je
in veel Vermeer-schilderijen tegen. Ik kan me ook heel goed voorstel-
len dat een spiegel een ideaal hulpmiddel was voor Vermeer om zijn
composities te schikken en te herschikken.

“The image in a camera obscura
looks just like a painting”
Philip Steadman